Bekijk het origineel

Van de gemeene Gratie.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Van de gemeene Gratie.

18 minuten leestijd

Dat zij niet zaaien noch maaien. Matth. 6 : 26.

Er is alzoo scherp te onderscheiden tusschen hetgeen God in of voor ons, maar zonder ons, en tusschen hetgeen Hij in of voor ons, maar door ons doet. Als de zuurstof in de longen ons bloed moet prikkelen, dan doet God dit, maar buiten ons om, meest zelfs zonder dat we het merken, of ook weten. Maar als datzelfde bloed gevoed moet worden door spijs of drank, dan doet God ook dit, maar Hij doet het door ons, doordien wij eten en drinken. Aldus op stoffelijk, en evenzoo op geestelijk gebied. Als Job (10 : 12) zegt: Benevens het leven hebt Gij, o God, weldadigheid aan mij gedaan, en uw opzicht heeft mijnen geest bewaard, '' dan drukken die laatste woorden de gemeene gratie uit, die rechtstreeks waakte over Jobs zielsleven. Maar als David in Ps. 23 jubelt: De Heere is mijn Herder, mij zal niets ontbreken, " dan onderstelt dit beeld van den herder, dat de schapen der kudde zelf spijs weten te nemen, als maar de herder ze op de goede plek of op de grazige weide brengt. Het schaap zelf weet niet, waar een malsche weide en het vette kruid is; dat weet de herder alleen. Maar als de herder zijn kudde derwaarts heen heeft geleid, speurt de kudde aanstonds, dat het in die weide goed en grazip is, en dan steekt de herder zijn schapen het gras niet tusschen de tanden, maar dan moeten de schapen het zelf afbijten, vermalen en straks door herkauwen tot gereed voedsel bereiden. God had het natuurlijk ook anders kunnen inrichten, en ook dier en mensch kunnen voeden, gelijk Hij een plant voedt, maar zijn bestel was anders. Zijn bestel was, dat dier en mensch voor een zeer aanmerkelijk deel, zelf meê zou werken in het werk zijns Gods.

Dat we beginnen met dier en mensch hier op één lijn te stellen, kan niet anders. Juist dit moest duidelijk op den voorgrond staan, omdat we eerst daarna helder kunnen inzien, waarin mensch en dier ten deze verschilt, een verschil, dat Jezus zelf zoo klaarlijk heeft aangeduid, toen hij sprak van de vogelen des hemels dat ze hierin van ons onderscheiden zijn, dat wij wel, zij niet, zaaien en maaien, arbeiden en spinnen. Maar den zin van die woorden vat ge niet, of althans ge loopt er over heen, zoo ge niet eerst het u duidelijk maakt, in hoever de zaak bij dier en mensch eender staat. Voor wat het eten en drinken aangaat wezen we hier reeds op. Ook het dier strekt zich, meest bei met bek of muil en poot, naar het gereede voedsel uit, en het water of de melk slorpt het op met tong en lip. Ook het dier doet alzoo iets. De spijs en drank vloeien niet vanzelf in hem. Maar meestal gaat zelfs bij de voeding de werkzaamheid van het dier niet verder. Het dier zoekt zijn voedsel, zoekt het water, en vangt zijn prooi, soms met wondere list en behendigheid, soms zelfs met zeer groote inspanning van kracht, ja met levensgevaar. De list der menschen om het dier te vangen, berust zelfs in den regel op dezen trek, dat het dier zijn voedsel zoekt, en zoo het honger heeft, alles voor het vinden van voedsel waagt. Tot op zekere hoogte kan men zelfs van bereiding van voedsel door het dier spreken. De vogel en de aap pellen het van pel voorziene voedsel af, eer ze het nuttigen. Andere dieren scheuren en verdeden het om het klein te maken. De vogels kauwen en bevochtigen het, eer ze het aan hun jongen geven. En bij de mier, de spin enz. is er zelfs een opzamelen van voorraad. Ook is het bewezen dat de mier b.v. de bladluis uitmelkt, en den druppel kleverig vocht met andere soortgelijke druppels vereenigt en hard laat worden, om ze daarna in het nest te dragen. Verder kunnen we hier voorshands niet op ingaan, maar uit het gezegde blijkt reeds genoegzaam, hoe het God beliefd heeft, om reeds in de dierenwereld te doen zien, hoe Hij er zich zelven in verheerlijkt, door lang niet a\M\]è. zonder, maar even vaak door en met zijn schepsel te werken. Dit laatste is veel kunstiger. Er spreekt grooter heerlijkheid in. En wie nu onder menschen acht, dat hij Gods majesteit verkleint door de middelen aan te wenden, toont alzoo dat hij Gods onderwijzing van de dierenwereld niet verstaat. Op zichzelf toch vindt reeds menig mensch het veel interessanter, om na te speuren, hoe een mier gevoed wordt, dan om te zien, hoe een baars zich voedt. Slechts komt het er op aan, wel in te zien, dat God beide voedt; alleen op zeer onderscheiden wijs; de baars hoogst eenvoudig, de mier zeer kunstig.

Poch hierbij blijft het niet.

Ook het begrip van woning heeft reeds in de dierenwereld zijn plaats. Niet, en dit is opmerkelijk, dat van kleeding. Ook het dier is wel gekleed, en gelijk Jezus opmerkte, zijn plant en dier zelfs heerlijk gekleed; maar dit doet God aan het dier zonder het dier. Een leeuw krijgt zijn pels vanzelf. De vogelen zijn gevederd. Het schaap bekleedt God met donzige wol. Zelfs kleedt God door het kleed van het dier straks den mensch. Maar met de wotiing staat het anders. De woning is onder de dieren niet gewoon. Ze komt slechts bij uitzondering voor. Maar als ze voorkomt, bouwt God deze woning voor het dier door het dier zelf De visch weet van geen woning, de vogel wel. Elk vogelenpaar heeft een nest, en dat nest bouwen de vogels zelven. God leert hun dat. Jonge vogels van het laatste broedsel, die nooit een nest hebben zien maken, beginnen als de lente aankomt, uit eigen beweging stroo en takjes en veertjes bijeen te sleepen, en tot nest ineen te werken. Ze doorliepen daarvoor geen school, ze leerden het ambacht niet. Ook laten ze het niet door anderen voor zich bouwen. Ze bouwen het zelve. En soms zelfs doen ze dit, zooals de zwaluw, zoo wonderbaar kunstig, dat er stijl in zit. Ook van de waterdieren is de bever hierin even kundig, en onder de insecten zijn de bij en de spin voor wat het maken van haar woning aangaat, even opmerkelijk. Hoemeer nu ook bij de dierenwoning aan het dier zelf is overgelaten, hoe hooger het diersoort in dit opzicht staat, en hoe kunstiger in hun instinct Gods grootheid uitkomt.

Ook wat den oorlog onder de dieren aangaat merkt ge soortgelijk verschijnsel op. God heeft zelf de dieren gewapend. Sommige dieren zelfs ontzettend sterk gewapend. Meer dan één dier doet u door zijn zware schoften en dikke huid zelfs aan het pantser denken. Ook de gifklier, waarvan zoo menig dier voorzien is, dient voor aanval en verdediging. Maar ook hierbij is verschil. Er zijn dieren, die hun klauwen en tanden zonder meer aanwenden, maar er zijn er ook, die zelf iets doen om zich te sterken. Zoo b. V. de spin, die haar webbe uitspant, en dan loert en wacht, en, komt er buit, die omwoelt met rag en machteloos maakt. En zoo nu komt er op allerlei terrein ook in het leven der dieren, bij wijze van uitzondering, niet als regel, een soms zeer sterke medewerkzaamheid van het dier met God voor. De kip eet kalk, en helpt er daardoor zelf toe mede, dat het ei een schaal hebbe. God maakt die schaal, maar niet als de schors aan den boom, die er vanzelf komt, maar door de kip zelf te laten medewerken; en wordt aan de kip de kalk onthouden, dan komt er een ei zonder, schaal, dat teloor gaat. Er is hier dus wel terdege medewerkzaamheid, er zijn middelen die God aan het dier voorlegt, en die het dier gebruiken moet en gebruikt, om aan het doel van God te beantwoorden. En het dier is hierin zoo gehoorzaam, zoo willig, zoo onderworpen aan Gods ordinantiên, dat het niet gebruiken van zulke middelen, en het nalaten van deze medewerkzaamheid, bij het dier eenvoudig ondenkbaar is. Bijen, die, als er bloemen in den omtrek zijn, geen honig zouden puren, bestaan niet.

En nu zegge niemand: at doet die dierenwereld er toe.' want de Schrift zelve bepaalt er ons gedurig bij, en zoo in Oud als Nieuw Testament wijst de Heilige Geest ons telkens en gedurig op het leven der dieren, opdat wij menschen er wijs, wijs voor God door zouden worden. Er bestaat tusschen ons leven en het leven van het dier allerlei verband, en zoo ook het verband van overeenkomst. Niet, gelijk men tegenwoordig wil, alsof de mensch uit het dier zou zijn voortgekomen, maar in dien zin, dat het door dien God op den mensch aangelegd is, en dat in het dier reeds schemerachtig getoond wordt, wat straks zoo rijk en zoo heerlijk in den mensch uitkomt. Dit gaat zelfs zoover, dat de Heilige Schrift niet aarzelt aan het dier een ziel toe te kennen, natuurlijk niet een ziel als die des menschen, maar dan toch een dierlijke ziel. Of staat niet van Adam opgeteekend, dat God de dieren tot Adam bracht om te zien, hoe hij alle levende ziel noemen zou (Gen. 2:19).' Staat niet in Gen. 9 : 4, dat de mensch „het vleesch met zijn bloed, d. i. zijn ziel", niet eten mocht.' En zoo ook in Lev. 24 : 18: Wie de ziel van eenig vee zal verslagen hebben? " Het is daarom onze plicht om op het leven der dieren te letten, en een prediking, die over lengte van jaren nooit aan zulk onderwijs toekomt, is stellig niet in overeenstemming met het voorbeeld van Gods openbaring ia de Schrift.

Doch na aldus klaar en duidelijk gewezen te hebben op de overeenkomst die ten deze tusschen mensch en dier bestaat, behoort thans gewezen te worden op het diepingrijpend verschil, dat 'ip ditzelfde terrein door God tusschen mensch en dier gesteld is. Dit verschil bestaat namelijk hierin: i°. dat het aangewezen zijn op te gebruiken middelen bij het dier slechts voor een deel voorkomt, en bij den mensch alomvattend is; 2". dat het dier de middelen gebruiken moet en gebruikt, zonder eigen oordeel, en dus zonder keus, terwijl bij den mensch het gebruik van oordeel en het doen van keuze regel is; en 3". dat het dier blijft staan op de hoogte waarop het eenmaal geplaatst is, terwijl de mensch in de keus en de aanwending der middelen steeds verder voortschrijdt.

Om met dit laatste te beginnen, zoo is het duidelijk, dat de zwaluw van nu en de zwaluw van voor drie duizend jaren, haar nest precies op dezelfde wijze bouwt. Een mierennest van nu en van voor tweehonderd jaar is precies eender. Een spinnewebbe of honigraat is nu nog juist zoo als ze voor eeuwen was. Ge zoudt er geen tentoonstelling van kunnen houden, want het zou u vermoeien door zijn eentonigheid. Ook komt het dier niet verder in het bereiden van zijn spijs of in het afweren van zijn vijand. Er is hier noch vooruitgang noch ontwikkeling. Het blijft al wat het was. Eeuw in eeuw uit onveranderlijk hetzelfde.

Even sterk spreekt het tweede verschil waarop we wezen, en dat gelegen is in het al of niet aanwenden van oordeel of keuze. Niet alsof alle keuze bij het dier ontbreken zou. De plaats voor het nest wordt gekozen; en bij den roof der dieren ziet ge berekening. De tijger meet zijn sprong. Maar die keuze is bij het dier uiterst beperkt, en geheel zijn actie is onvrij. Wij kunnen een weefsel, dat we hebben opgezet, verknoeien, een spin haar rag niet. Zij maakt die webbe onberispelijk kunstig, juist naar de gestelde evenredigheid; lengte der draden, en aanhechtingen zijn steeds juist wat ze zijn moeten. De webbe is in haar soort volmaakt. Doch juist daaruit blijkt, dat een geheimzinnige macht in het dier den spinnepoot bij het weven bestuurt. Het is niet een probeeren, en allengs er achter komen, maar het is een op eenmaal geheel bekwaam er toe zijn, zonder daarin ooit verder te komen. Van dien kant draagt honigraat en spinwebbe dan ook veel klaarder het Goddelijk merk, dan wat de mensch bouwt of weeft. Doch juist dit toont dat hel dier onvrij is, en dat een mystiek instinct het dier drijft en leidt. Het dier is meer automaat dan de mensch. Alleen maar hij is een automaat niet zooals wij dien kunstelen, maar een automaat gelijk God die alleen maken kan. Dat nu doet het oordeel bij het dier schier geheel terugtreden. Een spoor van oordeel is er zeer zeker in meer dan één dier, maar ook dit oordeel blijkt uiterst beperkt, en komt niet verder.

En wat het derde punt van verschil aangaat, zoo is het klaar, dat het aangewezen zijn op middelen die God ons voorlegt, opdat wij ze zelven gebruiken zouden, bij den mensch het algemeen heerschende beginsel is, terwijl het in de dierenwereld uitzondering blijft. Wie geneigd was om te zeggen: Voor de dieren is het wel zoo, maar voor ons menschen geldt het hoogere standpunt, om het onmiddellijk van God te wachten, zou dan ook ganschelijk den bal misslaan. Eer omgekeerd moet gezegd, dat het gebruilcen van middelen het veel hoogere standpunt is, dat bij de dieren slechts voor een deel voorkomt, maar toch eigenlijk voor de mensch bestemd is, en eerst in de wereld der menschenkinderen tot zijn recht komt. Zelfs kan gezegd dat het bestaan en zich ontwikkelen door aanwending van middelen de karaktertrek van ons menschelijk leven is.

Ge kunt u hiervan aanstonds overtuigen door den mensch in zijn hulpeloosheid te stellen tegenover de welvoorzienheid van het dier. Neem b.v. een leeuw en een naakten Kaffer. Die leeuw is ongemeen veel sterker. Die leeuw draagt een prachtige kleedij. En ook die leeuw is gewapend op ontzaglijke manier, om eiken tegenstander rustig te staan. En daartegenover ziet ge nu dien Kaffer, veel kleiner en zwakker, in zijn naakte huid, en met geen ander wapen van nature, dan twee handen, met kleine, nietszeggende nagelen er aan. Zoo genomen wint derhalve het dier het hier in elk opzicht van den mensch, is het dier rijk door God bedeeld, en de mensch als een hulpeloos wezen te midden van bittere vijanden geplaatst. En toch is dit niets dan schijn. De uitkomst heeft het dan ook wel anders geleerd. Ten slotte vermag het sterkste dier tegen den mensch niets, omdat die mensch in zijn hersenen, en in zijn verborgen innerlijk leven, iets bezit, wat het dier geheel mist, het kunnen nadenken, het kunnen uitvinden, het kunnen combineeren, het komen van het één op het ander, ' en daardoor de vatbaarheid voor altijd doorgaande ontwikkeling.

Wie het oog sluit voor dit geheel onderscheiden innerlijk wezen van den mensch komt met de rijken der schepping niet uit. Eerst toch ziet ge een klimming. Van het mineraal klimt ge op tot de plant, van de plant tot het dier, en in die dierenwereld van schier wezenlooze schaaldieren tot den leeuw in het woud en den adelaar die zijn nest op den rotssteen stelt. Maar als ge nu van het dier op den mensch overgaat, is er geen klimming maar achteruitgang. De mensch is veel minder sterk, is veel minder heerlijk om zijn lichaam bekleed, en veel minder gewapend; ook is hij gebonden aan deze aarde, terwijl de vogel het luchtruim doorklieft. Ge zoudt naar die orde dus moeten stellen, eerst het mineraal, dan de plant, daarna de hulpelooze mensch, en ten slotte het sterke, edele dier. Maar voelt ge nu zelf niet, dat dit niet kan, dat ge aldus de orde verzet, en niet recht neemt, en dat het dier niet boven den mensch, maar onder den mensch staat, dan volgt hieruit ook dat ge als maatstaf niet de sterkte, maar de vatbaarheid voor zelfstandig handelen en voor ontwikkeling moet nemen, en dan natuurlijk schiet de mensch verre voor het dier uit. Doch dan volgt hier ook tevens uit, dat het gebruiken van middelen en het aangewezen zijn op de aanwending van middelen, niet iets gebrekkigs is, dat we te boven moeten komen, maar dat juist hierin het hoogere moet gezocht worden, en dat juist hierin de voorkeur van den mensch boven het dier uitkomt.

Heel de voorstelling alsof het aan middelen gebonden zijn iets lagers en het geholpen worden zonder middelen iets hoogers was, valt hiermede. God helpt de plant rechtstreeks. God helpt het dier slechts voor een klein deel door het zelf te laten medewerken. Maar bij den mensch is dit helpen door middelen, die de mensch zelf moet aanwenden, voor God regel. Onbegrijpelijk nu is dit niet. Immers als God ons helpt door middelen, die we zelven moeten aanwenden, dan wordt hieruit een medewerkzaamheid met God geboren; en nu is het licht in te zien, dat deze medewerkzaamheid met God moet afnemen als het creatuur zeer laag staat, en alleen klimmen kan, maar dan ook moet toenemen, naarmate het creatuur hooger plaats inneemt. Een admiraal op de vloot kan in zijn krijgsraad zijn hoofdofficieren laten medewerken, maar voor een matroos is zulk een medewerkzaamheid met den admiraal ondenkbaar. En zoo nu ook is een mineraal, is een plant voor zulk een medewerken met God ganschelijk ongeschikt, begint bij het dier zich een begin van zulk een medewerkzaamheid te vertoonen, maar kan deze medewerkzaamheid met God eerst bij den mensch het ware karakter aannemen, juist wijl alleen de mensch, als geschapen naar Gods beeld, hiervoor hoog genoeg staat. „Wat is de mensch dat gij zijns gedenkt.'" Maar God heeft dienzelfden nietigen mensch over heel zijn schepping gesteld, en hem alle ding onderworpen, niet magi.sch, maar door hem in zijn geestelijk bestaan een kracht te verleenen, die, mits ontwikkeld, alle overige macht van het schepsel zeer verre te boven gaat.

Zoo levert derhalve deze eenvoudige vergelijking tusschen de positie van mensch en dier in de schepping het voldingend bewijs, dat het helpen van den mensch door den mensch hooger staat dan het rechtstreeks helpen zonder hem en buiten hem om. En dit nu, wat zegt het anders, dan dat de ontwikkehng van den mensch hooger klimt, naarmate hij te meer in alles zich werpt op de middelen die God te zijner beschikking heeft gesteld. God voedt de vogelen des hemels rechtstreeks, zoo ge wilt, want zij zaaien niet en maaien niet, en hebben geen ander voedsel dan wat ze vijiden. De mensch daarentegen is geroepen om te zaaien en te maaien, en om aldus zelf zijn voedsel, niet te vinden, maar te bereiden. En zoo ook de leliën des velds bekleedt God rechtstreeks, want zij arbeiden niet en spinnen niet, en nochtans was Salomo in zijn pracht en heerlijkheid niet bekleed als een van deze. Maar de mensch wordt naakt geboren, en moet arbeiden en spinnen, om zich uit de wol van het dier, of uit de vezel van de plant, zijn kleed te bereiden. Bedoelt Jezus hier nu mede, dat de mensch, insgelijks, ook niet moest zaaien noch maaien, en óók niet moet arbeiden en spinnen? Natuurlijk niet, want Jezus sprak tot menschen na den val, tot wie God zelf gezegd had, dat ze in het zweet huns aanschijns brood zouden eten. Maar hierin school het kwaad, dat Jezus bestreed, dat ze, omdat ze zelven werkten, waanden dat zij alleen werkten, en vergaten dat in hun werk geen ander werkte dan God. Ze stelden hun werk tegenover Gods werk. Ze waanden, dat wat zij werkten. God niet werkte, en dat waar God werkte, zij niet te werken hadden. Ze verzonken en vielen in lijdelijkheid en daardoor in bezorgdheid en in angst. En daarom nu bestraft Jezus de lieden dier dagen, en wijst ze alsnu, niet op iets hoogers maar op iets lagers. Dat die vogelen des hemels zonder zaaien of maaien leven konden, was een lagere gesteldheid van deze schepselen, en dat de leliën bekleed waren zonder te arbeiden of te spinnen, was evenzeer een lagere toestand van deze creaturen. Of voegt Jezus er niet zelf bij: Indien God alzoo de vogelen voedt en de leliën bekleedt, zal Hij u niet veel meer voeden en kleeden.' De mensch wordt alzoo niet verlokt en aange, spoord, om een leven te begeeren zooals de planten en de dieren hebben. Integendeel, het leven des menschen staat-veel hooger in waardij voor God. Mits op één voorwaarde, en die voorwaarde is, dat de mensch niet zal zeggen: „Omdat ik zaai en maai, spin en arbeid, voed en kleed ik mij zelf; " maar dat hij verstaan en gelooven zal dat ook in zijn zaaien en maaien, ook in zijn arbeiden en spinnen, God de werker is, en dat het God is en blijft, die ook hem als mensch, voedt en kleedt, maar voedt en kleedt door die hoogere actie, die eerst dan uitkomt, zoo het schepsel naar de middelen grijpt, omdat God die in zijn hand"^heeft gesteld.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 7 augustus 1898

De Heraut | 4 Pagina's

Van de gemeene Gratie.

Bekijk de hele uitgave van zondag 7 augustus 1898

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken