Bekijk het origineel

De Avondmaalsformule.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

De Avondmaalsformule.

14 minuten leestijd

De uitgave der Liturgie, onlangs door Prof. Rutgers aan onze kerken bezorgd, heeft in een lang gevoelde behoefte voorzien, en is dan ook over het algemeen in onze kerkelijke pers met dankbaarheid begroet. Ja zelfs buiten onze kringen, heeft deze uitgave waardeering gevonden. Dr. J.

H. Gunning J.Hzn., aan wiens oordeel dubbele waarde mag gehecht, omdat hij op het gebied der Hturgie zijn sporen verdiend heeft, roemde de nauwkeurigheid en getrouwheid, waarmede bij deze uitgave was te werk gegaan.

Voor het eerst, en juist daarin ligt de verdienste dezer uitgave, bezitten onze kerken thans de liturgie, gelijk die officieel door de Synodes der i6e en 17e eeuw is vastgesteld. Prof. Rutgers heeft niet een verbeterde editie van de liturgie gegeven, waarin hij naar eigen opvatting en zooals dit hem het best voorkwam, de bestaande Hturgische formulieren en gebeden wijzigde.

Dan zou deze uitgave als „proeve van een gewijzigde liturgie" zeker waardij bezitten, maar, zoolang zij niet door een Generale Synode was goedgekeurd, alle authentiek karakter missen, en onze kerkeraden zouden wel toe te zien hebben, dat deze uitgave op den kansel niet werd gebruikt.

Maar nu Prof. Rutgers ons den ofificieelen en authentieken tekst schonk, gelijk die door de Synode van Dordt in 1619 was vastgesteld, en voor alle Gereformeerde kerken in Nederland bindend verklaard; nu hij alleen de aangehaalde teksten naar de Statenoverzetting van 1637 verbeterde, en enkele verouderde uitdrukkingen door verstaanbaar Hollandsch verving, staat de zaak geheel anders. Daardoor is deze editie, ook al heeft de Synode, die in 1899 te Groningen saamkomen zal, haar nog niet geijkt, nu reeds een standaardeditie geworden, waarvan het kerkelijk gebruik niet alleen geoorloofd, maar zelfs geraden mag heeten.

Plet schijnt ons dan ook volkomen correct toe, dat verschillende kerkeraden het gebruik van deze nieuwe uitgave bij den liturgischen dienst hebben ingevoerd en verplichtend gesteld. Bij de bediening, van Doop en Avondmaal, bij de bevestiging van ambtsdragers, bij het gebruik van de sleutelen des Hemelrijks en bij de kerkelijke bevestiging van het huwelijk, heeft de gemeente recht te eischen dat de door de kerk vastgestelde formulieren zullen worden gebruikt. Noch door de willekeur van de boekdrukkers, noch door de subjectieve opvatting van den Dienaar des Woords, mag de liturgie worden gewijzigd. Bij de bediening des Woords komt het eigenaardig talent, dat God de Heere aan zijn dienstknecht schonk, tot uiting; daar is speelruimte binnen de grenzen der belijdenis gelaten ; daar treedt het subjectieve element op den voorgrond. Petrus en Paulus, ze prediken beiden het Evangelie des kruises, maar ze prediken het elk op eigen wijze, naar de mate der gave hun geschonken.

Maar bij de bediening der Sacramenten moet er gebondenheid zijn aan het woord der kerk, die men client; daar behoort niet de particuliere opvatting van dezen of genen broeder omtrent Doop of Avondmaal, maar de belijdenis der kerk te worden gehoord.

De liturgische formulieren, het is reeds terecht door Ens opgemerkt, zijn geen krukken voor predikanten, die zonder die hulp niet wel zouden kunnen loopen, maar dienen om de eenheid in de kerk te onderhouden. Onze vaderen hebben daarom geen oogenblik geaarzeld in hun kerkenordening het gebruik dezer formulieren als verplichtend voor te schrijven. Wie met den inhoud dezer formulieren het niet eens is, kan in wettigen weg revisie aanvragen bij de Generale Synode, maar mist het recht op eigen gezag de formulieren, die niet zijn eigendom, maar het eigendom der kerk zijn, te wijzigen.

De ernst, waarmede de gemeente op dit haar eigendom toezicht houdt, valt dan ook niet te laken, maar te prijzen. P^lke, ook de geringste afwijking van de bekende liturgie trekt de aandacht, ontrust de gemoederen, en prikkelt tot tegenstand. En menig predikant, die „Noach zijn achtster" of „de doortocht door het Roode Meer" uit het gebed voor den Doop wegliet, had reeds daardoor het verkorven bij het oude Gereformeerde volk. Op het punt der liturgie is dat volk van elke verandering in den grond diep afkeerig.

Het is daarom niet onbegrijpelijk, dat het in gebruik nemen van de gezuiverde uitgave der liturgie hier en daar tot moeilijkheden aanleiding gaf; eer mag men dankbaar zijn, dat er nog zoo weinig klachten worden gehoord. Van vader op zoon was men nu drie eeuwen lang gewend aan een tekst, die wel door de Dordtsche Synode was afgekeurd, maar die desniettegenstaande onwrikbaar stand had gehouden, en eerbiedwaardig was geworden door zijn ouderdom. De Gereformeerde Synodes der i6de en 17de eeuw mochten besluiten, dat in dien tekst verbeteringen zouden worden aangebracht; de Dordtsche Synode mocht een afzonderlijke commissie benoemen om de liturgie te revideeren, al deze ernstige pogingen om een authentieken tekst der liturgie aan de kerken te geven, stuitten afop de achteloosheid of het opzettelijk verzet der boekdrukkers, die een editie op eigen hand, waarin zij naar willekeur konden te werk gaan, boven zulk een authentieken tekst verkozen. Zoo kwam alleng een tekst tot stand, die, zonder eenig kerkelijk gezag, vastroestte in de kerkelijke usantie, en niet dan met groote voorzichtigheid en taai geduld door den zuiveren tekst kan verdrongen worden.

Hoe nauw dit luistert bleek reeds toen eenigen tijd geleden in de Geldersche Kerkbode twijfel werd geopperd naar aanleiding van de verbetering in de derde Doopvraag aangebracht, doordat de uitdrukking „voor u neemt" in „u voorneemt" was veranderd.

Het was goed, dat deze twijfel openlijk werd uitgesproken, omdat daardoor aan Prof. Rutgers de gelegenheid werd geschonken rekenschap van deze wijziging te geven; een antwoord dat niet alleen met een „dankbaar en voldaan" door de Geldersche Kerkbode is overgenomen, maar zeker ieder heeft tevreden gesteld.

Veel ernstiger dan deze bedenking tegen de verbetering van een oud-Hollandsche uitdrukking, schijnt ons de grief, die van verschillende zijden thans geopperd wordt tegen de wijziging of uitbreiding in de sacramenteele woorden bij het Avondmaal. Waarin deze uitbreiding bestaat, weet men. In de gangbare redactie is de Avondsmaalsformule, indien wij het zoo noemen mogen, ontleend aan I Cor. 10 : 16: Het brood dat wij breken is de gemeenschap des lichaams van Christus. De drinkbeker der dankzegging, dien wij dankzeggende zegenen, is de gemeenschap des bloeds van Christus, " zonder dat aan deze woorden der Schrift iets is toegevoegd. In de nieuwe uitgave daarentegen is het aanhangsel hersteld, dat volgens het besluit der Dordtsche Synoden van 1574 en 1578 en de Middelburgsche Synode van 1581 aan deze woorden der Schrift moest toegevoegd worden; n.l. bij het uitdeden des broods: Neemt, eet, gedenkt, en gelooft, dat het lichaam onzes Fleeren Jezus Christus gebroken is tot eene volkomene verzoening van alle onze zonden, " en bij het toereiken van den beker: Neemt, drinkt allen daaruit, gedenkt en gelooft, dat het dierbaar bloed onzes Heeren Jezus Christus vergoten is tot eene volkomene verzoening van alle onze zonden."

Het verzet tegen dat aanhangsel raakt niet den inhoud, men wil zelfs gaarne aannemen, dat de daarin uitgesprokene gedachte geheel in overeenstemming is met hetgeen de Heilige Schrift ons elders omtrent de beteekenis van het Avondmaal leert. Maar wel acht men het ongeoorloofd, dat in een sacramenteele formule aan de eigen woorden der Schrift eenig menschelijk woord wordt toegevoegd. Indien wij, zoo vraagt men, elke wijziging in of toevoeging bij de Doopsformule afkeuren; indien zelfs het woord Amen, omdat het niet in de Schrift staat, moet worden weggelaten; met welk recht breidt men dan de Avondmaalsformule met allerlei menschelijke woorden uit.'' Is dit niet een uitzijgen van de mug, om den kemel door te zwelgen? En al moet worden toegegeven, dat vroegere Gereformeerde Synodes het aldus bepaald hebben, geldt, om in de taal onzer Confessie te spreken, de waarheid niet boven alles, en moeten wij niet dankbaar zijn, dat onze Gereformeerde kerken in de practijk dat aanhangsel hebben laten glippen, om terug te keeren tot de „eenvoudigheid" der Schrift.?

Men gevoelt, dat deze bedenking, zoo gesteld, niet voortspruit uit zekere kittelachtigheid van gehoor of hardnekkig conservatisme, maar haar oorsprong vindt in een beginsel, dat ook wij van harte beamen.

Het is daarom eisch, deze bedenking met ernst onder de oogen te zien. Een verzet uit een ons heilig beginsel geboren, kan niet overwonnen worden, tenzij de schijnbare tegenstrijdigheid tusschen dat beginsel en onze practijk op afdoende wijze worde opgelost. Bovendien en misschien is dat voor onze lezers nog meer van belang, biedt ons deze bedenking de gereede aanleiding op het geheele vraagstuk van de Avondmaalsformule iets dieper in te gaan. Zoo eenvoudig als bij de Doopsformule, staat toch de zaak bij het Avondmaal niet. In­

dien-dit beter in het oog ware gehouden, de geheele bedenking zou wellicht achterwege gebleven zijn. Bij den Doop bestaat bij alle Christelijke kerken, van welke belijdenis zij ook zijn, aangaande de sacramenteele woorden geen verschil van usantie. Op grond van de inzetting van Christus: „Gaat henen, onderwijst alle volkeren, hen doopende in den naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes, " heeft de Christelijke kerk van meet af gedoopt met de woorden: Ik doop u in den naam des Vaders, en des Zoons, en des Heiligen Geestes. De oorsprong van deze formule is niet na te gaan, zij dagteekent uit het tijdperk der aposte-

len; zij is zoo oud als de Christelijke kerk zelf. De Roomsche kerk heeft, ook te midden van haar diepste verbastering, deze formule ongeschonden bewaard. En na de splitsing der kerken in de i6de eeuw, hebben alle kerken en alle secten deze Doopsformule behouden. Wie in deze formule, wat haar wezen betreft, verandering zou brengen, zou den Christelijken Doop te niet doen en houdt een schijndoop over.

Geheel anders daarentegen staat het bij het Avondmaal. Voor zoover men uit de spaarzame berichten aangaande de liturgie der oudste Christelijke gemeenten kan nagaan, was er van een vaste Avondmaalsformule geen sprake. Vermoedelijk las de Dienaar des Woords aan het Avondmaal eenvoudig de geschiedenis van de inzetting van het Avondmaal uit Matth. 26 of uit I Cor. II en reikte hij daarna brood en beker rond. Eerst later schijnt het gebruik te zijn opgekomen, dat men bij het rondreiken van het brood zeide: et lichaam van Christus en bij den drinkbeker: et Moed van Christus, de beker des leveiis, waarop de communicant antwoordde Amen; maar dit gebruik was tot de Oostersche kerken beperkt en werd in het Westen niet nagevolgd. En toen door de breuke, die de Reformatie teweegbracht, kerk naast kerk kwam te staan, heeft iedere kerk haar eigen Avondmaalsformule gekozen. De Roomsche kerk hield zich evenals de Luthersche, aan de inzettingswoorden uit Matth. 26. Calvijn en op zijn voetspoor de meeste Gereformeerde kerken lieten deze formule varen uit vrees voor een verkeerde opvatting van het sacrament, en kozen hetzij de woorden van Paulus uit I Cor. 10 : 16, hetzij een andere formule. Eenparigheid in de Avondmaalsformule bestaat er dus niet.

Dit verschijnsel nu is niet toevallig maar ligt in den aard der zaak.

Het sacrament van den Doop representeert de eenheid der kerk. Één geloof, één Doop, één Heere. Zoover de Doop strekt, strekt zich de Christelijke kerk uit. En bij alle verschil over de beteekenis van den Doop, heeft iedere kerk toch steeds den Doop der andere kerken erkend. Alle Doop in den naam des Drieëenigen bediend is een ware Doop. Maar geheel anders staat het bij het Avondmaal. De Roomsche Mis is in het oog van den Protestant geen sacrament maar naar luid van onzen Catechismus een vervloekte afgoderij. En de Roomsche van zijn standpunt, kan in ons Avondmaal niet anders zien dan een ceremonie, waaraan alle wezenlijkheid ontbreekt. Elkanders Avondmaal over en weer te erkennen, kan bij Roomsche en Protestant zelfs niet in de gedachte opkomen. Alleen wie één is met ons in belijdenis, kan met ons aanzitten aan éénen Disch des Verbonds.

Is het dan wonder, dat waar bij den Doop heel de Christelijke kerk slechts één formule kent, bij het Avondmaal het sacramenteele woord juist bij alle kerken verschilt? En hgt reeds daarin niet opgesloten, dat de formule bij het Avondmaal niet die vastigheid bezit, die bij den Doop juist om zijn kathohek, d. i. algemeen karakter eisch is? Of om het nog duidelijker uit te drukken, indien de Synode onzer Gereformeerde kerken de Doopsformule wijzigde, zou ze roof plegen aan het gemeen goed der Christelijke kerk en zich zelf den naam van Christelijke kerk onwaardig maken. Maar wie zou durven ontkennen, dat de Synode volkomen de bevoegdheid zou hebben de woorden, ontleend aan I Cor. 10:16, wanneer dit haar beter voorkwam, te vervangen door de inzettingswoorden uit Matth. 26 of door een andere formule, gelijk Calvijn die te Geneve gebruikte.'' Mits, en daarop komt alles aan, deze formule schriftuurlijk was en volkomen uitdrukte wat in het Avondmaal ons geschonken wordt.

Alleen op dezen grond is het te verdedigen, dat onze kerken de Avondmaalsformule niet aan de inzettingswoorden van Christus, maar aan een verklaring van den Apostel Paulus ontleend hebben. Indien er tusschen Doop en Avondmaal volkomen analogie bestond, dan had de Avondmaalsformule moeten ontleend worden aan de inzettingswoorden van Christus: Neemt eet, dat is mijn lichaam, evenals de Doopsformule ontleend is aan het Doopsbevel. De woorden van den Apostel: Het brood, dat wij breken, is dat niet een gemeenschap des lichaams van Christus.? dragen in I Cor.

10 : 16 allerminst een sacramenteel karakter.

Zij zijn, gelijk reeds de vragende vorm aanduidt, een schakel in het redebeleid van den Apostel, maar geen formule voor het Avondmaal. Indien onze kerk deze woorden toch nam als Avondmaalsformule, dan is het omdat daarin klaarder en duidelijker dan in eenig ander woord der Schrift de beteekenis van het sacrament ligt uitgedrukt. En indien de kerk daartoe het recht had, wat op Gereformeerd standpunt nauwelijks bestreden kan worden, waarom zou dan de kerk aan deze woorden van Paulus niet andere woorden, die evenzoo aan de Heilige Schrift ontleend zijn, mogen toevoegen en daardoor de Avondmaalsformule uitbreiden.? Dit laatste nu is geschied door het gewraakte aanhangsel, dat feitelijk niet anders is dan een poging om de oorspronkelijke inzettingswoorden in de Avondmaalsformule op te nemen, zonder dat men gevaar liep daardoor de Roomsche leer der transsubstantiatie voedsel te geven. Want wat zijn de woorden: „Neemt, eet, gedenkt en gelooft, dat het lichaam onzes Heeren Jezus Christus gebroken is", anders dan met eene kleine wijziging het inzettingswoord, gelijk Paulus dat in i Cor.

11 : 24 meedeelt: Neemt, eet, dat is mijn lichaam, dat voor u gebroken wordt: oet dat tot mijne gedachtenis". Dat de uitdrukking mijn lichaam veranderd wordt in het lichaam van onsen Heere Jezus Christus spreekt vanzelf, waar niet Christus maar de Dienaar des Woords dit zegt. En dat de uitdrukking „dit is mijn lichaam" veranderd is in : „gedenkt en gelooft dat het lichaam van Christus gebroken is", vindt zijn verklaring in de vrees voor Roomsche superstitie, en zijn rechtvaardiging in de slotwoorden : „doet dat tot mijne gedachtenis". Wat eindelijk de bijvoeging betreft: tot eene volkomene verzoening van alle onze zonden", ze is geschied naar analogie van de woorden, die Christus volgens Matth. 26 : 28 bij het geven van den drinkbeker sprak: dat is mijn bloed, hetwelk voor velen vergoten wordt, tot vergeving der zonden". Zoo is er in dit aanhangsel of bijvoegsel dus geen enkele uitdrukking, die niet aan de inzettingswoorden zelf ontleend is; en daarmede is dit aanhangsel volkomen gerechtvaardigd.

Hoe dit aanhangsel in de wereld is gekomen en welke beteekenis het heeft in den liturgischen dienst, hopen wij een volgend maal aan te toonen. Thans sluiten wij met eene opmerking, wier gewicht zal gevoeld v/orden in verband met hetgeen wij hierboven schreven.

Wat de woorden betreft, waarmede Christus den Doop heeft ingezet, hebben wij maar ééne lezing, die te vinden is in Matth.

28 : 19. Bij den Doop kon de Kerk dus niet anders doen dan de Doopsformule hieraan ontleenen. Vandaar de eenparigheid der Doopsformule. Maar bij het Avondmaal hebben wij van de inzettingswoorden van Christus in de Schrift zelf vier onderling verschillende berichten. Mattheus deelt de woorden anders mede dan Lukas, en Markus weder anders dan de Apostel Paulus in I Cor. 11. Hier was de Kerk dus volkomen vrij om een keuze te doen. Verklaart dit niet waarom ten opzichte van de Avondmaalsformule de eenparigheid bij de kerken ontbreekt ?

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 13 november 1898

De Heraut | 4 Pagina's

De Avondmaalsformule.

Bekijk de hele uitgave van zondag 13 november 1898

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken