Bekijk het origineel

De Psalmen en het Calvinisme,

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

De Psalmen en het Calvinisme,

15 minuten leestijd

Amsterdam, 2 Dec. 1898.

CALVINISME EN KUNST, er was een tijd, dat wie deze woorden in één adem uitsprak, niet bij wijze van onverzoenlijke tegenstelling, maar zoo dat tusschen die beide een zeer wezenlijk verband werd gelegd, den algemeenen spotlust zou hebben opgewekt. Alle Roomsche apologeten hadden steeds met nadruk aan het Calvinisme verweten, dat zijn invloed doodelijk was geweest voor de ontwikkeling dezer rijke gave Gods. Men herinnerde aan den beel­ denstorm, waarbij zoo menig kostelijk gedenkteeken van schilder-en beeldhouwkunst met houweel en koevoet was verwoest. Men wees naar de naakte kerkgebouwen der Gereformeerden, waar al wat het hart verheffen, het gevoel bezielen en het oog bekoren kon ontbrak. Men vroeg met schamperen spot, of het Calvinisme dan ooit in staat was gebleken tegenover de gewijde kerkelijk kunst van Rome, die in haar ten hemel strevende cathedralen, haar wonderschoone madonnabeelden, haar aangrijpenden koorzang en mismuziek, haar schoonste triomfen vierde, iets anders te stellen dan de negatie, de onvruchtbaarheid van het dorre intellect. Uit het rijk der duisternis geboren en daarom van allen lichtglans van het goddelijk schoon der kunst af keerig, dat was het schandmerk, dat Rome ons op het voorhoofd te branden zocht.

En wat Rome vóórbazelde, zong de libertijn van alle eeuw trouwhartig haar na.

Wanneer het geldt het Calvinisme te bestrijden, vindt Bijgeloof in Ongeloof steeds zijn trouwsten bondgenoot. Voltaire, de geestelijke vader der Fransche Revolutie, die het Ecrasez l'infame den Christus Gods in het aangezicht dorst lasteren, heeft niet minder scherp dan Rome, het verwijt van gebrek aan kunst, maar nu aan de vroolijke, licht geschoeide, dartele kunst der wereld, het Calvinisme voor de voeten geworpen, toen zijn scherpe pen dit caricatuurbeeld van „la Qité genevoise, " de stad van Calvijn, ontwierp:

On y calcule et jaimais on n'y rit, L'art de Baréme est Ie seul qui fleurit, Ou hait Ie bal, ou hait la comédie.

Pour tout plaisir Geneve psalmodie Du roi David les antiques concerts, Croyant que Dieu se plait aux mauvais vers.

Des predicants la morne et dure espèce Sur tous les fronts a grave la tristesse. ')

Tot verontschuldiging van den leven s-ernst, die te Geneve heerschte, willen wij thans niet wijzen op het feit, dat ballingen uit alle landen daar saamstroomden, den marteldood ontvlucht, en vragen of het wonder was, dat „la paleur des martyrs" lag uitgespreid op de gelaatstrekken van hen, die vaders en broeders den brandstapel hadden zien beklimmen .? Het smaadwoord zelf, waarmede Voltaire de stad van Calvijn dacht te treffen: Geneve psalmodie, Geneve schept alleen behagen in het zingen van psalmen, nemen wij op en — wat als invectief bedoeld was, blijkt bij ernstiger onderzoek een der schoonste paarlen uit de eerekroon, die het Calvinisme draagt.

Elk verwijt alsof het Calvinisme en de kunst elkander eerder uitsloten dan begunstigden, wordt gelogenstraft door de hooge beteekenis, die het Calvinisme juist voor de Psalmodie heeft gehad, en door de Psalmodie zoowel voor den kerkelij ken zang in het bijzonder, als voor heel de ontwikkeling der muziek.

Tot voor korten tijd lag dit gebied, waarop een der schitterendste tropheeën voor het Calvinisme staat opgericht, nog als een terra incognita voor den onderzoeker verborgen.

Wat ten onzent door J. van Iperen in zijn Kerkelijke Historie van het Psalmgezang der Christenen (1777) en door Dr. R. Benninck Jansonius in zijn Geschiedenis van het Kerkgezang bij de Hervormden in Nederland (2e druk in 1863) was geleverd, bracht tot kenschetsing van hetgeen het Calvinisme voor het Psalmgezang heeft gedaan geen voetstap nader. Daartoe ontbrak het hun beiden te veel aan ernstigen wetenschappelijken zin en grondige studie. Daartoe was hun oog te uitsluitend gevestigd op de geschiedenis van het Psalmgezang in Nederland, in plaats dat zij opklommen tot de bron, waaruit dit afgeleide beekske vloeide.

En daartoe was bovenal de tendenz, waarmede zij schreven, te zeer aan het principe zelf van het Calvinisme vijandig. J. van Iperens Kerkelijke Historie valt saam met de uitgave van de nieuwe Psalmberijming in 1773 en is weinig anders dan een uitvoerige verdediging van een berijming, die, hoeveel voortreffelijks zij ook biedt, toch maar al te duidelijk haar geestelijke verwantschap met den „pruikentijd" verraadt.

En Benninck Jansonius' Geschiedenis van het Kerkgezang is een voortdurend pleidooi voor den „nieuwen gezangenbundel, " die in het begin dezer eeuw het daglicht aanschouwde, en wier verschijning allerminst met sympathie door het Calvinistische volk in Nederland is begroet.

Om de beteekenis van het Calvinisme voor de Psalmodie te verstaan, moest het onderzoek beginnen niet bij een later gerijpte vrucht, maar bij den wortel zelf, bij Calvijns scheppenden geest. De arbeid, die onder zijn leiding verricht is door Clement Marot en Theodorus Beza, om de „oude liederen van koning David" weder tot den kostelij ksten schat van Gods kerk te maken, en door Bourgeois en Goudimel om in den zang der Psalmen die wondere melodie en harmonie te brengen, die aan alle kunstkenners eerbied afdwingen, moest in het licht worden gesteld. Breed moest het fundament worden gelegd; uit de meest verscholen hoeken van buitenlandsche bibliotheken moesten de bouwstoffen worden bijeenverzameld. De architecten moesten niet alleen over taai geduld beschikken, maar over ongemeene kennis van poëzie en muziek beide. Zoo eerst kon het monument worden opgericht, de Psalmodie der Calvinisten waardig.

Deze arbeid is thans verricht. In 1872 gaf F. Bovet uit zijn Histoire du Psautier.

Het was de voorlooper van het reusachtige werk, dat straks volgde, en dat een stani) Men rekent daar, maar nooit wordt er gelachen. De kunst van Barème is de eenige die er bloeit. Men haat er het bal, men haat er de comédie. Het eenigste genot, dat Geneve zich gunt, is dat men er psalmen zingt, berijmd naar de oude liederen van koning David, geloovend dat God behagen schept in slechte verzen. Op ieders voorhoofd heeft het sombere en harde slag der predikanten het stempel der droefgeestigheid gedrukt. daardwerk voor de toekomst blijven zal, wij bedoelen Clement Marot et Ie Psautier Huguenot van O. Douen, twee lijvige deelen, elk meer dan 700 bladzijden groot, dat in 1878 op kosten van den Staat in Frankrijk werd gedrukt. Persoonlijk staat de heer Douen niet sympathiek tegenover zijn onderwerp. Hij is leerling uit de school van E. Renan. De Psalmen van Israël hebben in zijn oogen alleen waarde als historisch verschijnsel. De God der Psalmen is volgens hem Ie dieu juif, de God der Joden, een wraakzuchtig, een toornig, een jaloersch God, een God, die niets gemeen heeft met den God van het Evangelie. En even vijandig als hij staat tegenover de Psalmen van Israël, staat hij tegenover den geest van Calvijn. Er is niets in Calvijn wat hem aantrekt; Calvijns rigorisme te Geneve wordt belachelijk gemaakt; aan Calvijn wordt geweten, dat de Reformatie in Frankrijk niet heeft gezegepraald; waar het te pas kan gebracht, wordt Calvijn beschuldigd en aangeklaagd van intellectualisme en dogmatisme, van overdrijving en willekeur, van ondankbaarheid en hardvochtigheid. Maar des te onverdachter is zijn getuigenis, waar hij ten slotte, zij het dan ook alleen uit aesthetisch oogpunt, de warmste hulde en innigste bewondering uitspreekt voor hetgeen Calvijn voor de Psalmodie en in de Psalmodie voor heel de ontwikkeling der kunst heeft gedaan. Wie die bladzijden leest en dan nog niet gevoelt hoe hooge beteekenis het Cal vinisme voor de kunst heeft gehad, is met erger dan met kleurenblindheid geslagen.

Het spottend : Geneve psalmodie van Voltaire is door deze studie ten eeretitel geworden, waarop ieder Calvinist trotsch kan zijn.

Veel hooger echter dan de aesthetische beteekenis, die aan de Psalmodie van het Calvinisme moet toegekend worden, en waarop wij later terugkomen, staat voor ons het feit, dat aan Calvijn in de eerste plaats te danken is, dat de zoo lang verborgen schat der Psalmen weer in zijn vollen rijkdom aan Christus' gemeente is teruggeschonken.

Onder Rome's juk was ook dit „gouden kleinood" van Gods kerk onder het stof begraven en vergeten. Een enkele Psalm, in voor het volk onverstaanbare taal gepreveld, mocht in Rome's eeredienst een plaats hebben behouden, het volk kende en zong de Psalmen niet. Soms, als een schemering in donkeren nacht, wordt in de Middeleeuwen hier en daar een bundel Psalmen, in de volkstaal berijmd, in het licht gegeven, maar in het kerkelijk gebruik drongen zij niet door, Op het Concilie van Trente hebben koningen en vorsten als een gunst gevraagd, de Psalmen in de volkstaal in de kerk te mogen zingen, hun bede is hooghartig geweigerd. Rome kan het Psalmgezang niet dulden, juist omdat Rome te diep voelt welke macht tot geestelijke vrijmaking der ziel in het Psalmgezang schuilt.

Aan een volk, dat in geestelijke slavernij moet gehouden worden, kan het vrijheidslied niet worden gegund.

Zoo hingen, om met Luther te spreken, in de Babylonische ballingschap de harpen der kerk aan de wilgen en werden de liederen Sions niet meer gezongen. Maar nauwelijks had de Reformatie de kluisters gebroken, en was de vrijheid van den Christenmensch weer geproclameerd, of het lied der gemeente klonk van de lippen met een bezieling en geestdrift, waarvan wij, zwakker nageslacht, ons nauwelijks een denkbeeld kunnen vormen.

Niet aan Zwingli, maar aan Luther is in de eerste plaats de weeropleving van het gemeentelijk gezang te danken. Zwingli met zijn nuchter rationalisme, met zijn afkeer van alle mystiek, minde het kerkelijk gezang niet. Zwitserland heeft ook geen enkelen grooten zanger voortgebracht. Tegenover de machtige stemme Gods in het donderend neerploffen der lawines, in het bruisen der cataracten, in den wilden zang van de woudbeek, wordt de mensch met zwijgende bewondering vervuld, en de lofzang breekt niet uit het hart tot de lippen door. Zwingli bande niet alleen den koorzang en mismuziek van Rome, maar ook het lied der gemeente uit zijn samenkomsten. De schoonste gave die God aan den mensch schonk om Hem te verheerlijken, werd door Zwingli niet gewaardeerd. En zijn invloed was voor heel Zwitserland beslissend. Ook in Geneve, getuige Farel's Maniere et Fasson, zong men aanvankelijk niet.

Luther, de man met het rijke, warme menschenhart, vaak eer te veel dan te weinig door het gevoel gedreven, heeft de mystieke macht van het lied van den aanvang af gegrepen. Zelf dichter bij de gratie Gods, met een schoone muzikaal gevormde stem begiftigd, had hij den zang lief boven alle andere kunst. Hij heeft het eerst aan de zwijgende gemeente het loflied op de lippen gelegd. Reeds in 1524 kwam zijn eerste bundel uit: Eenige Christelijke Liederen, Lofzangen en Psalmen achtervolgens het reine Woord Gods, uit de Heilige Schrift door verscheidene hoogleeraren te samengesteld, om in de kerken te zingen, zoo als te Wittenberg reeds gebruikelijk is.

De vraag in hoeverre het kerkelijk lied reeds bij de volgelingen van Huss in gebruik was en welken invloed deze liederen op Luthers bundel hebben gehad, laten wij thans in het midden. In de oogen van heel Europa is Luther de vader van den kerkdijken zang; is van hem de machtige bezielende stoot uitgegaan, die het doffe zwijgen van lange eeuwen heeft gebroken; is aan hem de wedergeboorte te danken van het lied der gemeente.

Op deze hulde dingen wij. Calvinisten, niets af. Wat God de Heere in en door Luther voor alle kerken der reformatie heeft geschonken, wordt door ons even hoog als door Calvijn zelf gewaardeerd.

Maar dit belet ons niet de schaduwzijde van Luthers standpunt op te merken en God te danken, die in Calvijn rijkere genade aan onze kerken heeft gegund. Luther heeft het lied aan de gemeente teruggeschonken, maar de eenige beteekenis der Psalmen heeft hij niet gevoeld. Naar subjectief oordeel koos hij uit den schat der Psalmen wat hem het schoonst voorkwam, vooral Psalm 130 was zijn lievelingslied, omdat daarin de rechtvaardigmaking des geloofs zoo klaar wordt beleden; maar naast deze „keur van Psalmen" plaatste hij van meet af „Christelijke liederen en lofzangen, " het menschelijke woord. Deze gelijkstelling van het Woord Gods en het woord des menschen, van de zangen, door den Heiligen Geest ingegeven, en de liederen die de vrucht zijn van menschelijke vroomheid, wreekt zich altijd. Het getal „bruikbare Psalmen" krimpt al meer in, het getal „Christelijke lofzangen" breidt zich steeds verder uit. Luther gaf wel het Christelijk Hed, maar niet den vollen schat der Psalmen aan Christus' gemeente terug. De Luthersche kerk heeft geen Psalmodie gekend.

, Juist hier blijkt het dieper inzicht van Calvijn.

Hij, de man die zoo vaak beschuldigd is geworden van gebrek aan alle poëtisch gevoel, aan alle liefde voor de muziek, aan waardeering van al wat schoon is en weiluidt, behoeft voor Luther niet onder te doen in ijver voor herstel van den kerkdijken zang. Optredende-in Geneve, waar dankzij Zwingli's invloed de gemeente zwijgt, weet hij reeds in 1537 Farel over te halen een verzoekschrift in te dienen bij de Overheid, waarin met ernstigen drang de invoering van den zang in den eeredienst wordt gevraagd. Maar wat hij vraagt is niet het Christelijk lied, het zijn de Psalmen, de Psalmen alleen, maar ook de Psalmen geheel. „Wij wenschen, zoo luidt het request, dat de Psalmen in de kerk zullen ingevoerd worden. Wij kunnen ons geen denkbeeld vormen van den geestelijken vooruitgangen opbouwing in het geloof, die daaruit volgen zal, wanneer wij er niet eerst de proef meê hebben genomen. Zooals wij thans den godsdienst hebben ingericht, zijn de gebeden der geloovigen zoo koud, dat het ons tot groote schande en beschaamdheid moet strekken. De Psalmen zullen ons kunnen aansporen om onze harten tot God te verheffen en ons kunnen bezielen met een heiligen ijver zoowel om God aan te roepen als .om de glorie zijns naams door lofzangen te verhoogen". (Calvini Opera X p. 12). En nog duidelijker spreekt dit echte Calvinistische beginsel zich uit in de voorrede, die Calvijn in 1545 voor La forme des prières et chantz ecclesiastiques heeft geplaatst en die voor de Calvinistische opvatting van den kerkdijken zang klassiek mag heeten: „Wat hebben wij noodig.? Wij hebben gezangen noodig, die niet alleen eerbaar maar ook heilig zijn ; en die ons kunnen dienen als prikkels om ons aan te sporen tot God te bidden. God te loven en zijne werken te overpeinzen, opdat wij Hem liefhebben, vreezen, eeren en verheerlijken.

Maar wat Augustinus zegt is waarachtig, dat niemand iets zingen kan wat Gode waardig is, of hij moet het van God ontvangen hebben. Daarom zullen wij, ook na overal gezocht en rondgespeurd te hebben, geen betere liederen vinden noch meer geschikt om dit te doen, dan de Psalmen van David, welke de Heilige Geest hem geïnspireerd heeft.

Als wij deze zingen, dan zijn wij alleen zeker, dat God de woorden in onzen mond legt, alsof Hij zelf in ons zong om zijn eigen glorie te verhoogen. (Calv. Opera VI p. 170, I).

Beslister maar ook schooner dan Calvijn het hier doet kan het Gereformeerde beginsel niet worden uitgedrukt. Ook Calvijn is begonnen met te zoeken onder de menschelijke liederen, maar het beste wat hij vond kon in de schaduw der Psalmen niet staan, omdat de Psalmen het werk zijn niet van den mensch maar van God zelf. Cal­

van den mensch maar van God zelf. Calvijn staat ook hier op dat hooge geestelijke standpunt, dat met het diepste gevoel van afhankelijkheid tegenover God gepaard gaat. Zal de gemeente waardiglijk God den lof toebrengen, dien Hij van ons vraagt, dan moet het lied der aanbidding door God zelf ons geschonken worden. Hij, de Heere, moet door ons zingen om zijnen Naam te prijzen.

Van dat standpunt uitgaande, heeft Calvijn niet gerust, voordat de Psalmen aan de gemeente van Christus waren teruggeschonken. Daarom heeft hij reeds in 1537 de Overheid te Geneve gebeden, het zingen der Psalmen in de gemeente in te voeren; daarom heeft hij dien eisch in 1538 als basis van het akkoord, dat tusschen de predikanten en de Overheid te Geneve zou gesloten worden, herhaald; daarom heeft hij te Straatsburg, waar hij niet afhing van magistrale willekeur, . terstond de Psalmen ingevoerd; daarom heeft hij eerst Clément Marot en later Theodorus Beza geen rust gelaten, voordat de berijming en vertaling van den Psalmbundel compleet was; daarom heeft hij met nauwlettend oog gewaakt tot zelfs over de melodieën, die aan den zang ten grondslag zouden worden gelegd.

Al is in de Psalmodie geen stuk van Calvijns eigen hand ons bewaard gebleven, het geheel is schepping van zijn geest, dra-«' ger van zijn gedachte, uitvoering van zijn wensch.

Zoo is de Psalmodie het kenmerk geworden van den Calvinistischen eeredienst.

Les psaumes, zegt Doumergue terecht, c'est la voix même de notre Réforme. De Psalmen zijn de stem van onze Reformatie. Ze weerklinken van de brandstapels en uit de kerkers; ze worden gezongen in de scholen en op de straten; ze vormen den krijgszang van de Hugenoten op het slagveld en den stervenskreet van l'Eglise du Desert. Waar het Calvinisme optreedt in Schotland of m Nederland, in Frankrijk of in Duitschland,

in Hongarije of in Italië, de Psalmen begeleiden het en nemen de harten met stormend geweld voor het Calvinisme in. En zoo uitnemend goed werd door Rome de beteekenis van dit verband tusschen het Calvinisme en de Psalmodie gevoeld, dat een Roomsch schrijver uit die dagen niet aarzelt openlijk te verklaren, wat voor het Calvinisme zeker de schoonste lofspraak is: De Psalmen zijn het for^nulier van Calvijn's religie geworden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 4 december 1898

De Heraut | 4 Pagina's

De Psalmen en het Calvinisme,

Bekijk de hele uitgave van zondag 4 december 1898

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken