Bekijk het origineel

Geen gezonde verhouding.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Geen gezonde verhouding.

6 minuten leestijd

Voor eenige weken herdacht Ds. J. Vermeer, prediker bij de Zwolsche Hervormden, de aanvaarding van zijn ambt voor veertig jaren.

De predikatie, bij deze gelegenheid, door den jubilaris gehouden, over Deut. 8 : 2a, is met aanteekeningen voorzien, bij den heer Berends te Zwolle, in het licht verschenen.

Achter die predikatie nu vindt men ook aanspraken tot civiele en kerkelijke autoriteiten, die tot een enkele vraag leiden.

Eerst komt een aanspraak aan den Commissaris der Koningin in de provincie Overijsel, den heer Van Lycklama a Nijeholt, van dezen inhoud:

Allereerst, HoogEdelGestrenge Heer! Commissaris van H. M. de Koningin in ons_Gewest betuig ik U mijn dank. Uwe tegenwoordigheid in ons Bedehuis te dezer ure verblijdt de gemeente en vereert mij.

't Is ons steeds eene oorzaak van vreugde, wanneer onze Overheden belangstelling toonen in het bijwonen der openbare Godsdienstoefeningen. Te méér, zeker, omdat we te dien aanzien niet verwend zijn. U mogen wij gedurig met de Gemeente zien opgaan. Het is onzer aller wensch en bede, dat onze getrouwe God en Zahgmaker U en Uw Huis zegene met eene keur van tijdelijke en geestelijke zegeningen; dat Hij U geve den geest der wijsheid, der kennisse en des raads tot eene richtige bediening van het hooge Ambt waarin U gesteld zijt. De Heere beware en leide U, tot in hoogen ouderdom; en doe U aanschouwen den bloei van 't Gewest dat door U, met de heeren Gedeputeerde en Provinciale Staten, bestuurd wordt.

Vrage: Wat beteekenen hier de woorden: „Uwe tegenwoordigheid die mij vereert" f Het was toch geen particuliere samenkomst, maar een openbare godsdienstoefening. Met welk doel gaat men nu ter kerke.' Immers, om Gods Woord te hooren, en He^n met heel de gemeente eere te geven.

Maar een kerkgaan, om een mensch te eeren, om den prediker eere te geven...., ons dunkt Ds. Vermeer zal het zoo niet bedoeld hebben, maar althans in den druk, ware dit toch liever weggebleven.

Juist voor wie in hoogheid geplaatst zijn, is het zoo heerlijk als ze althans in de kerk eens gewone menschen zijn.

En waar gaan we nu heen, zoo men hen zelfs in de k: ; rk nog met zulke woorden tegenkomt.' Moet het niet meer kwaad da.n goed doen} Voorts vonden we een aanspraak aan de collega's, ouderHngen enz.

Aldus: U dank ik oprecht en hartelijk voor de ontelbaar vele blijken van hulpvaardigheid, vriendelijkheid en toegeeflijkheid, die ik nu zoo'n lange reeks van jaren van U ervaren mocht.

Het Zwolsche presbyterium en consistorie kan een staalkaart heeten van de voornaamste richtingen die hedendaags in de Nederlandsche Hervormde Kerk aan 't woord zijn. Ge zult het mij, op mijn standpunt, kunnen vergeven, als ik U zeg: dat ik 't betreur dat ze ér zijn.

Ik wenschte wel dat we allen eendrachtig samenstemden in den geloove; in één Heer, één Geest, één Doop, één Geloof, ééne Hope ter zaligheid. —

Maar, niettemin, nu het zóó alhier bestaat, waardeer ik het hoogelijk, dat we met elkander, zonder eèn greintje van onze overtuiging ten offer te brengen, in vrede te samen gaan; elkander waardeerend, elkander hoogachtend, in het bewustzijn dat we ieder, naar zijn beste weten, het goede zoeken voor dat deel der gemeente dat we dienen en liefhebben.

Broeders! God sterke en zegene u en stelle u tot een zegen. De Heere doe Zijn vriendelijk aanschijn steeds lichten over uwe Personen, Huisgezinnen en maatschappelijke betrekkingen.

In het bijzonder make Hij u getrouw in uwe Kerkelijke ambten, opdat de bediening daarvan onze Gemeente ten goede kome ! En bewaar mij ook een plaatsje in uw vriendenhart. Is het wèl noodig mij hiervoor nog bij u aan te bevelen?

De geachte Dienaar erkent dus zelf, dat hij deels tot ongeloovigen sprak; tot mannen, die hoe goed in het maatschappelijk leven ook, in Christus' kerk geen herders waren die de kudde leidden, maar verdervers van het geloof.

Toch reikte Ds. Vermeer hun de broederband, en vindt er dit op, dat ze elk maar „een deel van de gemeente dienen".

Hij de Orthodoxen. Een ander de Ethischen. Een ander de Modernen.

Vrage wat is dan voor Ds. Vermeer: de gemeente} Iets dat uit drie deelen bestaat, uit geloovigen, ongeloovigen en halfgeloovigen .•" En aan deze geheel uiteenloopende Dienaren bidt Hij toe, dat „ze getrouw in hun kerkelijk ambt zullen zijn, onderwijl hij weet dat velen het volstrekt niet zijn, en hij. Ds. Vermeer, geen hand uitsteekt, om ze, naar zijn ambtelijke trouw, te stuiten in de verderving der gemeente.

Verder gaan we hierop niet in.

Ds. Vermeer is hierin niet schuldiger dan honderden anderen, maar het is toch goed uit zulke woorden eens aan te toonen, hoe vlak tegen de Schrift ingaande de verhoudingen nog steeds zijn.

In noot 26 komt iets voor over 1886:

De scheuring in 1886 in de Hervormde Kerk opgekomen, drong ook, helaas! tot de^Zwolsche gemeente door. Zij beroofde haar van vele belangstellende leden; en dat verlies trof mij in de eerste plaats; want ik verloor daardoor een aantal trouwe hoorders en volgelingen, waaronder vrienden aan wie ik mij innig verbonden gevoelde. Het waren voor mij zéér moeielijke tijden, dagen van zwaren strijd, maar ook van veel gebed.

Ik heb steeds geoordeeld de Kerk mijner vaderen niet te mogen verlaten, zoolang ik daarin volle vrijheid heb om den ganschen raad Gods tot behoud van doemschuldige zondaren openlijk te prediken. Bovendien is het niet geraden iets tegen zijne consciëntie te doen. Ik ben dus met vrijmoedigheid gebleven in de Kerk die ik liefheb, ondanks al haar gebreken en zooveel wat anders en beter behoorde te zijn. En 't heeft mij niet berouwd. God heeft mij niet beschaamd. Ik mag vertrouwen niet vergeefs gearbeid te hebben.

Gelukkig! boven alle verdeeldheden onder de geloovigen, staat de belofte des Heeren: „'t Zal worden ééne kudde en één Herder" en de vervulling van dat woord zal eens alle scheidsmuren doen vallen.

Hierin is veel dat ons aantrekt. Er spreekt noch hoogheid noch bitterheid uit.

Zelfs straalt er nog sympathie in door voor hen, die hem verlieten.

Maar toch, welk standpunt.' Ik blijf in de kerk, zoolang ik er naar eigen overtuiging vrij, in prediken mag! Nu dat mag men in de Remonstrantsche kerk en in de Vrije Gemeente ook doen, want die vrijheid koopt gij tot den prijs, dat een ander uw Heiland mag loochenen van denzelfden kansel.

En voorts: niet geraden iets tegen de consciëntie te doen.

Natuurlijk.

Maar dan zij het een consciëntie, die den regel kent en eert van Gods ordinantiën, van die ordinantiën ook die Hij voor zijn kerk heeft besteld.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 7 augustus 1898

De Heraut | 4 Pagina's

Geen gezonde verhouding.

Bekijk de hele uitgave van zondag 7 augustus 1898

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken