Bekijk het origineel

Uit de Pers.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Uit de Pers.

7 minuten leestijd

De eigenaardige manier, waarop Ds. Wolf, predikant bij de Gereformeerde kerk van Brussel, door den Brusselschen predikant v. d. Brugghen werd „verwelkomd" geeft K. te L. aanleiding tot een schrijven in de Friesche Kerkbode over „ons Lijden", dat we hier laten volgen:

In de kringen, waarin men zegt het Gereformeerde vaandel hoog te willen houden, door in de Staatskerlv te blijven wonen, kan men zoo nu en dan een zekei-en spottoon beluisteren over het «zoogenaamde lijden" dat de ssectarische Gereformeerden" te dragen hebben. Het is een spot, die herinnert aan het giggellachje, waarmede de heeren in de sociëteit bij een glaasje bitter zich vroolijk maken over de «lange gezichten en jeremL-ides der fijnen." Boerenbedrog, weet ge, anders niet; een willen poseeren als martelaar om de oogen der goegeloovige gemeente te verblinden, maar waar geen greintje echt lijden mee verbonden is.

Zoo had onlangs Dr. Visscher de vriendelijkheid in het Gereformeerde Weekblad ons aan de kaak te stellen, waarbij dan nog kwansuis de medelijdende opmerking werd gevoegd, die op die wijze geuit veel kreeg van een laffe personaliteit: of wellicht Dr. Kuyper te Leeuwarden bijzonder onder dat lijden gedrukt ging. En omdat wij het beneden onze waardigheid achtten op zulke argumenten te antwoorden, werd de groote trom geroerd en den volke kond gedaan, dat wij den aftocht hadden geblazen.

Maar nog fraaier maakte het dezer dagen Ds. van der Brugghen, predikant bij de Vlaamsche afdeeling der Belgische Zendingskerk te Brussel.

Ds. Wolf van Maasland, een man, algemeen geacht om zijn eerlijk en trouw karakter, verliet een bloeiende gemeente om de kleine Kerk te Brussel te dienen. In België, het land der martelaren, het land waar Guido de Brés woonde en werkte, onze geloofsbelijdenis het licht zag, onze eerste Synodes onder het kruis werden gehouden, moest de zuivere Gereformeerde waarheid weer gepreekt en de Gereformeerde kerkinrichting vveer openbaar worden.

Men beluistere hoe vriendelijk Ds. van der Brugghen in deze Roomsche stad zijn mede-dienaar in het Evangelie oegroette. Hij schreef in zijn blaadje Het Lampje als volgt:

Een ivolf in de schaapskooi van Brussel.

Zijt gij bang voor hem? Schrijft de wijsheid voor, ons op een afstand van hem te houden ? Zullen wij afwachten dat hij tot ons komt ? En ons voornemen, voor en aleer hij dat bewijs van

zijn respect en genegenheid gegeven heeft, niet tot hem te gaan?

Jezus gebiedt zijn discipelen; «wacht u voor de valsche profeten, dewelke in schaapskleederen tot u komen, maar van binnen zijn zij grijpende wolven." Maar deze predikant komt niet alzoo.

Hij zegt; ik ben Wolf, Zóó is mijn naam.

Hij heeft den mond opengedaan, maar ik zag geen verscheurende tanden.

Hij sprak over Ps. 123. Hij zette zich in den stoel «verdrukking". Niet dat hij anderen wil verdrukken, maar hij voelt zichzelf een verdrukte.

Ik dacht bij mij zelven: met de macht van 't huis van Deth achter zich en zulke schoone salons tot preekzaal, — schijnt mij de verdrukking nog alleszins dragelijk.

Doch. laten wij hem uit de verdrukking opbeuren. Voor zooveel menschen daaraan iets bijdragen kunnen. Door hem een vriendelijk gelaat te loonen. Ik zou er voor zijn, hem te inviteeren in onzen predikantenkring. Bewijzen wij hem, dat wij zitten in den stoel «Evangelie".

Evangelie dat is blijdschap over de vergiffenis, welke God ons door Christus geschonken heeft.

Evangelie is overwinning. Overwinning van alle moeielijkheden, overwinning van alle dogmatisch verschil, overwinning van alle onedelijke bedoelingen, overwinning van allen naijver.

Evangelie! Godsstem! maakt mij zoo gelukkig, dat er geen schaduw van naijver overblijft. Waarom zouden wij Wolf vreezen ? Omdat wij bang zijn dat de ongeleerde, zwakke schapen van ons weg en tot hem loopen zullen. Zal en

moet ons dat niet bedroeven, als 't gebeurt? Zeker. Doch Jezus zeide, toen hij zijn vrienden zag heengaan, tot de overgebleven twaalven; «wilt gijlieden ook niet heengaan."

Die in Christus gefundeerd zijn, blijven bij Christus.

Hij moet wassen - ~ wij predikers en evangelisten behooren allen nederiger te worden.

Zooals ik zeidc, ik heb de Intreepreek gehoord.

En een onzer comiteitsleden heeft de bevestiging bijgewoond.

Ook heb ik Ds. Wolf in zijn eigen huis opgezocht. Is hij van zijn kant mijn broeder niet ? ik ben toch zijn neef.

v. D. B.

De verdere pennestrijd, die dit schrijven uitlokte, laten wij thans in het midden. Voor ieder onpartijdig lezer zal het wel duidelijk zijn aan wiens zijde in dezen strijd de overwinning door christelijken ernst en ootmoed is behaald geworden.

Maar wel is van belang, dat goed en helder worde ingezien, wat door ons bedoeld wordt, wanneer wij klagen over het lijden ons aangedaan.

Deze klacht raakt niet onze eigen personen. De vraag of wij in «salons" preeken of in «schuren", of \yij, predikanten den steun hebben van machtige families, of alleen kunnen omgaan met armen naar de wereld, heeft niets met dit lijden te maken. Eer­ lijk bekend, schrijver dezes heeft vaak in een schuur met meer genot gesproken dan in een fraai kerkgebouw, zich meer op zijn gemak gevoeld in de woning van een eenvoudige dan van zeer hooggeplaatsten. Ook al wil hij daarmede niets te kort doen aan de waarheid, dat het een zegen is, als God rijken en edelen aan Zijn Kerk schenkt, die voedsterheeren der gemeente kunnen worden.

Maar wel raakt deze k'acht de positie, die wij als Gereformeerden in het land innemen. De kerkgebouwen van rechtswege .ons toekomende, zijn ons ontnomen. De financieele last, waaronder menige gemeente vooral in Friesland gebogen gaat, wegens predikants-tractement, rentebetaling en schuldaflossing wegens kerkbouw, onderhoud der armen enz., is drukkend genoeg. De heeren, die in de Herv.

Kerk van den Staat hun tractement ontvangen, de kerkgebouwen in hun bezit hielden, naar de armen nauwelijks omzien, voor zooverre niet Godshuizen met reusachtige kapitalen door onze voorvaderen saamgebracht in den nood voorzien, de? , e heeren hebben wel het recht meesmuilend te vragen, na ons naakt aan den dijk te hebben gezet: waarin dan nu eigenlijk ons lijden bestaat? Het maakt zoo den indruk van twee broeders, die saam een winkel dreven met een groot kap.taal. De eene broeder wierp den ander met onrecht den winkel uit.

En als nu de uitgeworpene met een geleend som metje, probeert een nieuwe zaak op te zetten, dan komt de man, die alles in bezit hield, den nieuwen winkel inspecteeren en zegt u honingzoet: Neen, maar waarlijk, ge hebt het hier wonder aardig en dat ge nog te klagen durft is zonde en schande.

En dat is nog maar één lijden, dat den meer gevoelige en beschaafde niet het meest weegt. Er is ook een ander lijden, niet financieel maar geestelijk, dat nog bitterder krenkt. Een lijden bestaande is die zekere afkeer, dien al wat hoog en aanzienlijk is zoo duidelijk uit tegenover de Gereformeerden, vooral tegenover de vroegere doleerenden, Zeide niet eens een zeer «fatsoenlijke'' dame, toen ze merkte dat haar dochter naar de Gereformeerde Kerk ging bij ondergeteekende: ik heb nog liever dat ge naar het bordeel gaat dan naar de doleerende Kerk?

Dat «doleerend" is evenals vroeger «afgescheiden" een woord, voldoende om iemand op maatschappelijk gebied als een «melaatsche" onrein te verklaren. Men dingt naar een burgemeestersbetrekking; men wordt voorgesteld als candidaat voor de Staten van Provincie of Rijk — men is «doleerend"; met dat ééne woord is het vonnis geveld.

Ge moogt overigens een lief mensch zijn; op uw gedrag is niets aan te merken; ge zijt wetenschappelijk ontwikkeld; ge kunt, wat gaven van verstand betreft, mee wedijveren - maar ge zijt «doleerend" en daarmee is het uit.

Behoeft deze lijst van grieven nog te worden aangevuld met de kleinere speldenprikjes; met de eindelooze plagerijen van magistraatspersonen, die nog altijd maar niet begrijpen, dat er een Gereformeerde Kerk bestaat en hardnekkig op verhuisbiljetten enz. «doleerend" invullen; met uitdeelingen van algemeene giften, waarbij alle armen worden bedacht, alleen, stelselmatig, de Gereformeerden niet; maar waar zou dan het einde zijn?

Ja, er is een worsteling noodig om niet separatistisch te worden; zich niet op te sluiten in eigen kring. Een worsteling om toch te trachten, als volksgroep, invloed uit te oefenen op het leven van onze natie en daar de plaats in te nemen, die God ons schenkt.

Is het niet grievend voor wie iets van dit lijden, dit financieele en geestelijke lijden der Gereformeerden kent, wanneer zij, die zich broeders noemen, dan nog met deze onderdrukking den spot drijven, omdat er geen kerkers meer ontsloten en geen brandstapels meer aangestoken worden ?

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 25 december 1898

De Heraut | 4 Pagina's

Uit de Pers.

Bekijk de hele uitgave van zondag 25 december 1898

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken