Bekijk het origineel

„Zedelijke ernst”.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

„Zedelijke ernst”.

5 minuten leestijd

Amsterdam, 29 Juli 1898.

De redacteur van de Ttjd wijdde vier hoofdartikelen aan een stukske in ons blad, waarin we protest indienden tegen het gevaarlijk bedrijf van hen, die de „zedelijke vastigheden op allerlei manier loswrikken."

Reeds voor deze opmerkzaamheid aan ons opstel geschonken, zijn we erkentelijk, en erkentelijk niet minder voor den toon van waardeering, waarin keer op keer zinsneden uit ons kort betoog werden overgenomen, en overgenomen met betuiging van sympathie.

Toch bleef het natuurlijke hoofddoel der redactie, om ons beweren te logenstraffen, dat de Reformatie den „zedelijken ernst, " die bij haar opkomen ontbrak of bedreigd werd, heeft vastgezet.

Dat nu zedelijke ernst niet bestaat in „stug en stijf zijn" noch in het toonen van een „onvriendelijk gelaat, " behoeft ons niet herinnerd te worden. We loopen nu bijna twintig jaar, en steeds was ons optreden een protest tegen die stuitende caricatuur der „fijnen."

Doch daarin ligt dan ook de verweerkracht van het tegenbetoog niet.

Die vér weerkracht wordt gezocht: i". in het wijzen op veel uitnemende mannen en vrouwen die, buiten de Reformatie levend, een zeer ernstig zedelijk levensgedrag ten richtsnoer kozen, en Rome getrouw bleven; 2°. in het wijzen op veel klachten van reformatorische zijde over tekortkoming aan zedelijken ernst; en 3". in het wijzen op de Luthersche leer der rechtvaardigmaking en op de algemeen Protestantsche veroordeeling van het „levende gezag", als de oorzaak van zooveel afval en zedelijke verslapping als in Protestantsche kringen valt waar te nemen.

Weerleggen zullen we dit betoog niet.

Bezigde de Ti/d vier hoofdartikelen om ons kort opstel te bestrijden, wij zouden allicht viermaal vier zulke artikelen voor tegenbetoog behoeven. Ongetwijfeld zou dan de Tï/d dat breed verweer nogmaals gaan weerleggen. En, hielden we dan nóg aan, dan zou een goed deel van onze beschikbare ruimte, voor lange maanden, geheel in deze polemiek opgaan.

Bovendien wat zou het baten, of wij tegenover de reformatorische en nareformatorische klachten over ergerlijke dingen onder de Christenheid, gelijksoortige stukken uit Roomsche boetpredikaties legden ?

Steeds zal de ernstige prediking de consciëntie verontrusten, de gebreken en zonden van het gemeenteleven met helle kleuren schilderen ter afschrikking, en ons althans is geen periode uit het leven van welke kerk ook bekend, waarin geen klacht viel over ongeloof en zedelijke ergernis.

Reeds in de apostolische kerk was dit zoo; en zelfs onder de discipelen staat Petrus met zijn verloochening van den Heere, Thomas met zijn aarzelend ongeloof, Jacobus, Johannes en Petrus met hun slaap, waar waken met Jezus plicht ware geweest, om nu van Judas niet eens te spreken.

Zoo ook is nooit door ons ontkend, dat de Roomsche anthropologie en soteriologie niet in beperkten kring tot hooge geestelijke opvatting, ongemeene toewijding, en een innig zoeken van mystieke gemeenschap met den Heiland kon leiden.

Maar dat alles raakt voor ons de quaestie niet.

Wat onze overtuiging bepaalt, is i". de feitelijke toestand in Roomsche en Calvinistische landen, 2". de verhouding die van Roomsche zijde tusschen kerk en wereld wordt geaccepteerd.

Vergelijkt men nu wat het eerste betreft, den zedelijken ernst in het huwelijksleven, in het huislijk leven, in de opvoeding en zooveel meer, gelijk die in Italië, Spanje en Frankrijk bestaat, met wat ge nog altoos vindt in Schotland, Engeland en Nederland, dan kunnen we met den besten wil tot geen andere conclusie komen, dan dat de zedelijke ernst in de laatstgenoemde landen, wat deze grondslagen van samenleving betreft, hooger staat. Ja, we kunnen ons haast niet voorstellen, dat de redactie van de Ti/d ons dit grosso modo niet zou toegeven.

Denk nog eens aan wat de paus zelf ov.; r Engeland schreef.

We zijn daarom in het minst niet blind voor de donkere schaduwzijde die ook op het leven in Protestantsche kringen rust; maar ook met het oog hiervoor ten volle open, kunnen we ons niet voorstellen, dat zelfs de redactie van de T, ijd zou kunnen wenschen, dat de heerschende opvatting aangaande genoemde grondslagen van het zedelijk leven ten onzent worden mocht, wat die in Italië en Frankrijk is. Noch ook dat de Tijd het geen winste voor Italië en Frankrijk zou achten, indien deze levensopvatting de in die landen heerschende levensopvatting van huwelijksleven enz. vervangen kon.

En nu weten we Wel, dat de „bons Catholiques" hiertegen opkomen, zoo in Italië als in Frankrijk en' in Spanje; maar het feit blijft dan toch, dat de Roomsche kerk deze millioenen en milHoenen 'tot de zonen der kerk blijft rekenen, en niet dan bij niet noemenswaarde uitzondering de lofzingers of predikers van zulke verkeerde ideeën en practijken, van haar kerkgemeenschap afsnijdt.

We mogen dus niet ter beoordeeling alleen de edeler groepen nemen, maar moeten ons wel de Roomsche kerk in haar geheel voor oogen stellen, gelijk die in de zuidelijke landen, steeds de geheele bevolking omvat.

En dan blijft het ons voorkomen, dat hier niet alleen sprake is van van elders ingeslopen gif, maar dat wel terdege de theorie, die voor Rome de verhouding tusschen kerk en wereld regelt, mede oorzaak is, dat onder 3e groote menigte de zedelijke publieke opinie in deze landen zooveel te wenschen overlaat.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 31 juli 1898

De Heraut | 4 Pagina's

„Zedelijke ernst”.

Bekijk de hele uitgave van zondag 31 juli 1898

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken