Bekijk het origineel

Dan de gemeene Gratie.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Dan de gemeene Gratie.

15 minuten leestijd

DERDE REEKS.

LXVII.

Toen deed de Heere zwavel en vuur over Sodom en over Gomorra regenen, van den Heere uit den hemel. Gen. 19 : 24.

Dat de noodzakelijkheid van het lijden uit Gods wil voortvloeit, en dat desalniettemin dit lijden iets is, dat als Gade vijandig tegen Hem overslaat, en diensvolgens bestreden wordt door God zelf, en moet worden door ons, vindt dan, gelijk we zagen, haar verklaring in de Schepping. Door de Schepping zijn krachten en machten in het leven geroepen, die alleen dan ten goede gedijen, als ze zich bewegen in het spoor van Gods ordinantiën, maar die noodzakelijkerwijze in vernielende en verdervende machten omslaan, zoodra ze het spoor dier ordinantiën verlaten. We trachtten dit toe te lichten met het beeld van een trein die ontspoort, en nu vernield wordt door diezelfde kracht van den stoom, die hem anders naar de plaats zijner bestemming zou hebben geleid. Een trein die ontspoort, moet in ellende komen, en zoo ook, als de trein van ons menschelijk leven ontspoort, kan de ellende niet uitblijven. Intusschen drukt dit beeld slechts ten deele de ontzettende waarheid uit, waarmee we hier te doen hebben. Een spoortrein die afrijdt, is en blijft menschenwerk, onder menschelijk bestel. De krachten van stoom, en van volharding in eenmaal begonnen beweging, waarmee de leider van zulk een trein, bij ontsporing, te worstelen heeft, zijn natuurkrachten, die niet uit zijn wil voortkomen, maar waaraan zijn wil onderworpen is. Bij zulk een ontsporing van een voortsnellenden trein, kan men dus nooit zeggen, dat de machinist of conducteur de vernieling van materieel en menschenlevens, in geval van ontsporing, gewild heeft. Integendeel hij wil ze niet, maar ze overkomt hem, des ondanks, tegen zijn wil in. Er heerscht hier een noodzakelijkheid, die hij niet in het leven riep, maar die hem beheerscht.

De Heere onze God daarentegen staat tegenover den trein des menschelijken levens geJieel anders. Voor Hem bestonden er, toen Hij den trein van dit ons leven ineenzette en uitzond, geen machten noch krachten waarnaar Hij zich te schikken of te regelen had, en dus evenmin krachten of machten, die zijns ondanks, zoo die trein des levens ontspoorde, hem vernielen en verderven moesten. Alle krachten en machten des levens schiep God zelf. Hij zelf riep ze in het leven, en dat wel op zulk een wijs en in zulk een orde als eisch was, om dien trein des menschelijken levens op het snelst en zekerst die bestemming te doen bereiken, die Hij zelf daarvoor verordend had. Dit doet alzoo de vraag rijzen, of die gang van ons leven niet aldus ware te ordenen en in te richten geweest, dat, ook al volgde er ontsporing, toch de vernieling, de verderving, de ellende des lij dens ware uitgebleven. Want, natuurlijk, had God dat gewild, het zou alzoo geschied zijn. „Zijn raad zal bestaan, en Hij zal al zijn welbehagen doen." Nu het bij de uitkomst anders bleek, en terstond op de ontsporing de bittere vernieling en de ontzettende ellende volgde, staat aldus vast, dat dit alzoo Gods wil was, dat Hij het zóó en niet anders door zijn eigen Goddelij ken wil vastgesteld en bepaald heeft. Het greep aldus niet bij ongeluk plaats, of omdat God het niet verhelpen kon, maar het was Gods regelrechte wil en bedoeling, dat de trein onzes levens, zoodra hij uit het Goddelijk spoor gleed, zichzelf moest vernielen.

Wat meer zegt, nooit kunnen we God voor die noodzakelijkheid der ellende en der zelfvernieling, bij het uitglijden uit het Goddelijk spoor, genoeg danken. Stel u slechts voor, wat het geweest zou zijn, zoo de ontspoorde trein des levens veilig had kunnen doorgaan. Het zou dan geworden zijn één eindeloos afwijken van het Goddelijk spoor, één steeds machtiger uitbreken van ongerechtigheid, één rusteloos verder afgaan van de gemeenschap met onzen God; kort gezegd alzoo één doorloopende triomf van zonde en Satan. Een wereld, een menschelijk leven, een menschelijk hart, dat ten slotte voor eeuwig zonder God was. Al wat God schiep in één hel ' verkeerd; de hel geworden tot het éénig bestaande. De wil Gods dat alle ontsporing zich in zelfvernieling zou en moest wreken, was alzoo in den grond niet anders, dan de wil Gods om zijn bestel in zijn ordinantiën te handhaven, en niet te kunnen noch te willen dulden, dat een ander bestel, rustende in andere ordinantiën, hiervoor in de plaats drong. De krachten en machten des levens, die Hij als God in het leven riep, zouden werken, gelijk Hij het verordend had; en zoo niet, dan moest terstond gevoeld worden, hoe die krachten ophielden te zegenen, en in stede daarvan vernielden en verdierven. Er gloeide in die krachten een vuur, waarmee geen creatuur spelen zou. Dat vuur kon ons leven door zijn gloed ontwikkelen, maar ook, zoo het dit niet deed, zou datzelfde vuur ons zengen en schroeien. De wil Gods, dat de trein des levens, zoo hij ontspoorde, zichzelf vernielen zou, was niets dan de wil Gods om God te blijven. Het: „Ik zal zijn, die Ik zijn zal." De uit­ drukking in de scheppingsorde van het volheerlijke JEHOVA. Die alles beheerschende wet, die onverbiddelijke noodzakelijkheid strekt alzoo rechtstreeks, i.\\ om de eere Gods, én om het heil des menschen te verzekeren. Zonder die wet, zonder dien wil, zonder die noodzakelijkheid, zou Jehova in zichzelf ontbonden, en ons leven één hel zijn geworden. De krachten en machten des levens konden en mochten bij ontsporing, niet tot stilstand of werkeloosheid worden gebracht. Dat ware een terugnemen van de Schepping geweest. Ze moesten krachten en machten blijven, krachten die haar werking openbaarden. En daarom moesten ze in haar tegendeel omslaan. Wat geschapen en bestemd was om te zegenen, moest nu uitkomen in ramp en ellende.

En hierin ligt tevens het oordeelend en straffend, het vergeldend en wrekend karakter van deze wet en dezen wil Gods. De ontsporing van den trein des menschelijken levens kon niet anders dan door een daad des menschen plaats grijpen, en die daad kon niet tot stand komen dan met opzet, met bewustheid gewild en bedoeld. Men versta dit niet verkeerd. Het opzet was in het minst niet, om den trein des levens te doen verongelukken. Adam heeft in het minst niet de ellende gewild. Integendeel zijn bedoeling was, om den trein des levens nóg gladder, nóg sneller te doen voortsnellen, en een nóg uitnemender bestemming te doen bereiken. Hij heeft niet geloofd, dat de ontsporing tot een ramp zou leiden, en hij hield het er voor, dat afgaan van het spoor den goeden gang van den trein des levens juist bevorderen zou. God sprak: Ontsporing leidt tot zelfvernieling. Satan sprak: Die rails, die God u aanwees, hinderen u, ze houden u op. Verlaat die rails, en glijd vlak over de velden heen. Dan eerst zult ge eens zien, hoe ge vooruit komt. En toen heeft Adam, het voor waar gehouden, dat die rails, die ordinantiën Gods, wezenlijk niet strekten, om hem vooruit te helpen, maar zijn gang ophielden en vertraagden. En toen heeft hij tot zichzelven gezegd: Ik ga van die rails af. Over het vlakke veld zal ik zelf in vrijheid mijn weg zoeken. Zoo heeft hij dan wel waarlijk met opzet den trein van ons menschelijk leven uit het Goddelijk spoor uitgewrongen, en gewild en bedoeld, dat die trein uit dat spoor zou uitgaan. Natuurlijk, dat hij toen verwachtte, nu zooveel sneller en beter vooruit te zullen komen. En dat toen toch het ongeluk plaats greep, en heel de trein stuk reed en zich in den grond werkte, dat was de ontzettende ontnuchtering van den schuldigen mensch, die nu in het bloed zijner ziele ontdekte, dat God toch waarlijk de waarheid had gesproken, en dat hij, machteloos tegenover dien vernielenden levenstrein staande, met geen jammeren en met geen hartdoorsnijdend berouw, dien trein weer in het Goddelijk spoor kon brengen. Hij zag dien vernielden trein, hij zag die glanzende rails van Gods ordinantiën daar voor zich liggen, maar geen menschelijke macht kon trein en rails weer in elkaar passen.

Hier was dus schuld. Schuld van opzet. Een opzet, om van God af en tegen God in te gaan. En deswege v/ordt de zelfvernieling, die onmiddellijk volgt, niet alleen een ontnuchtering, maar een wroegend zelfverwijt tevens. Hij voelt den toorn Gods. Hij ondergaat een oordeel. In de zelfvernieling treft hem de straf. Daarom verbergt hij zich, en daarom was het, dat hij, gelijk onze Confessie het zoo roerend uitdrukt, al bevende voor God vlood. Was dit nu inbeelding .' Had God wel die zelfvernieling, maar niet die wroeging, niet dat gevoel van toorn of oordeel bedoeld.' Zoo leert men het tegenwoordig. Maar laten zij die dit vermetele zeggen aandurven; en onder het gezag van Ritschl's grooten naam, vindt dit vermetele zeggen nu reeds onder alle volkeren zijn echo; laten zij ons antwoorden, hoe dan dit besef, dit gevoel, deze zielsgewaarwording in Adam ontstond. Toch immers uit zijn natuur. Niet gemaakt, maar met noodzakelijkheid, gelijk ze dan ook, eeuw uit eeuw in, zich telkens weer in het schuldig menschenhart herhaald heeft. Minder bij de oppervlakkigen, maar met ontzettenden ernst bij de besten, bij de edelen, bij de diepst levenden van ons geslacht. Bij een David, bij een Jesaia, bij een Paulus, bij een Augustinus, bij een Luther, bij een Calvijn. Dat is dan toch uit 's menschen aard en 's menschen natuur op-en voortgekomen; en even zeker als ge met schrik en wezenlijke gewaarwording van pijn uw hand terugtrekt, als ge, wanende dat het vuur uit was, den brandenden oven aangreept, even gewisselijk voelt ge een ivezenlijke gewaarwording van den toorn en van het oordeel Gods, als ge, na booze zonde, de zelfvernieling in uw wezen ontwaart. En, is dit nu zoo, is dat gevoel van schuld, van wroeging en van zelfverwijt, noch gemaakt noch ingebeeld, maar wezenlijk uit uzv menschelijke natuur opkomende, zeg ons dan: Wie heeft die men.schelijke natuur alzoo besteld, ingericht en geschapen.?

En 'indien ge dan wel moet belijden: „Dat deed God!" hoe zult ge dan nog staande houden, dat God zelf onze ellende, die regelrecht uit de zonde voortvloeit, niet als straf bedoeld heeft, er niet in toornt, en er geen oordeel in over ons brengt.''

Van dien éénen kant is alzoo de wil Gods klaar als de dag. God wil, dat het afgaan van het door Hem in zijn ordinantiën ge­ legde spoor, terstond op zelfvernieling en ellende uitloope. En zoo ook, God wil, dat we deze ellende als straf, als openbaring van zijn toorn, en als een oordeel, dat over ons gaat, ontwaren zullen, en alzoo de zelfvernieling smaken zullen tot in het diepste van ons eigen zelfbesef.

Doch bezie nu de zaak van den anderen kant. Is die zelfvernieling, is die ellende, is dat verzinken onder den vloek Gods eigenlijke bedoeling geweest.-' Is het dat wat Hij met zijn schepping voor had.' Riep Hij daartoe die schepping, en in die schepping zijn menschenkind in het leven.? Had Hij daartoe die krachten en machten verordend en tot aanzijn geroepen.? En ge antwoordt even stellig: Neen. Zeker, God heeft dat alles ontwijfelbaar en stellig gewild, zoo de trein des levens ontspoorde, maar niet opdat hij ontsporen zou, zond Hij hem uit. Integendeel, het doel der Schepping was, dat de uitgezonden trein des creatuurlijken levens een bepaalde bestemming zou bereiken, en dat die bestemming overvloeiende van heerlijkheid zou zijn, en dat Hij in het voleinden van dat heerlijke, zich zelven zou verlustigen. Die ellende, die vloek, die zelfvernieling nu, staat hieraan in den weg. Ze is het tegendeel van het doel, waarmee God alle dingen tot aanzijn riep.

Blijft het daarbij, dan is het doel der schepping verijdeld. Üit de ééne schepping vloeit dus tweeërlei voort. Eenerzijds dat ontsporing op zelfvernieling moet uitloopen. Maar ook anderzijds, dat die zelfvernieling der ellende een feit, een macht, een ontzettende werkelijkheid is, die God moet te keer gaan, die Hij bestrijden en ten slotte te niete moet doen, om wat Hij schiep, te leiden tot het door Hem bepaalde doel. De schepping is wezenlijk, en daarom moeten de krachten, die ze tot aanzijn riep, zoo ze verkeerd gaan, vernielend werken. Maar ook de schepping heeft een bestemming, en omdat de zelfvernieling tegen die bestemming ingaat, gaat ze tegen God in, en deswege heet de Dood een vijand, een vijand die bestreden, en ten slotte door God te niet gedaan moet worden. Zoo blijkt dus, dat hetgeen eerst scheen te strijden, wel waarlijk in heilige harmonie is, en dat beide, én Gods wil, dat er bij ontsporing zelfvernieling zal volgen, én dat die zelfvernieling Gode vijandig is, en door Hem te niet gedaan moet worden, saam uit de ééne daad der schepping voortvloeien, en beide van de natuur dier schepping onafscheidelijk zijri, zoodra men slechts die schepping als een wezenlijke daad Gods verstaat, waarin zijn heilige wil tot uitdrukking kwam.

In verband hiermede lette men men op wat in Gen. 19 : 24 staat van Sodoms on-

dergang. We lezen daar: „Toen deed de Heere zwavel en vuur over Sodom en over Gomorra regenen, van den Heere, uit den hemel." Ontegenzeggelijk toch ligt in deze uitdrukking, de aanwijzing van een tweeërlei werking, die van God uitgaat. Er is eenerzijds „de Heere uit den hemel, " van Wien de vernieling over Sodom en Gomorra uitgaat. Maar er is ook anderzijds „de Heere", die aan Abraham verschenen was, en gezegd had: „Ik zal haar niet verderven, indien er maar tien rechtvaardigen in haar gevonden worden." Van den éénen kant alzoo de hoogheid Gods, die de zelfvernieling wil en werkt, maar ook van den anderen kant de tegen de vernieling ingaande ontferming, die, als het kon haar wil stuiten.

Toch zijn die beide één. Het zijn niet twee Heeren, maar het is beide malen: E HEERE, met denzelfden naam en dien naam uitgedrukt geheel op dezelfde wijze. Maar dan is het ook duidelijk, dat we hier een openbaring hebben van tweeërlei wil in God. Eenerzijds de openbaring van zijn wil, om zonde door zelfvernieling te laten achtervolgen, en anderzijds de openbaring van zijn wil, om de vernieling tegen te gaan. Want wel is het zoo, dat het Abraham is, die de behoudenis van Sodom afsmeekt; maar wie zou dat anders willen verklaren, dan dat „de Geest der gebeden" hem in het hart was gestort; en ook afgezien hiervan, was het toch de Heere die zijn wil openbaarde, om, werden er nog tien rechtvaardigen in Sodom gevonden, de vernieling van Sodom af te wenden. En als nu toch het oordeel over Sodom komen moet, dan staat er uitdrukkelijk, dat de Heere wiens de ontferming was, het oordeel^ wel ten slotte komen laat, maar niet als uit' zich, maar van „den Heere, uit den hemel". Men heeft dit wel van den Middelaar en den Vader willen verstaan, en ongetwijfeld straalt ook in die tegenstelling gelijke tweeheid door; maar dit verklaart Gen. 19 : 24 niet. Er is hier toch sprake van wat onze vaderen noemden een „uitgaand werk" des Goddelijken doens, en steeds moet volgehouden, dat alle uitgaande werken aan den Vader, Zoon en Heiligen Geest^gemeen zijn, of wel ge vervalt aanstonds in drie-Godendom. De tekst zelf eischt dat dan ook. Immers het is niet de Heere, die aan Abraham verscheen, die het kwaad van Sodom wil afwenden, & xs.de Heere, uit den hemel, die het toch brengt.

Eer omgekeerd staat er, dat de Heere die aan Abraham verscheen, en in Wien de ontferming zich openbaarde, zelf zwavel en vuur over Sodom en Gomorra deed regenen.

Het is alzoo de HEEREinzijn volheid, maar van Wien tweeërlei wilswerking hier openbaar wordt. Zoowel van den éénen kant, om Sodoms zonde met zelfvernieling te oordeelen en te straffen, als van den anderen kant de wil, om Sodoms zelfvernieling tegen te houden, te stuiten, en te voorkomen, indien er in Sodom nog een genoegzaam aanknoopingspunt voor zijn ontferming mocht te vinden zijn.

En zegt men nu, dat dit alles toch alleen in de voorstelling plaats greep, want dat het Gode vooruit bekend was, dat zelfs die tien rechtvaardigen in Sodom niet gevonden werden, dan geven we dit grif toe, maar dan merke men er op, dat de Schrift ons tot onze leering en vertroosting is gegeven, en dat ook de verschijning aan Abraham ons overgeleverd is, ons tot een openbaring, opdat wij aldus in het geheimnis van het Goddelijk doen zouden worden ingeleid en uit het toen gebeurde en hier verhaalde een inzicht zouden erlangen in al zulk doen Gods in het gemeen, met heel ons geslacht, en ook met ons persoonlijk. Juist daarom hebben we dan ook het recht niet alleen, maar zelfs den plicht, om al zulke opmerkelijke uitdrukkingen in de Heilige Schrift op te vatten als van diepere beteekenis. En dit nu doende, kan men tot geen andere slotsom komen, dan dat de HEERE, die hier aan Abraham verscheen, en, kon het, Sodom sparen wilde, onderscheiden wordt van dienzelfden HEERE, van Wien de macht ter vernieling werkelijk uitgaat; waaruit volgt dat, overmits het beide malen dezelfde Heere is, tweeërlei wil Gods hier tot uiting komt. Eenerzijds een wil, die Sodoms vernieling eischt, en anderzijds een wil, die Sodoms vernieling wil tegen houden.

Het vraagstuk, waarvoor we stonden, achten we hiermede opgelost, en thans kunnen we verder. God wil „de ellende", en wel als straf, als vloek, als oordeel. En toch voor God is die ellende, die vernieling van zijn schepping iets dat ingaat tegen de bestemming, waarmee Hij ons het aanzijn gaf, en dat Hij deswege als een Hem vijandige macht en werking bestrijdt en te niete wil doen. Ontferming nu wordt dit laatste, overmits God zijn schepping, zijn Goddelijk kunststuk, en in die schepping den mensch, als drager van zijn beeld, liefheeft met een eeuwige liefde, en het dus die liefde zelve is, die dringt, om deze schepping niet aan de vernieling ter prooi te laten, maar aan die zelfvernieling te ontrukken. De eere Gods, die eischt dat zijn schepping haar bestemming bereikt, en de liefde Gods, die zich over zijn schepsel ontfermt, zijn hier één.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 18 december 1898

De Heraut | 4 Pagina's

Dan de gemeene Gratie.

Bekijk de hele uitgave van zondag 18 december 1898

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken