Bekijk het origineel

Van de gemeene Gratie.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Van de gemeene Gratie.

17 minuten leestijd

DERDE REEKS.

LVIII.

In het zweet uws aanschijns zult gij brood eten, totdat gij tot de aarde wederkeert, dewijl gij daaruit genomen zijt. Want gij zijt stof, en gij zult tot stof wederkeeren. Gen. 3 : 19.

Ons niet tevreden stellende met de algemeene belijdenis, dat God in zijn genade de kracht en de gevolgen der zonde voor al wat mensch heet tempert, zagen we nader de vraag onder de oogen, hoe deze tempering toegaat. Daarbij deelden we deze Voorzienige werking Gods in naar twee lijnen, waarvan de ééne over de engelen loopt en de andere regelrecht naar ons uitgaat. Nu is het eerste punt: de gemeene gratie die over de engelen loopt, afgehandeld, zoowel wat de sonde als de ellende betreft. En ook is daarna afgehandeld de regelrechte werking van deze genade op ons menschelijk leven, zoowel wat aangaat het tegenhouden van de ontkieming van het zondezaad, als het inbinden van de uit den vloek opkomende weeën. Wat ons ten deze ter bespreking nog overblijft is alzoo uitsluitend die andersoortige werking van de gemeene gratie, waarbij God onszelven als instrument laat optreden en onszelven als middel gebruikt. God gebruikte Juda, om zijn broeders van den moord op Jozef af te houden; en zoo ook God liet Hiskia een klomp vijgen nemen om zijn etterbuil te genezen. Had God beide malen het kwaad laten gaan, zoo zouden Jozefs broeders zich aan broedermoord hebben schuldig gemaakt, en zou Hiskia's plage hem in enkele dagen ten grave hebben gesleept. Hier werd dus de ééne maal zonde tegengehouden, en de andere maal de vrucht der zonde in haar ellende getemperd; ] maar beide malen treedt hierbij een mensch als instrument op, bij Jozefs broeders Juda, en bij Hiskia de arts die den klomp vijgen op de plage legde. Over het feit dat de genade Gods zich ook van den mensch als instrument bedient, kan alzoo geen geschil bestaan. Reeds het noemen van een enkel voorbeeld uit het Bijbelsch verhaal wijst dit uit. Maar men vergist zich door te wanen, dat met het enkel wijzen op zulk een tweetal voorbeelden de zaak zelve afgedaan zou zijn. Integendeel. Er komt met deze middellijke actie der gemeene gratie een der gewichtigste vraagstukken voor de practijk aan de orde, d. i. dat van het aanwenden van de middelen, en zoo ook, gelijk ons vorig artikel reeds opmerkte, het gebruiken van medicijnen, het deelnemen in verzekeringsmaatschappijen, het aanwenden van de vaccine, het gebruik van bliksemafleiders en zooveel meer; reden waarom het gewenscht is, dït geheele sink der middelen bier in samenhang uiteen te zetten.

Tweeërlei nu moet hierbij reeds aanstonds onderscheiden worden. Er is namelijk een gebruik van middelen, dat berust op scheppingsordinantiën en alzoo gefundeerd is in onze menschelijke natuur als zoodanig; en er is ten tweede een verscherpt gebruik van middelen, dat eerst na den val intrad, en alleen in dit laatste komt natuurlijk de gemeene gratie uit. Het was, om dit onderscheid terstond met een sprekend voorbeeld duidelijk te maken, het was reeds vóór den val als eisch voor de menschelijke natuur verordend, dat de mensch door het nemen van spijs zijn lichamelijk leven zou in stand houden: „ Van alle boom dezes liofs zult gijvrijemk eten." Maar na den val wordt deze ordinantie verscherpt, en daartoe aldus gewijzigd: In het ziveet uws aanschijns stdt gij brood eten." Alzoo niet in het eerste, maar wel in het tweede spreekt zich de gemeene gratie uit. Hierop echter wordt slechts in het voorbijgaan als een sprekend voorbeeld gewezen. Om tot een helder inzicht in dit zoo gewichtige stuk onzer belijdenis te geraken, moet veel dieper op de zaak zelve worden ingegaan.

Vraagt men zich toch af, hoe het werk Gods in de onderhouding en de regeering der wereld toegaat, dan dringt zich aanstonds de overtuiging aan ons op, dat dit slechts voor een deel te verstaan is als een rechtstreeksche werking Gods, buiten alle middel om, en dat verreweg het grooter deel van het werk Gods plaats grijpt door middel van iets dat reeds bestaat.

Als er een mensch geboren wordt, dan moge men nog zooveel uit de generatie van den vader en uit de ontvangenis, de dracht en het baren der moeder verklaren, niet enkel wat het lichaam, maar ook wat erfschuld en erfzonde, ook wat aanleg en bestaanswijze betreft, maar dan blijft er in dit tot aan­ zijn komen van een mensch die er eeuwiglijk zijn zal, toch altoos iets over, waarvan we belijden, dat er een rechtstreeksche daad Gods in ligt. Dit moge onbedachtzamelijk door velen te breed zijn opgevat, en daardoor de samenhang met vader en moeder, en zoo met heel het geslacht te zeer uit het oog zijn verloren, toch was het goed dat onze Gereformeerde theologen steeds tegen het Traducianisme van Augustinus protest indienden door hun opkomen voor het Creatianisme. Zij konden er niet in rusten, dat iemands geheele persoonlijkheid uitsluitend als vrucht van generatie zou worden verstaan. De ziel des menschen moest rechtstreeks met God zelven naar haar diepsten oorsprong, in verband worden gezet. En al gingen ze hierbij nu vaak te ver, en al verwaarloosden ze op dit punt te zeer de beteekenis van het Verbond, hun protest tegen het Traducianisme had toch diepen zin en heilige bedoeling, en onze Belijdenis zou schade lijden, zoo we dit protest viren lieten. Voor hen, die deze vreemde termen niet terstond verstaan, zij hierbij gevoegd, dat men met Traducianisme de leer bedoelt, dat de ziel des menschen het product zou zijn van de generatie, en dat alzoo de ziel van een mensch uit het zielsleven van zijn vader en moeder zou zijn afgeleid; terwijl omgekeerd het Creatianisme bedoelt, dat er in het tot aanzijn komen van een menschenziel een diepste iets is, dat niet uit de generatie is af te leiden, maar rechtstreeks door schepping ontstaat. Soms dreef men dit laatste zelfs zoo ver van te meenen, dat de ziel eerst meerdere maanden na de ontvangenis door God in den eerst „ongevormden klomp" (Psalm 139:16) werd ingeschapen. Vooral toen ook de Luthersche theologen het Traducianisme gingen aanhangen, kreeg het Gereformeerde protest hiertegen een hoogere beteekenis. En nu in onze dagen ook ten onzent de Ethische theologen schier allen tot dit Traducianisme neigen, is het te meer zaak, dat wij onzerzijds tegen deze de menschelijke natuur verlagende voorstelling in verzet komen.

Ook afgezien echter van dit rechtstreeksche werken Gods in het tot aanzijn komen van eens menschen ziel, is het duidelijk, dat er in den diepsten grond der dingen allerlei mysterieuse werkingen zijn, die geen tusschentredend middel toelaten, en uit den aard der zaak onmiddellijk, of wil men buiten middelen, d. i. rechtstreeks moeten toegaan. Het leven zelf is iets waarvoor men nimmer een nadere verklaring vinden zal, en dat in stand blijft door Gods rechtstreeksche mogendheden. Alle grondkrachten der natuur kunnen niet anders dan rechtstreeks door Gods mogendheid gedragen worden. En hoever ook, om slechts dit ééne voorbeeld te noemen, de sterrenkunde er in slagen moge, om de natuur, den loop en den ouderlingen samenhang van de starren des hemels te verklaren, toch is het duidelijk, dat er een macht buiten en boven het firmament moet zijn, die er de stuwkracht in bracht en gaande houdt, en het geheel als zoodanig belet in elkander te storten. Wat Jesaia zegt van Hem die al de starren „bij name roept vanjvege de grootheid zijner kracht en omdat Hij sterk is van vermogen, " blijft tastbare waarheid.

Maar al denken we er uit dien hoofde niet aan het werken Gods zonder of buiten middelen te willen ontkennen, toch is het even duidelijk, dat, zoodra we uit deze grondkrachten der schepping tot haar ineenstrengeling en afgeleide gevolgen opklimmen, schier alle werking Gods middellijk van aard wordt. Zelfs kunnen we verder gaan en zeggen, dat alle werking Gods, die door ons kan worden nagespeurd, zulk gen in^ Strumenteel karakter draagt, d. i. zich van iets dat bestaat als instrument bedient. Al wat rechtstreeks toegaat ontsnapt aan onze waarneming. Voorwerp van onze kennis kan alleen datgene zijn, waarbij we naar zekere regelmaat een aangewezen werking uit een aanwijsbare oorzaak zien voortkomen. En zoodra we de grens van dat breede terrein bereikt hebben, en toekomen aan die krachten en werkingen, die geen nadere oorzaak aanwijzen of ook geen regelmaat van werking meer blootleggen, bewonderen, aanbidden en gelooven we, maar kunnen met onzen onderzoekenden geest niet verder, en hebben dus af te zien van alle verdere wetenschap. Even dwaas derhalve als het zijn zou, uit dien hoofde het werkelijk bestaan van deze dieper liggende grondkrachten te willen ontkennen, even ongerijmd zou het zijn, indien we van uit ons geloofsstandpunt voor het middellijk en instrumenteel karakter van de afgeleide krachten het oog wilden sluiten.

Toch is het noodzakelijk hier een oogenblik bij stil te staan, overmits het geloof er steeds, en terecht op uit is, om ook in de afgeleide krachten en werkingen, die door de middelen werken, zeer wezenlijk „het werk van Gods M gendhcid" vast; te houden. Dit te doen is zelfs plicht. Als het onweder dreunt door het zwerk, wil meer dan één natuurkundige ons beduiden, dat dit niets met God te maken heeft. Het is zoo doodeenvoudig. Er hoopt zich electriciteit op in de lucht. Die electriciteit wordt in de wolken als . ingesloten, en daardoor opgehoopt. En evenals nu een dusgenaamde leidsche flesch, goed geladen, ten slotte een vonk doet uitschieten, zoo doen het ook de met electriciteit geladen wolken. Nu heeft Gods kind er natuurlijk niets op tegen, dat het uitschieten van den bliksem ons alzoo verklaard wordt. Immers wie ooit te midden van een onweder op een hoogen bergtop van drie duizend meter of meer stond, heeft voor zijn oogen dat eerste losse vonken van de wolken kunnen waarnemen. Waar Gods kind alleen tegen opkomt is, dat men om het middellijk karakter van deze werking, de majesteit Gods vergeten zou, die zich in dezen donder van het zwerk uitspreekt. Zeker, als een dichter zijn heldenzang op het papier neerschrijft, kan men met volkomen recht zeggen, dat hier niets geschiedt, dan dat een stalen punt in inkt gedoopt wordt, en dat deze met inkt bevochtigde stalen punt in allerlei lijnen en kronkelingen over het papier heenglijdt. Tot op zekere hoogte is dit dan ook volkomen waar. Zelfs kan men nog verder gaan en zeggen, dat deze stalen punt vastzit aan een houder, en dat om dezen houder zich twee of drie vleezige uitwassen krommen en hem omklemmen, en dat het deze vleezige uitwassen zijn, die het glijden van de stalen punt over het papier veroorzaken. Voorts dat die vleezige uitwassen uitschieten uit de extremiteit van een lichaam, dat innerlijk door bloed en zenuwen in actie wordt gezet. Maar zal men, nadat dit alles haarfijn ontleed is, u nu het recht willen betwisten, om, over alle deze instrumenteele middelen heen, rechtstreeks op den dichter zelven te zien, en met voorbijgang van bloed en zenuwen, van hand en vinger, van houder en stalen punt, kortweg te zeggen dat de dichter zijn lied ons schreef? En zoo nu ook hier. Al is het volkomen waar, dat de bliksemflits op de boven vermelde wijze komt uit te schieten, wie zou ons daarom het recht willen betwisten, om met voorbijgang van electriciteit en wolk en zooveel meer, kortweg te zeggen, dat het God is, die zijn stem gaf in de zvolken ? Ja, niet alleen dat we het volste recht hiertoe bezitten, maar zelfs is deze zegswijze veel juister en veel meer innerlijk waar. Het is zoo, niet de man zaagt, maar door het hout gaat een reeks van ijzeren scherpe punten, die vastzitten aan een reep ijzer, en deze reep zit zelf weer geklemd in een handvatsel, en zoo al meer. Maar toch, ook al weten we dit alles zeer wel, toch zegt een ieder: „De man zaagde het hout door, " en wie dan antwoordde: „Neen niet de man, maar zijn ijzeren reep met stalen punten, " zou uitgelachen worden om zijn pedantisme. Het geloof behoudt dus niet alleen het volste recht, om ook van den bliksem, van den regen, van den hagel, en zooveel meer te zeggen, dat God dit alles rechtstreeks doet. Alleen maar het geloof gaat feil, zoo het daarom zou willen ontkennen, dat God zich om zijn stem in de wolken te geven, van de electriciteit en de persing van den dampkring bedient. Een zager, die niet weet hoe zijn zagen toegaat, kan de punten niet scherp vijlen. En zoo ook een man des geloofs, die weigerde om van het instrumenteele van den bliksem kennis te nemen, en op een bergtop, te midden van het rookend zwerk, deswege zijn ijzeren ijsbijl niet verre van zich wierp, zou het zich zelf te wijten hebben, zoo de electriciteit op hem losschoot en hem te midden van de wolken vernielde. •

Niemand zie derhalve in onze uiteenzetting over de middelen ook maar van verre een poging, om in de middelen die middelen zelve, en niet Gods doen vol majesteit te verheerlijken. Ook hier geldt het woord tot Nebucadnezar, dat de zaag niet pochen zal tegen dien die haar trekt, noch de bijl tegen dien die er meê houwt. Beide is volmaakt even waar, én dat het de Heere is die „ons spijst met het vette der tarwe" (Ps. 81 : 16), én dat de tarwe er komt, „doordat de aarde de tarwe verhoort, en de hemel de aarde verhoort, en God den hemel verhoort" (Hozea 2 : 20, 21). En zoo ook hebt gij volkomen gelijk recht, om de ééne maal rechtstreeks van • God op uw dagelijksch brood over te springen in het Onze Vader, en de andere maal bij uw brood te rekenen met al de tusschenschakelen van bakker, molenaar en landman, van bodem, vocht en warmte. Wat alleen de natuurkundige «? > / mag doen, is, om de tusschen 'rggende oorzaken het oog voor God sluiten, die alleen al deze oorzaken aaneenschakelt. En wat gij als geloovige niet moogt doen, is omdat God al deze oorzaken aan elkander schakelt, die ineenschakeling van oorzaken voor niets rekenen.

Slaan we nu eerst het oog op de natuur buiten den mensch, dan is het duidelijk, dat we reeds hier tusschen tweeërlei soort tusschenschakelen te onderscheiden hebben. Het is toch heel iets anders of een zeemeeuw een visch uit het water oppikt, of dat een plant door haar wortel iets opslorpt uit den bodem; en zelfs dit is weer heel iets anders dan dat ijzer zuurstof inzuigt uit de lucht en zich oxydeert. Ook dit alles doet God; want God voedt de zeemeeuw. God doet de plant groeien, en God oxydeert het metaal. Maar al is het werk Gods in elk dezer drie gevallen instrumenteel van aard, toch is de instrumenteele werking lang niet bij deze drie hetzelfde. Het ijzer kan er niets aan doen. Zoodra het aan de met zuurstof bezwangerde lucht is blootgesteld, begint het, tenzij een olie-of vetlaag het ijzer afsluit, te oxydeeren. Bij de plant werkt reeds iets van de plant zelve mede. Niet elke plant is even gezond en krachtig, en ge kunt in eenzelfden tuin naast elkander drie kastanjeboomen stekkeUj dat de ééne kolossaal zal uitgroeien, de tweede zoo zoo zal opwassen, en de derde laag bij den weg zal blijven. Maar veel sterker wordt dit „meetellen van het instrument zelf' bij de zeemeeuw. Hier is eigen actie. Een spieden en gluren van verre. Een pijlsnel toeschieten. Een vlug induiken. En een opeens grijpen van het spartelend vischje met den snavel. Doch al loopt aldus de aard dezer drie ingeschakelde tusschenwerkingen uiteen, toch is het duidelijk dat het werk Gods in alle deze drie gevallen middellijk toegaat. De oxydatie van het ijzer is geen rechtstreeksche werking, maar God brengt ze tot stand met behtilp van de lucht. Het doen groeien van de plant is geen rechtstreeksche daad Gods, maar brengt God tot stand o. a. doordat Hij den wortel bestanddeelen uit de7i bodem doet opzuigen. En zoo ook, het spijzigen van de zeemeeuw gaat niet regelrecht toe, maar komt tot stand door de gegevens die God in de zeemeeuw en in het water inschiep.

Aldus middellijk nu is al het werk Gods in het rijk der delfstoffen, der planten en der dieren. God kon dit alles ook rechtstreeks voortbrengen, want Hij deed dit in de schepping. Maar thans in de bestaande schepping grijpt geen nieuwe schepping van planten en dieren plaats, maar gebruikt God altoos en onverandelijk, om nieuwe planten en dieren voort te brengen, planten en dieren die bestaan. Geen plant kan een nieuwe plant voortbrengen zonder God, en geen dier kan jongen werpen of geen vogel eieren leggen en uitbroeden zonder God en buiten zijn mogendheid. Maar ook omgekeerd, is het Gods Voorzienig bestel, om geen nieuwe plant anders te doen uitkomen dan uit een plant die er is, en evenzoo geen nieuwen jongen leeuw anders te doen voortkomen dan uit een leeuw en leeuwin die er waren, of ook geen adelaar te laten opvliegen dan die voortkwam uit een adelaarsnest, door vroeger uitgebroede arenden gebouwd. Natuurlijk komt hier nog veel meer bij in aanmerking, want een plant groeit niet enkel op haar wortel, maar heeft evenzoo zuurstof en licht en warmte in te drinken, en ook de leeuwenwelp zou na geworpen te zijn, zijn weggestorven, zoo de moederleeuw haar welp niet gezoogd had. Zelfs van de jonge raven lezen we, dat ze naar God roepen, en dat God ze spijzigt. Maar in het gemeen genomen, kunnen we volstaan met er op te wijzen, dat het werk van Gods majesteit in de natuur bijna niet anders uitkomt, dan in aansluiting aan het bestaande, en met behulp van het bestaande.

Is nu daarom de natuur irreligieus.' Of om het duidelijker te zeggen: Is nu daarom de natuur een macht tegenover God, en althans ten deele van Hem onafhankelijk.' Stellig niet. Of wie is het die in de plant dat wondere samenstel van voortplantingsmiddelen heeft ingeschapen, die de zwevende kiem op de vleugelen van zijn wind opneemt en wegvoert, en doet neerzijgen op de verwante planten in andere plaatsen.' Immers God de Heere, en Hij alleen. En wel verrre van daar, dat dit de aanbiddelijkheid van Gods werk voor ons zou verkleinen, wordt het werk Gods er juist te heerlijker en te rijker door. Wij menschen werken in een fabriek aan saamgestelde goederen, en moeten daarvoor elk stuk apart maken, en dan het geheel ineenzetten liit zijn deelen. Een uurwerk kunnen we maken, en nog een uurwerk, en altoos weer een uurwerk. Maar een uurwerk maken, waaruit vanzelf en aldoor weer een horloge zou voortkomen, dat kan de mensch niet. Al óns werk is mechanisch en God alleen werkt organisch. En dit juist is zijn majesteit, dat Hij in ons bij de schepping zelve op eenmaal voor alle volgende eeuwen de dingen zoo heeft ingericht, dat één stroom van leven, alle eeuwen door uit zijn eerste schepping zou voortkomen. God had het ook anders kunnen doen, en elke plant en elk dier weer opnieuw kunnen scheppen. Maar het zou minder rijk, minder Goddelijk geweest zijn. En zooals Hij het nu deed, is het onvergelijkelijk majestueuser en wonderbaarder, mits ge maar steeds in het oog houdt, dat al wat aan kracht of aan vermogen in de natuur schuilt, er door Hem ingelegd is en er door zijn alomtegenwoordigheid elk oogenblik in wordt gedragen. Oók dit laatste, want het is niet alzoo, dat God het in de schepping afdeed, en nu voorts de natuur uit zich zelve doet werken. Neen, maar van oogenblik tot oogenblik is Hij het die, alomtegenwoordig in elke plant en in elk dier alle deze vermogens in stand houdt en werken doet.

Reeds dit nu is van gewicht.

Er blijkt toch uit, dat de afkeer, die bij velen va7i de middelen bestaat, voortkomt uit een fout in hun belijdenis. Natuurlijk bedoelen ze dat in het rechtstreeksche God heerlijker uitkomt. M«ar uit het aangevoerde blijkt dan toch, dat dit geheel verkeerd begrepen is, en dat Gods majesteit in zijn organische scheppingjuist daarin op het hoogste blinkt, dat Hij niet in eindeloos weer scheppen eenvoudig zichzelven herhaalt, maar dat Hij wonderbaar en majestueus in het eerstgeschapene al datgene verborg, waarvan Hij zich nu als middel bedient, om zijn natuur, in al haar rijkdom, te doen voortbestaan.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 31 juli 1898

De Heraut | 4 Pagina's

Van de gemeene Gratie.

Bekijk de hele uitgave van zondag 31 juli 1898

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken