Bekijk het origineel

,,Bekent en laat.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

,,Bekent en laat."

9 minuten leestijd

Die zijne overtredingen bedekt, zal niet voorspoedig zijn ; maar die ze bekent en laat, zal barmhartigheid verkrijgen. Spreuk. 28 : 13.

Ook op het stuk van schuld te beken-nen en zonde te belijden, vindt ge wel allerlei uiteenloopende gesteldheid van het menschelijk hart, maar toch in hoofdzaak splitst de groote massa zich ook hierbij in twee soort lieden.

Aan den éénen kant menschen, bij wie de schuldbekentenis ten slotte vanzelf naar buiten komt, evenals het water uit een bron opborrelt. En aan de andere zijde menschen, waar geen woord van erkentenis vanzelf uitkomt, en in wie ge letterlijk boren moet, om er in het eind het broodnoodige uit te krijgen.

Reeds bij de kinderen begint dat verschil. Het ééne kind, dat zichzelf onmiddellijk verraadt, ontsluit, en met wat het deed voor den dag komt. En het andere kind zoo hard en stug, dat er niets uit te krijgen is, met een geest als een gesloten boek.

Dat dit verschil, op dit punt, gelijk overal elders, zich zoo scherp afteekent, ligt daaraan, dat onze samenstelling uit ziel en lichaam vanzelf de dubbele mogelijkheid met zich brengt, óf dat we een meer innerlijk, bi dat we een meer zinlijk zelfbesef hebben.

De engelen, zoowel de Gabriels en Michaels, de Serafijnen en Cherubijnen, als de duivelen en • demonen, hebben natuurlijk nooit anders dan zulk een innerlijk besef; want zij zijn louter geesten, en hebben geen zinlijk bestaan.

Maar wij menschen wel. Ons zelfbesef is dus altoos gemengd, deels innerlijk, deels zinlijk. Maar nu kan in die menging óf het innerlijke sterker overwicht hebben, óf wel het zinlij ke onze gesteldheid bepalen.

Sluit nu het innerlijke zich hefst op, terwijl het meer zinlijk aangelegde vanzelf naar buiten overhelt, dan is het volkomen begrijpelijk, dat er, al naar de overhelling is, eenerzijds personen zijn, die zich opsluiten in zichzelf en uit wie bijna niets te krijgen is, en van den anderen kant menschen met open deur en open ramen, die een ieder laten inzien, en die zelfs daarmee nog niet tevreden, bij voorkeur op hun stoep leven.

Komt dit verschil nu in alles uit, dan moet het natuurlijk ook doorgaan op het punt van schuldbekennen en zondebclijden, zoodat de één hierin even grif en gul is, als de ander taai en stug.

Natuurlijk liggen ook hier tusschen die beide uitersten heel wat middelmatige naturen, die óf niet zóó grif, óf niet zóó taai zijn, om ongelijk te bekennen; maar zelfs bij die meer in evenwicht verkeerende naturen, blijft voor de kennis het verschil toch altoos waarneembaar.

De man, de vrouw, het kind, waarmee ge te doen hebt, zal altoos óf meer aan den gesloten óf meer aan den open kant zijn.

Volkomen evenwicht in onze natuur, is, sinds de zonde die natuur bedreef, ondenkbaar.

Met dit zeer duidelijk geteekend verschil wordt gemeenlijk veel te weinig gerekend. Te weinig door ouders en onderwijzers. Te weinig door rechters en patroons. Te weinig ook door de Dienaren des Woords, zoo in de prediking als in de catechisatie.

Gemeenlijk worden allen over één kam geschoren, moet voor allen één geneesmiddel dienst doen en wel in gelij.ke dosis, en wordt aan zielkundige diagnose bijna niet gedacht.

Gevolg hiervan is, dat de meer open naturen in den regel een zachter oordeel ontmoeten, en dat de meer gesloten naturen achterdocht wekken en de gunst verbeuren.

En zeker, hier bestaat ten deele recht toe.

De meer gesloten naturen lijden in den f egel aan geestelijken trots en hoogmoedszonde. Hun ik wil niet buigen. Zelfgenoegzaam verstaan ze niet, wat een ander met hun innerlijk leven van noode heeft. En op niets zijn ze zoo zeer uit als op een naam onder menschen waar geen smetje aan kleeft.

Er loopt door het zondig zielsbestaan dezer in zich zelf opgesloten naturen, die alle deuren dichtgrendelen, en nog een waakhond in hun gang leggen, iets demonisch. Hun zonde is meer rechtstreeks aan de zonde van Satan verwant.

De diepe weg naar het Kruis van Golgotha is voor stijfgenekte karakters bijna ongenaakbaar. En veilig mag gezegd, dat zoowel in de dagen van Jezus en zijn apostelen, als in de eeuwen, die daarna kwamen, de ingang in het zalig Koninkrijk meest door de anderen, en niet door hen gevonden is.

den is. Maar toch, ge moogt u daarom in de wezenlijke waardij van het grif en gul bekennen der anderen niet vergissen.

Lang niet zoo zelden toch is dat overgulle bekennen weinig meer dan een flapachtige hebbelijkheid. Een bekentenis niet in hec hart, maar op de lippen geboren. Kenmerk van een zeer uitwendig en oppervlakkig, een zeer ondiep gemoedsbestaan.

„Bekent, en laaf' is daarom het tweesnijdend vermaan, waarmee de Heilige Schrift het waarachtig schuldbelijden van het goedgeefsche schuldbekennen onderscheidt.

Ge hebt gezondigd. En nu bekent ge uw zonde. Alles wel, maar heeft dit nu ook de uitwerking, dat ge met die zonde breekt, dat ge ze als een giftige adder van uw arm afschudt; dat ge haar ontvlucht als ze u weer op zijde komt; dat ge haar den slavendienst opzegt; dat ge ze laat?

Versta dit wel. We weten zeer goed, hoe diep karakterzonden zich in het diepst van ons wezen nestelen, en ons verrassen, eer we er op bedacht zijn. En het zou Pelagiaansch, in stee van Christelijk wezen, zoo we leerden, dat een ieder het in zijn macht heeft, morgen den dag te zeggen: Nu val ik in die zonde nooit meer, en ze dan ook voorgoed te laten.

De macht der inwonende zonde is daarvoor veel te sterk. Zelfs is zonder ingeroepen en afgebeden genade hier niets te vorderen. En zelfs met zeer rijke genade gaat het zich loswikkelen uit een net van innerlijke zonde, gemeenlijk niet dan zeer langzaam.

Zeker, met een uitwendige zondige gewoonte is plotseling, is eens voorgoed te breken. Maar ge weet ook wel, dat ge daarmede van de zonde zelve nog niet af zijt, en dat ze in anderen vorm en in meer bedekte gestalte, toch weer terugkomt.

In zijn volle strekking genomen, doelt dat: „Bekent en laat" dan ook alleen op die laffe zielen, die eiken keer weer, o, zoo grif schuld bekennen, en toch morgen den dag het weer precies eender doen, en er zich ten slotte aan wennen, om als lijders of lijderessen aan die bepaalde zonde bekend te staan.

Dat toch is doodelijk. Dan helpt het bekennen u niet alleen niet, maar het stompt uw geestelijk gevoel af, en leidt u ongemerkt over in een uiterst bedenkelij ken toestand van verharding.

Maar toch, dit: „bekent en laat" strekt verder, en dat wel in beide zijn termen.

Er staat niet enkel: „laat" neen, er gaat vooraf: „bekent" en die trotsche naturen, die denken: „Als ik de zonde maar laat" dan doet het er niets toe, of ik al dan niet beken" zijn op een gevaarlijken dwaalweg.

Bekennen voor God, maar ook bekennen tegenover de menschen, al v/as het tegenover een kind, dat ge verongelijkt, dat ge verdriet aangedaan, of geschaad hebt, moet altoos voorafgaan, zal uw aflaten van de zonde zedelijke waardij bezitten. En zij, die hiertoe nooit komen kunnen, zich altoos heel houden, en nooit doorbreken, mogen het zich gezeggen laten, dat genade, werkelijke genade alleen toekomt aan het hart, dat verbroken, en aan den geest, die innerlijk verslagen is.

De Pharizeër in den tempel had het zeer ver in het laten van zonde gebracht. Hij was volstrekt niet als die tollenaar, en hij dankte er God voor. En toch niet dien Pharizeër, maar dien tollenaar, die op zijn borst sloeg en bekende, prijst Jezus zalig.

Laten van zonde, o, het is kostelijk en het kan God verheerlijkend zijn, maar alleen dan, als bekennen van zonde en belijden van schuld voorafging.

Maar dan ook omgekeerd, beeld u nooit in, dat het laten van de zonde er minder foe doet, als het bekennen maar vol en gul en grif was.

Echt bekennen is altoos een breken met de zonde innerlijk. Een voelen: „Tegen U, o God, en tegen U alleen heb ik gezondigd." En daardoor een innerlijke gewaarwording van haat tegen de; zonde voelen opkomen om Gods wil.

Echt zondigen is de zonde liefhebben, ze zoeken, ze najagen, in de zonde een begeerlijk goed vinden. Ze grijpen, geloovende dat ze ons geluk verhoogt.

Het is den weg tot geluk, dien God ontsloot, afkeuren, en een anderen weg, dien de zonde ons voorteekent, inslaan.

Nu is: „bekennen en laten" dit vlak om-

keeren. Dien „weg van de zonde" met angst instaren, en voelen: „Op dien weg word ik rampzalig." En omgekeerd dien „weg van God" met begeerige oogen inzien, met de bede in het hart: „Werden daarop mijn schreden gericht, dan zou ik gelukkig zijn!"

Eerst stondt ge met uw aangezicht naar den „weg van de zonde", en Gode den rug toegekeerd. Maar nu keert ge aan den „weg van de zonde" den rug toe, en staat met uw aangezicht naar den Heilige gekeerd.

Dan kan het daarom wel zijn, dat ge toch nog op den weg van de zonde enkele schreden zult zetten, maar dan wordt dat als in Rom. 7, het, voor een oogenblik, meer glijden, dan gaan op een hellend vlak, waarop ge niet plotseling tot stilstaan kondt komen; met doodsangst in de ziel, onder één voortdurend roepen: o God help mij en houd mij terug!

Vooral op het bezielen van den vromen vorm komt het hier aan.

Wij, discipelen en discipehnnen des Heeren, zijn aan het belijden van onze zonde gewoon. Jezus heeft ons geleerd, niet alleen eiken dag om het dagelij ksch brood, maar ook eiken morgen om de vergiffenis onzer schulden te roepen.

Dat doen we zoo op de knieën in de eenzaamheid. Dat doen we met elkander aan de huistafel. Dat doen we vóór de prediking des Woords. Dat doen we, eer we toetreden tot den heiligen Disch. „Gena, o God, gena, hoor mijn gebed!" blijft tot in onze stervensure het dagelij ksch smeeken onzer ziel.

Maar juist die gewoonte, hoe heilig ook, brengt het gevaar met zich, dat we aldoor „zonde bekennen, " zonder er met het meenens bedoelen van ons hart bij te zijn.

En dan natuurlijk is het geen bekennen, en volgt er geen laten, maar wandelen al rustig voort op ons pad en plukken beurtelings rechts de blanke lelie der genade en links de veelkleurige bloemen der zonde.

en links de veelkleurige bloemen der zonde. En daarom, wat dit zoo ernstige woord: „bekent en laat" u bovenal komt zeggen, is, dat ge tegen dit gevaar van de sleur in uw vroomheid op uw hoede zult zijn.

Te meenen wat we tot God zeggen; het aldoor ten volle te meenen, als we onze zonde belijden, is voor wie veel bidt, zoo uiterst inspannend. Dan moet ge telkens overbidden, wat ge van achteren merkt, dat ge gedachteloos hadt gebeden.

En toch, dat is de weg tot hooger levensernst.

Een wachter voor uw biddende en belijdende lippen zetten, opdat er niet één woord gedachteloos overglipt.

Dan eerst wordt het wezenlijk bekennen, en dan volgt het laten door Gods genade, vanzelf.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 30 oktober 1898

De Heraut | 2 Pagina's

,,Bekent en laat.

Bekijk de hele uitgave van zondag 30 oktober 1898

De Heraut | 2 Pagina's

PDF Bekijken