Bekijk het origineel

Buitenland.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Buitenland.

8 minuten leestijd

Een geloofsbelijdenis van den Duitschen keizer Wilhelm II.

Keizer Wilhelm II heeft op zijn reis naar het Oosten veel gesproken. Het woord dat hij hooren deed bij de „inwijding" van de „Verlosserskerk" te Jeruzalem willen wij onzen lezers niet onthouden. Het luidt aldus : „God heeft in Zijn genade ons vergund dat wij in deze stad, die aan allen Christenen heilig is, en op deze plaats die door ridderlijke liefdearbeid gewijd is, het Godshuis hebben kunnen wijden, dat gesticht werd tot eere van den verlo.sser der wereld. Wat mijne bij God rustende voorvaders sedert meer dan een halve eeuw vurig hebben begeerd en waarnaar zij als bevorderaars en beschermers van de in den evangelischen zin gegrondveste liefdewerken gestreefd hebben, is door den bouw en door de inwijding van de verlosserskerk vervuld.

Met de winnende kracht der dienende liefde, zullen hier de harten tot Hem gevoerd worden, in welken alleen het ontruste menschenhart heil, rust en vrede vindt voor tijd en eeuwigheid. De Evangelische Christenheid neemt ver over de grenzen van Duitschland heen deel aan ons feest door hare voorbeden. Afgezanten van de Evangelische kerkgemeenschappen en vele Evangelische geloofsgenooten zijn met ons hierheen getogen, om persoonlijk getuige te zijn van het geloofs-en liefdewerk, door hetwelk de naam van den hoogsten verlosser verheerlijkt en de komst van het Godsrijk op aarde bevorderd worden zal. „Jeruzalem gij hooggebouwde stad, in welke onze voeten staan", roept de herinnering wakker aan de machtige verlossingsdood van onzen Heere en Heiland.

Zij toont ons den gemeenschappelijken arbeid, die alle Christenen van welke belijdenis of van welke natie ook in het apostolisch geloof vereenigt. De wereldvemieuwende kracht van het Evangelie, dat van hier uitging, drijft ons. Hem na te volgen. Zij vermaant ons met een blik vol geloof op Hem, die voor ons aan het kruis gestorven is, tot christelijke lijdzaamheid, tot betrachting van belangelooze liefde jegens alle menschen, zij belooft ons, dat wanneer wij vasthouden aan de reine leer des Evangelies, zelfs de poorten der hel onze dierbare Evangelische kerk niet zullen overwinnen.

Van uit Jeruzalem kwam het licht in welks glans ons Duitsche volk groot en heerlijk geworden is.

Wat de Germaansche volken geworden zijn, zijn zij geworden onder de banier van het kruis op Golgotha, het waarteeken van de zelfopofferende liefde tot den naaste.

Gelijk vóór bijna twee duizend jaren, moet ook heden van hier uit de roep in de geheele wereld weerklinken, die het smachtend verlangen in zich draagt, de roep van vrede op aarde.

Het is geen glans, geen macht, geen roem, geen eer, geen aardsch goed dat wij hier zoeken.

Wij smachten, bidden en worstelen allen naar het eene, het hoogste goed, het heil onzer ziel.

En gelijk ik de gelofte van mijne in God rustende voorvaderen: Ik en mijn huis, wij zullen den Heeren dienen, op dezen feestelijken dag herhaal, zoo noodig ik u allen uit tot eene zelfde belofte.

Ieder arbeider in zijn stand en beroep, opdat allen, die den naam van den gekruisigde dragen, in het teeken van dien naam hun levenswandel leiden tot overwinning van alle uit de zonde en de zelfzucht voortspruitende duistere machten. God geve, dat van hier uit rijke stroomen van zegen vloeien op de geheele Christenheid, dat op den troon en in de hut, in het vaderland en in den vreemde; vertrouwen op God, liefde tot den naaste, geduld in lijden en Christelijke arbeid, de edelste trek blijve van het Duitsche volk, dat de geest des vredes de evangelische kerk steeds meer doordringe en heilige. Hij, de Genaderijke God, zal ons smeeken verhooren, dat is ons toeverzicht. Hij, de Almachtige is de sterke steunpilaar waarop wij bouwen.

„Geen aardsche macht begeeren wij, Die gaat weiras verloren! Ons staat de sterke Held ter zij. Dien God ons heeft verkoren. Vraagt gij zijn naam? zoo weet. Dat Hij de Christus heet, Gods eengeboren Zoon, Verwinnaar van den troon De zeeg' is ons beschoren."

Wij verheugen er ons in dat een gekroond hoofd, een Hohenzollern, een dergelijke belijdenis heeft doen hooren. In een tijd waarin de Ritschliaansche theologie in Duitschland, duizenden heeft geleid op de baan der ontkenning, is het verkwikkend dat een van de schilden der aarde toont, daarin niet medegevoerd te zijn. Maar wanneer de Duitsche Keizer de verkondiging uit Engelenmond van „vrede op aarde" vóór bijna 2000 jaren, in één adem noemt met zijn streven naar vrede, hoe is dit dan te noemen? Een Calvinist zou zich ook op menig ander punt anders, wij hopen, beter hebben uitgedrukt.

In overeenstemming met deze rede, die de Keizer zeker heeft uitgesproken in zijn qualiteit van oppersten bisschop der Pruissische Evangelische landskerk, werd de volgende oorkonde geteekend:

„In den naam van God des Vaders, des Zoons en des Heiligen Geestes. Het was reeds lang het voornemen van mijn voorvaderen om in Jeruzalem, de stad Davids, waar onzen Heere en Heiland Jezus Christus door zijn bitter lijden en sterven en zijn triomfantelijke opstan­

ding, het werk der verlossing volbracht heeft, ook voor de kerk der reformatie een vaste woonplaats te bereiden, opdat ook Duitschland's Evangelische kerk daar niet ontbreke, waar de Christenen van alle confessiën voor de genadedaad van den Veriosser dank offeren. Nadat reeds koning Frederik Wilhelm IV zijn oogen

naar de heilige stad gericht had, zorgdragende voor het Evangelisch geloof binnen hare muren ruimte te maken, was het de hartewensch van mijn in God rustende heer Grootvader, Keizer en Koning Wilhelm den Groote, om op de plaats, die door de liefde-arbeid van de Johaniter-orde gewijd was, en die mijn in God rustende heer Vader, Keizer en Koning Frederik Hl op zijn reis naar Palestina als geschenk van den Heer des lands in bexit genomen had, eene Evangelische Kerk te stichten, opdat in haar het Woord Gods op don geloofsgrond der religie in de Duitsche taal gepredikt en de naam Gods op Duitsche wijze geprezen zou worden. Gods genade heeft het mij, den Duitschen Keizer en Koning van Pruissen, vergund, het werk door mijne "voorvaderen begonnen te voleindigen, en heden, op den herdenkingsdag der gezegende Reformatie in tegenwoordigheid mijner dierbare gemalin de allerdooriuchtigste Keizerin en Koningin,

Augusta Victoria, omgeven door de vertegenwoordigers der Evangelische Christenheid en gedragen door hun gebed, de inwijding der kerk te volbrengen.

De kerk lal den naam van Verlosserskerk dragen, opdat openbaar worde, dat ik en allen, die met mij in hef werk der Reformatie een genadewerk Gods erkennen en dankbaar daaraan vasthouden, tot Jezus Christus, den Gekruisigde en waarlijk Verrezene, als tot onzen eenigen Verlosser opzien, en wij allen door het geloof aan Hem rechtvaardig en zalig hopen te worden.

Tevens moet deze Kerk zich verheffen op de plaats, waar eens Johaniten onder het kruis hunne liefdearbeid gedaan hebben en getuigenis hiervan gaven, dat geloof en liefde niet van elkander te scheiden zijn, eu in Christus Jezus niets geldt als alleen het gcioof, dat door de liefde werkzaam is. Met een hart vol dank bidden wij God, dat hij zijn heiligmakend woord voor ons altijd zal bewaren en verleenen dat het hier en allerwege zui\-er en rein gepredikt worde en veel vrucht den liefde geve, opdat zijn naam geheiligd worde, zijn rijk kome, zijn wil geschiede. Mocht Hij onze dierbare Evangelische kerk bouwen en beschermen en ons Duitsch Vaderland zegenen uit de volheid zijner genade. Van het Jeruzalem hier beneden, richten wij het oog naar het Jeruzalem dat boven is. De Heere en Verlosser die daar vertoeft, verleene ons allen, die geloovig Hem bidden, om het geloof en in

de liefde te wandelen, dat wij eens ingaan in de hoogere stad Gods, om hem daar te danken en te prijzen tot in eeuwigheid."

Het is jammer dat deze woorden gesproken zijn, nadat de Keizer het bekend bezoek aan den Sultan van Turkije gebracht had, om uiting te geven aan de vriendschappelijke gevoelens jegens den Mahomedaanschen monarch, die door den grooten staatsman Gladstone als den „gekroonden moordenaar" van Christenen werd aangeduid.

In het heilige land vertoevende werd aan de Roomschen een stuk land geschonken, dat, den naam draagt van dormitio beatae Mariae, d. i. de plaats waar men meent dat de moedermaagd Maria gestorven is. Toen Pater Schmidt voor dit geschenk den Heere dankte, wenschte hij aan zijne Majesteit den „zegen van de heilige maagd toe."

De Keizer antwoordde den pater met enkele woorden en wendde zich toen tot de hem omringende matrozen met de woorden: Het is eene groote onderscheiding voor U dat gij dit feest op deze plaats kunt bijwonen. Ik hoop, dat gij u dit waardig zult bewijzen en wanneer gij naar huis terugkeert, zult gij uwe betrekkingen en vrienden kunnen vertellen dat gij gelegenheid gehad en gebruikt hebt van die plaatsen te zien waar onze Heiland leefde en voor ons leed".

Het heet nu in de Duitsche bladen, dat de Duitsche Keizer door deze woorden tot de matrozen te spreken, den Roomschen Pater terecht gewezen heeft.

Bij de inwijding van de Verlosserskerk is het Nederl. Herv. Kerkgenootschap in de persoon van Ds. Perk officieel vertegenwoordigd geweest. In het land, dat nog altijd zucht onder den looden voet van den Turk en dat uitgemergeld is door Turksch wanbeheer, hebben vele kerkgenootschappen de daad van den Duitschen Keizer toegejuicht.

Dit is echter voor de predikanten der Ned.

Herv. kerk te Amsterdam niet genoeg geweest dat hun kerkgenootschap officieel vertegenwoordigd werd bij een handeling die geen sympathie wekken kan die weet welke rol Duitschland in de Oostersche quaestie speelt. Zij hebben nog een speciaal telegram van gelukwensching aan den Duitschen Keizer te Jeruzalem verzonden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 20 november 1898

De Heraut | 4 Pagina's

Buitenland.

Bekijk de hele uitgave van zondag 20 november 1898

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken