Bekijk het origineel

Dan de gemeene Gratie.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Dan de gemeene Gratie.

15 minuten leestijd

DKRDE REEKS.

LXV.

En Jezus bestrafte hem, en de duivel ging van hem uit, en het kind werd genezen van die ure af. Matth. 17 : 18.

Alle misverstand, omtrent de bestrijding van liet lijden dat ons overkomt, blijkt alzoo daarin zijn oorsprong te hebben, dat men geen oog had voor het onheilige dat aan alle ons overkomend kwaad, niet soms en toevallig, maar altoos en noodzakelijk kleeft. Omdat het lijden zoo dikwijls een middel tot heiliging van ons innerlijk leven is, en zoo vaak den verloren zoon weer prikkelt om tot zijn vader te gaan, is men in het lijden zelfs ten deele iets uitnemends gaan zoeken, iets kostelijks, iets waaraan bijna een heilig karakter moest worden toegekend. Zoo keerde men de werkelijkheid in haar tegendeel om. Lijden werd iets dat men niet zou te schuwen en te verafschuwen hebben, maar iets, dat bijna begeerlijk scheen en aantrok. Omdat zoovelen met den Psalmist betuigen moesten: „Ik sloeg eer ik werd verdrukt den dwaalweg in, maar, nu geleerd, houd ik uw wet en wegen, " ging elk denkbeeld van het booze, het ongoddelijke, het onmenschelijke, het onnatuurlijke en tegennatuurlijke dat in alle lijden zich openbaart, allengs geheel teloor. Van den lach der vreugde kreeg men bijna een afkeer, de traan scheen innerlijk schoon. Men verstond, men begreep niet meer, dat, ware alle leven heilig gebleven, nooit één enkele traan aan het menschelijk oog moest ontrold zijn. Men gaf aan het gevoel toe, in plaats van naar God en zijn Woord te luisteren, en op die wijs is geheel de beschouwing van het mysterie des lijdens vervalscht, en heeft ten slotte zekere weemoedige ingenomenheid met eigen ellende in het sentimenteele pessimisme getriomfeerd. Zoover ging dit zelfs, dat men het lijden op aarde nog niet ontzettend genoeg vond, en door opzettelijke zelfkastijding zijn deel des lijdens vergrooten ging. Zoo zag men in de Heidenwereld vrome menschen zich aan alle levensvreugde en aan alle menschelijk verkeer onttrekken, zich in een wilde streek tusschen boomen plaatsen, om tot aan hun dood toe als een pilaar in die plaats te blijven staan, en het houtgewas door hun leden en hun hart te laten heengroeien. En evenzoo is het onder Christenen gezien, dat menschen zich geeselden, zich in kuilen lieten inmetselen, of op een zuiltop klommen, om toch maar hun deel van lijden zoo groot mogelijk te maken. Niet verstaande dat Jezus den vloek gedragen heeft, ging men het lijden van Golgotha schoon vinden, zonder in te zien, hoe in die lijn van gedachten het Kruis voor Jezus weibezien geen schande, maar een eere en een voorrecht ware geweest.

Alles natuurlijk lijnrecht tegen de Heilige Schrift in.

De Heilige Schrift leert ons dat Jezus de schande, den vloek, de straf gedragen heeft, en toont ons in de Opstanding een triomf over Satan. De Schrift leert ons in alle dood iets zien, dat onheilig is en onrein maakt. De Schrift zegt ons dat melaatschheid en andere krankheden door zoenoffers moesten verzoend. Kortom de Heilige Schrift kent geen ander lijden, dan zulk een als het gevolg is van den vloek, en in dien vloek het merkteeken van het onreine en onheilige aan zich draagt. Ja, meer nog, de Heilige Schrift komt ons in dien vloek, die alle lijden baart, zeer stelliglijk een werking belijden, die in verband staat met een satanische, demonische macht. Christus' ingaan in dat lijden, zijn dragen van den vloek, zijn op zich nemen van de schande, is dan ook naar luid van het eenparig getuigenis der Heilige Schrift, juist daarom zulk een onvergelijkbare openbaring van Goddelijk mededoogen en van alles te bovengaande liefde, omdat het zich overgeven aan het wz/^^'A^^ zoo rechtstreeks indruischte tegen den drang en den eisch van zijn innerlijk Goddelijk Wezen.

Doch van den aard en de beteekenis van den vloek geve men zich dan ook wel rekenschap. Als God zegt: „De aarde is vervloekt om uwentwil, " dan beduidt dit volstrekt niet alleen, dat lijden zich in ons leven zal mengen, maar veel meer, dat er over heel het aardrijk een onheilige dampkring trekt. Vloek is niet maar lijden, maar vloek is een kwaad, iets dat toorn in zich draagt, iets waar verbolgenheid in spreekt, iets waardoor God, die naar zijn Wezen alles schept en in stand houdt, het verderft en verstoort. De wetenschap dat op iets de vloek rust, dat aan iets een vloek kleeft, dat in iets een vloek schuilt, geeft een afstootend en bang gevoel; iets dat ons zegt, dat we niet de werking van Gods liefde, maar een onheilige macht tegen ons over hebben. Zoolang de vloek op iets rust, komt er geen gedijen, en het gebed om „deti zegen Gods, " die uit alle Christenheid dag aan dag wordt opgezonden, bedoelt in het minst niet wat men noemt succes, maar uitsluitend dat de werking van den vloek gestuit moge worden, dat de vloek moge worden opgeheven, en dat het onheilige wijken moge. Wie het anders bidt, verstaat het gebed om den zegen des Heeren niet.

De onderwijzing der wetten op de Levitische reinheid is in dit opzicht dan ook van veel dieper beteekenis, dan men gemeenlijk meent. In die wetten lag niet maar een zinbeeldige afschaduwing van geestelijke reiniging, maar wel terdege het van God geboden middel, om de herinnering aan den vloek levendig te houden en het afschuwelijk karakter van alle lijden klaar voor Israels oog te stellen. Wat is teederder dan het lijk van zijn vader met eigen hand te verzorgen 1 En toch de Hoogepriester mocht het niet doen. Dood bleef dood. In alle dood is vloek. En daarom is alle lijk onrein en is aan alle lijk iets onheiligs. Verloste Christenen die nabij God leven, zult ge dan ook nooit met een lijk zien sollen. Zij voelen de huivering voor het lijk. Zij hebben nu nog de gewaarwording die aan Israël door de wetten op het aanraken van een doode levendig werd gehouden. En het is juist in gevoelskringen, die hier niets van verstaan, dat men het lijk bijna vertroetelt, en waant zijn liefde te toonen, door zich over alles heen te zetten, en met een lijk te verkeeren, alsof het nog het levende lichaam was. Maar ook buiten de wetten tegen aanraking van een doode, is geheel het stelsel van wetten op de Levitische onreinheid één doorgaande oudervrijeing omtrent den vloek, die om der zonde wil op heel ons leven rust en alle lijden aankleeft. Zelfs waar zulk een verontreiniging buiten iemands weten hem overkomen was, moest toch het offer ter reiniging volgen. Immers het gold hier niet het gevolg van iemands wilsdaad, maar het onheilig karakter, dat in al het lijden der wereld krachtens den vloek school.

Toch moet erkend, dat zelfs zij, die voor deze ontheiligende beteekenis van den vloek wel terdege nog een open oog hebben, op hun beurt feilen, door deze beteekenis van den vloek geheel willekeurig te beperken. Veelal toch erkent men de werking van den vloek uitsluitend in wat ongewoon, in het oog loopend lijden is, een lijden van een pijnlijk karakter. Men stelt het zich dan voor, alsof eigenlijk ons gewone leven goed en normaal is, en alsof slechts, bij wijze van uitzondering, nu en dan de beker des lijdens rondgaat, en alsof eerst dan, als die beker des lijdens met bitteren wijn gevuld is, de vloek aanwezig is te achten. En dit nu is geheel verkeerd gezien. Al wat wel op deze wereld, gelijk ze nu is, openbaar wordt, maar niet in het Paradijs bestond en evenzoo niet meer denkbaar is in het rijk der heerlijkheid, is een gevolg van den vloek, die over dit aardrijk is gekomen. Zelfs de geboorte van het kind met de smarten des barens maakte de moeder onrein, en ook Maria zocht het reinigingsoffer. Het gaat uit dien hoofde in het minst niet aan, alleen in dood, ziekte, pestilentie of levensramp de werking van den vloek te zien. Die vloek werkt in heel onze levensexistentie en als de elementen woeden, en de stormen aanzwellen, en de golven dood en vernieling dreigen, en de bliksem inslaat, en het roofdier rondsluipt, en het giftig insect u plaagt, en moeheid over u komt, of honger u kwelt, of wat ook in dit aardsche leven in strijd geraakt met uw aanspraak op volkomen welstand, volmaakt geluk, en storelooze vreugde, dan moet van dat alles beleden worden, dat het ondenkbaar zou zijn in het Paradijs, en even ondenkbaar zou wezen in het rijk der heerlijkheid, en dat het alzoo op deze wereld bestaat niet naar scheppingsordinantie, maar als gevolg van de werking van den vloek. In dat alles spreekt toorn, in dat alles openbaart zich de wreedheid die een zondig geworden menschelijk leven aanneemt, en dies ook het onheilige, dat aan dat alles kleeft. Van Jezus belijdt onze Catechismus terecht, dat hij van het begin zijner menschwording af het lijden, en in dat lijden den toorn Gods heeft gedragen. Welnu, dat deed Christus voor ons, want hij stond buiten alle zonde, maar wij dragen den toorn Gods van onze ontvangenis af, en alle dagen onzes levens, van de wieg tot het graf, drukt op dat leven de vloek, en dus het onheilige, datgene waarin én - wazxtegen God toornt.

Aldus bezien begint het vraagstuk dat ons bezig houdt reeds doorzichtiger te worden. Is alle lijden, d. i. al wat ons mensche-' lijk geluk verstoort, uitvloeisel van den vloek, zou het er zonder den vloek niet wezen, en is alzoo de vloek nog steeds in alle smart, in alle lijden, in alle verdriet, en in alle derving van geluk en vreugde nav/erkende, dan springt het in het oog, hoe alle lijden met de zonde in oorzakelijk verband staat, en alzoo in zijn oorsprong iets onheihgs heeft. Dat Jezus de koorts bestraft, dat God het wild gedierte scheldt en dat de dood een vijand Gods heet, die overwonnen moet en zal worden, wordt, dus opgevat, reeds ten deele verstaanbaar. Alles waar vloek aan kleeft, wekt reeds het gevoel van afschuw in ons menschen op; hoeveel begrijpelijker is het dan niet, dat al wat aan den vloek ook maar van verre herinnert, Gode wederpartijdig is. Zelfs in stoffelijken zin nu gaat dit onder menschen door. Ongedierte wekt wel terdege onzen weerzin, we schrikken er van nature voor terug. De ontbinding van een lijk heeft iets terugstootends, een geraamte doet ons bij het zien pijnlijk aan. Pijn schrikt ons af. Het zien van een wonde doet ons zeer. Het blijven bij een bloedige operatie kost overwinnende inspanning. Huidziekten, en dooretterende bloedziekten doen ons onwillekeurig het aangezicht afwenden. De etterstank, die van verzweringen, zoo in-als uitwendig, soms uitgaat, wekt onwillekeurig onze walging. Er zijn er die al zulke doorschemeringen van den vloek noch aanzien noch uitstaan kunnen, en er flauw van vallen, of er van gaan braken. Wie ooit een poklijder, zwart van pokken over het heele lichaam, heeft gezien, weet hoe tegenmenschelijk de indruk is, en, keerde wat God verhoede, de pestilentie of de zwarte dood ooit weder, zoodat de aanblik van deze stuitende ellende meer algemeen werd, men zou het eens zien, hoe diep het weer gevoeld werd, dat in zulke afgrijselijke ziekten een boosaardige macht ons menschelijk leven overvalt.

Dat booze, giftige, onheilige element nu komt in zulke pestilentiën, komt in de ontbinding van het lijk, en komt in sommige ongedierten derwijs sterk uit, dat ieder het merkt, ruikt en tast. Ware dit nu bij alle overig lijden even sterk het geval, zoo zou er geen misverstand bestaan kunnen. Ieder zou terstond doordrongen zijn van de waarheid, dat aan alle lijden vloek kleeft, en de indruk van alle lijden zou rechtstreeks een weerzinwekkende en terugstootende zijn. Dit echter is niet het geval. Er is ook hier, evenals in alle leven, een grove werking, die met de gewone zintuigen valt waar te nemen, en een fijnere, die zich alleen ontdekt voor het gewapend oog. Van een wilde kat die u bijt, ziet ge den boozen kop en de krabbende klauwen, maar als ge door een vliegende mier giftig gebeten wordt, moet ge een microscoop nemen, om de scherpe punten te ontdekken, waarmee u de beet werd toegebracht. En zoo nu ook is het hier. Het weerzinwekkend, afschuw-inboezemend, vloekverradend karakter van alle lijden, komt bij pestilentie enz. zoo duidelijk en klaar uit, dat een ieder het voelt en merkt; maar bij verreweg het meeste lijden, dat de wereld overkomt, merkt ge dit, bij oppervlakkige waarneming, niet. Een pestzieke zal u terstond afstooten, maar een teringlijder kan zelfs iets aantrekkelijks hebben, vooral zoo ge, hem slechts af en toe bezoekend, niet in aanraking komt met wat ook bij tering in het doorweekte bedlinnen en in de bloedkleurige uitwerpselen. het begin der ontbinding verraadt. Zelfs cp het huisHjk gebied gaat dit door. Bij een aardbeving of ontzettend onweder zal de indruk van een dreigende vernielende macht u ontzetten, maar bij een licht jagen van den storm, die toch ook eerst na den val, en om der zonde wil, kwam, kan het drijven der wolken u bekoren. Hoofdzaak is dus maar, dat we den aard, het karakter, de natuur van het lijden niet afmeten naar zijn zwakkere, maar juist omgekeerd naar zijn sterkste uitingen, en uit die sterkste uitingen de vaste overtuiging gewinnen, dat metterdaad het lijden boos van aard, tegen Gods wil, en onheilig van karakter is.

Die slotsom houden we daarom vast in bewoordingen voor ieder verstaanbaar en begrijpelijk. Wat God oorspronkelijk schiep was volmaakt. Uit de schepping Gods vloeide voor den mensch niet anders dan loutere, ongestoorde vreugde en blijdschap. Geen zweem van iets, wat ook, dat lijden veroorzaken kan, was in het Paradijs denkbaar. De ommekeer kwam door de zonde, en de zonde alleen, en de zaak die dezen ommekeer voor onzen gelukstaat aanduidt, is de vloek. Die vloek is alzoo de uitdrukking voor de bron van alle leed, alle smet, alle verdriet, alle pijn, alle derving van vol en waar geluk. En overmits nu alle, versta wel, alle lijden, zonder onderscheid of uitzondering vloek in zich draagt, daarom is alle lijden bezwangerd met iets onheiligs, en moet in alle lijden, dat onheilige, vloekdragende bestraft, en ten doode toe bestreden worden. Alleen zoo is het te verstaan, dat Jezus voor ons den vloek gedragen heeft „van zijn menschwording aan", en alleen zoo begrijpen we, hoe we, door het lijden overkomen en achterhaald, nochtans tegen dat lijden ons te keeren hebben met al de veerkracht, waarmee God ons gewapend heeft, en met al de middelen die Hij in zijn „gemeene gratie" ter onzer beschikking stelt. Het zal dan ook blijken, hoe we alleen langs deze lijn tot het inzicht kunnen komen, hoe God ons met het lijden straft, en nochtans het lijden zelf bestraft als onheilig.

Teekenend in dit opzicht is het, als ge uw Heiland gadeslaat, nadat hij afdaalde van den Thabor, den berg der Verheerlijking. Op dien berg was Jezus een oogenblik onttrokken geweest aan den onheiligen druk van den vloek, die ons menschelijk leven inperkt. Paradijs-oogenbiikken had hij gesmaakt, voorsmaak genoten van het riJK der heerlijkheid dat komt. De druk waaraan hij zich, om onzentwil, onderwierp, de druk van het gewone leven was van hem genomen, en hij had geblonken in heerlijkheid. Doch dit was slechts een verademing voor een oogenblik. Dra keert de druk des lijdens weder, nu zelfs versterkt met „den uitgang, dien hij volbrengen zou te Jeruzalem." En wat is nu het eerste wat Jezus, van den Thabor afdalende, ontmoet.' Ge weet, het is een vader die Jezus' erbarming inroept voor zijn kind, dat zoo bitterlijk leed aan wat wij zouden noemen „vallende ziekte." De man zei het zelf: „Nu eens valt hij in het vuur, en dan weer in het water. Hij schuimbekt, hij knerst met de tanden, hij verdort". Nog op het oogenblik dat ze hem bij Jezus brachten, wentelde de arme knaap zich in zijn stuiptrekkingen als een ellendeling voor Jezus' oog. En wat doet

Jezus nu ? Jezus, zoo lezen we, bestrafte den onreinen geest, en zeide: Ga uit van hem; en het Hjden week. Nu was hier blijkbaar de vallende ziekte in kwaadaardig karakter versterkt. Toen Jezus verschenen was, drong de booze macht sterker op den mensch aan, om Jezus te weerstaan. Vandaar al de bezetenen. Maar zooveel blijkt dan toch, dat al zulk lijden ook in verband staat met de demonenwereld, en dat in zulke krankheden een invloed uit de booze geestenwereld op den mensch uitgaat. Dit nu bevestigt wat we straks vonden. In alle lijden iets van den vloek, in alle vloek iets onheiligs, en nu wordt dit onheilige ons nader verklaard als iets dat in zeker verband staat met de werkingen en invloeden van de wereld der demonen. Zoo leeren we dus in het lijden dat ons menschelijk leven drukt, voorweeën van den dood, openbaring van den vloek, inwerking van Satan zien; en aldus wordt het boos, onrein en onheilig karakter van ons menschelijk lijden ons verklaard. Het wordt ten volle duidelijk, dat in het lijden een Gode-vijandige macht tegen ons o verstaat. Het blijkt, dat God het lijden bestraft en scheldt en bestrijdt en ten slotte te niet zal doen. En zoo wordt onze roeping steeds duidelijker, om tegen alle lijden welbewust den strijd aan te binden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 4 december 1898

De Heraut | 4 Pagina's

Dan de gemeene Gratie.

Bekijk de hele uitgave van zondag 4 december 1898

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken