Bekijk het origineel

„Om te straffen alle goddeloozen”.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

„Om te straffen alle goddeloozen”.

9 minuten leestijd

Om gericht te houden tegen allen, en te straffen alle goddeloozen onder hen, vanwege alle hunne goddelooze werken, die zij goddelooslijk gedaan hebben, en vanwege alle de harde woorden, die de goddelooze zondaars tegen Hem gesproken hebben. Judas VS. 15.

God straft.

Dit feit staat, voor wie gelooft, boven alle bedenking, en in het kruis van Golgotha is dit feit ten toon gesteld voor hemel en aarde.

Niet medisch, is hier het doel, om de wonde die ons de zonde sloeg, te genezen. Het is niet om ons te ontwikkelen. Niet om ons tot hooger standpunt op te leiden.

Medicijn, ook al kan het zeer bitter wezen, is geen straf. En zelfs als aan iemand, die zich een been brak, dit been moet worden afgezet, denkt niemand er aan den chirurgijn als scherprechter te laten optreden.

Wat tot genezing strekt, komt voort uit deernis en mededoogen. Straf daarentegen gaat uit van toorn.

Het kan daarom wel zijn, dat de straf tevens een genezende uitwerking heeft, tot bekeering leidt, en feitelijk redt.

Maar dit is bijkomstig, en vloeit allerminst uit de straf als zoodanig voort.

Straf op zichzelve is een zich wreken van de gerechtigheid. Alle zonde gaat tegen de gerechtigheid in en poogt eigen wil en recht voor het door God bestelde recht en voor Gods geopenbaarden wil in plaats te stellen.

En hierin wordt God zelf gehoond en aangerand.

Gods toorn is dus niets anders dan de noodzakelijke reactie van het Goddelijk Wezen tegen wat zijn Wezen te na komt.

En deze reactie nu van God zelf tegen de schending van zijn recht door het creatuur, dat is straf; straf die niet kan uitblijven, zoo waarlijk God God is ; een straf die alleen daarom niet altoos in het oog springt, omdat de straf zoo dikwijls wordt uitgesteld, en de volkomen evenredige straf eerst voleind wordt na het jongste oordeel.

Nu rijst intusschen de ernstige vraag of deze straf ook Gods kind treft. Of men kan en mag spreken van een straf die de uitverkorenen na hun bekeering dragen. En of men in het gemeen onder geloovigen spreken mag van de straffende hand Gods die op hen drukt.

Velen doen dit. Ze zijn geneigd in alle leed en kommer die hen treft, een straffe Gods op te merken. En in niet weinig boetpredikatiën wordt ditzelfde aan de geloovigen op het hart gebonden.

Doch juist hiertegen dient getuigd. Niet natuurlijk alsof de geloovigen niet in zonde ontvangen en geboren zouden zijn. Immers bij den Doop onzer kinderen hebben we allen betuigd, dat ze niet alleen 7W/Ö/ZJ in zonde ontvangen en geboren waren, maar ook meton^

voorkomen als aan allerlei ellendigheid, ja, der verdoemenis zelve onderworpen.

Daarover kan alzoo onder Gereformeerden geen verschil van gevoelen zijn.

Maar wel staan we bij de geloovigen voor deze geheel andere vraag, of Christus al dan niet hun geheele straf heeft gedragen.

En daarop nu is van oudsher tweeërlei antwoord gegeven.

Eenerzij ds heeft men gezegd, dat Christus wel onze schuld droeg, die ons ter verdoemenis leidde, maar de tijdelijke straffe aan ons zelven te dragen overliet. En anderzijds heeft men bekend, dat deze onderscheiding geen zin heeft, dat Christus 6f een volkomen Zaligmaker is, en ons dan van alle straf bevrijd heeft, óf wel dat, zoo wij nog straf hebben te dragen, van een volkomen Zaligmaker geen sprake kan zijn.

Onder de Roomschen kleeft men nog meest de eerstbedoelde voorstelling aan. Onze vaderen daarentegen waren meest voor het laatste gevoelen.

En metterdaad, wie het kruis van Christus in zijn volle diepte opvat, moet wel tot de laatste voorstelling neigen.

Christus heeft dan al de straf voor ons gedragen, en voor ons blijft er geen straf meer.

„De straf, die ons den vrede aanbrengt, was op hem, en door zijne striemen is ons genezing geworden".

Dit houdt in, dat Christus in onze plaats is getreden; dat hij is gaan staan, waar wij moesten staan; dat de straf die op ons had moeten neerkomen, door hem is gedragen; en dat dientengevolge wij van straf bevrijd zijn.

Straf wordt slechts éénmaal gedragen, en kan niet eerst door Christus voor ons, en daarna door onszelven gedragen worden.

Wat hij droeg, dragen wij niet, en wat wij dragen, is niet gedragen door hem.

Wij dan gerechtvaardigd zijnde door het geloof, hebben vrede bij God door onzen Heere Jezus Christus, nademaal hij „onze zonden op het hout gedragen heeft", en „zonde voor ons gemaakt is, opdat wij zouden worden gerechtigheid Gods in hem."

Zal men hierbij nu scheiden, en zeggen: Er is tweeërlei zonde. Vooreerst de grondzonde van onzen afval van God in Adam. Daarin ligt de eigenlijke schuld, die de verdoemenis over ons brengt. En de straf daarvoor droeg Christus.

Maar naast deze oorspronkelijke zonde, die ons met heel ons geslacht gemeen is, heeft ieder onzer zijn tijdelijke, zijn persoonlijke zonden. Voor deze zonden moet apart straf worden gedragen.

En die droeg Christus niet. Zoodat we daarvoor zelven aansprakelijk blijven! Maar voelt ge dan niet, hoe dit een mechanische scheiding zou wezen die niet opgaat?

Ziet ge dan niet in, dat onze persoonlijke en tijdelijke zonden opkomen uit die oorspronkelijke zonde? Hangt alle latere zonde niet met de eerste zonde oorzakelijk saam?

En is dit zoo, hoe wilt ge dan de takken en den boom vanéén scheiden ? En wat is het dan anders dan het verzoeningswerk veruitwendigen, zoo ge Christus den boom laat hei ligen, maar de heiliging der takken, door eigen gedragen straf, op óns laat neerkomen ?

Neen, heeft Christus voor ons geleden, dan is hij „een verzoening niet alleen voor onze zonden, maar ook voor de zonden der geheele wereld, " wat zeggen wil, dat hij én die schuld droeg, die ons met heel de wereld gemeen is, én tegelijk onze persoonlijke schuld, beloopen door onze daadwerkelijke zonden.

Voor ons is er dan geen straf meer. Niet in den zin, alsof we daarom aan de gemeene ellende onttrokken werden. Integendeel, juist de gerechtige lijdt het bitterst, bitterder dan de goddelooze. De knecht Gods blijft de man van smarte. En het blijft alzoo, dat we door vele onderdrukkingen moeten ingaan in het Koninkrijk der hemelen.

Alleen maar het lijden heeft, dank zij Christus' offerande, voor de geloovigen een geheel ander karakter verkregen.

De straf is weggenomen, en het lijden is nu beproeving, is verzoeking, is kastijding geworden, middel tot oefening van ons geloof, tot genezing van onze zielswonden, tot opheffing naar heiliger stand.

In zijn kruis en zijn lijden ervaart het kind van God nu niet meer den toorn van de straffende gerechtigheid, maar de hand van zijn Vader, en die hand slaat hij niet af, maar kust hij, wetende, dat ze niet bedoelt hem te verderven, maar hem te kastijden tot zijn bestwil.

Vv^ie ten volle gelooft, werkelijk gelooft, dat Christus onze zonden op het hout gedragen heeft, en dat de straf die ons .den vrede aanbracht, op hem was, kan niet anders gelooven noch anders oordeelen.

Te zeggen dat God ook nu zijn geloovigen nog straft, is de vrucht van het kruis van Christus onderschatten.

Waar komt het nu vandaan, dat desniettemin de tegenovergestelde voorstelling nog steeds stand houdt, en dat zoo menig kind van God, bij dreigende volksrampen of bij persoonlijk lijden, nog zoo geneigd is, om van de straffende hand Gods te spreken, en dat in zulke oogenblikken nog zoo dikwijls straf in het leed gevoeld wordt?

Het feit zelf staat vast, zoo vast zelfs, dat bij boetpredikatiën onder het woeden van pestilentie gehouden, de gemeente het liefst zulk een predikatie hoort, die juist op den toorn Gods nadruk legt.

En ook afgescheiden van zoo exceptioneele rampen en gevaren, weet ieder onzer uit eigen ervaring maar al te goed, hoe eigen ongeval of plotseling invallend leed, schier altijd begint met onze consciëntie te verontrusten, en ons te doen vragen, of we niet staan voor een vertoornd God.

Zelfs is het niet ongewoon de ééne Christelijke familie over de andere te hooren oordeelen, dat iange nood in zulk een gezin uitgebroken, wel bewijs zal zijn dat er in dat gezin zwaar tegen God gezondigd is.

•Er blijkt dus overduidelijk, dat we het gevoel van straf ook in geloovige kringen volstrekt niet kwijt zijn. Dat de gewaarwording van straf nog telkens doorleefd wordt. En dat het tegen onze consciëntie in zou gaan, indien we over deze gewaarwording wilden hèenwerken.

Veilig kan men dan ook zeggen, dat de voorstelling, die onder de Roomschen populair is, volstrekt niet een uitvindsel is dat buiten onze eigen zielservaring omgaat.

Integendeel beleden moet, dat ook in onze kringen, en in ons eigen zielsleven, nog telkens gewaarwordingen doorleefd worden, die met deze voorstelling overeenstemmen.

Dit intusschen ligt uitsluitend aan het gebrekkige van ons geloof.

Elk oogenblik dat ge ten volle, dat ge volstrekt, dat ge zonder voorbehoud, in het kruis van Christus gelooft, zijn al uw zonden in de diepte der zee geworpen, raken ze u niet meer, en kan het denkbeeld niet meer in u opkomen, dat gij zelf e.r nog straf voor zoudt te dragen hebben.

Maar dan ook, elk oogenblik dat uw geloof onvolkomen, gebrekkig en bezwijkend is, houdt Christus op u den vollen vrede te schenken, gevoelt ge slechts een gedeeltelijke vergeving, to"bt ge weer metuw persoonlijke zonde, en moet ge naar dienzelfden maatstaf het lijden en de ellende . weer zelf als straf gewaar worden en dragen.

Deze twee gaan altoos gelijkelijk op en neer.

Voor zooveel ge geloof hebt, gaat de straf weg. Maar ook voor zooveel ge in geloof tekort schiet, keert het gevoel van straf terug.

Ellende nog als straf te gevoelen, is bewijs van uw .tekortkoming in geloof.

Doch daarmede volgt dan ook, dat een kind van God dit bang gevoel niet overwint, door nu zelf te boeten, en weer het leed als straf te dragen, maar eeniglijk door tot het volle en bezielde geloof terug te keeren.

En zoodra ge hiertoe kwaamt, en ge weer, bij het kruis van Golgotha nedergeknield, voelt en ontwaart, hoe Christus al uw zonden gedragen heeft, op datzelfde oogenblik glijdt de bange gewaarwording van straf uit uw ziel weg, en blijft er voor u niet anders over dan kastijding van Gods Vaderhand.

De strai is voor den goddelooze, en voor u, als kind van God alleen, inzoover ge door uw ongeloof weer op het standpunt van den goddelooze terugzinkt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 31 juli 1898

De Heraut | 4 Pagina's

„Om te straffen alle goddeloozen”.

Bekijk de hele uitgave van zondag 31 juli 1898

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken