Bekijk het origineel

De medicijnmeester

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

De medicijnmeester

4 minuten leestijd

Onze Heiland, zoo zegt men, heeft gezegd: Die gezond zijn hebben den medicijnmeester niet van noode, maar die ziek zijn.

Derhalve, zoo 'leidt men hieruit af, m.ag een arts niets doen aan een gezond lichaam, en heeft hij uitsluitend het recht om medicijnen toe te dienen aan een ziek mensch.

De inenting nu wordt toegepast op iemand met een gezond lichaam. Ze wordt verricht door een arts.

Alzoo is de koepokinenting in strijd met de door Jezus gpgevene ordinantie, en uit dien hoofde ongeoorloofd.

Aldus de r: deneering.

Hiertegen nu merken we op:

Ten eerste, dat Jezus in Matth. 9 : 12 geen ordinantie hoegenaamd geeft voor wat een arts doen of laten moet, noch ook een regel aangeeft voor de gevallen waarin men wel, en de gevallen waarin men niet een arts gebruiken mag.

Als zoodanig zou die ordinantie ook niet juist zijn. Er zijn tal van gevallen, waarin een gezond mensch wel terdege een arts van noode kan hebben. Iemand b.v. die in den dienst der Zending naar heeter luchtstreek wil gaan, is verplicht zich vooraf door een arts te laten onderzoeken, of hij tegen het klimaat bestand zal zijn. Stel nu, de uitslag van dat onderzoek bewijst, dat hij volmaakt gezond is, en alzoo gaan kan; dan was toch deze volmaakt gezonde man verplicht de hulp van een arts in te roepen.

Doch gelijk gezegd, het uitgangspunt zelf is valsch. Jezus geeft hier geen ordinantie. Integendeel, Jezus handelt van heel iets anders dan van lichamelijke kranken. Hij spreekt over zichzelven als Medicijnmeester der zielen. En nu wijst hij, met het oog op zijn tegenstanders, eenvoudig op ee7i bekend en notoir feit, zonder ook maar eenigszins over dat feit een oordeel te vellen, in hoeverre het een regel stelt, die al-dan niet absoluut doorgaat.

Als een medicijnmeester zijn tijd bij de gezonden ging verpraten, en de zieken hulpeloos liggen liet, wil Jezus zeggen, dan zoudt ge dat zelf afkeuren. Welnu, ik ga naar de geestelijk kranken, naar de zondaars en tollenaars, en verpraat mijn tijd niet met u, die uzelven immers voor geestelijk gezond lioudt. Hoe ter [wereld kunt ge dit dan in mij afkeuren, terwijl ge het in den arts van het lichaam omgekeerd zoudt afkeuren, zoo hij anders deed

Heeft Jezus, als Medicijnmeester der zielen, daarom nooit anders dan met „zondaars en tollenaars" zich ingelaten.?

Heeft Jezus, daarom nooit hen, die zich zei ven voor geestelijk gezond hielden, pro phylactisch tegen dreigende zonden gewaarschuwd

Heeft Jezus Petrus geen geestelijk medicijn toegediend, eer hij zelf ook nog maar van verre aan verloochening van zijn meester dacht?

Heel Jezus' spreken van den medicijnmeester heeft dan ook zoo weinig destrekking, om een medischen regel te stellen, dat hij veeleer, scherp ironisch, zijn tegenstanders wil doen gevoelen, ' dat ze zichzelven wel voor geestelijk gezond houden, maar dat er geen geestelijk gezonden in abstracten zin zijn, en dat allen, en dus ook zij, hem den Medicijnmeester, zonder uitzondering, van noode hebben.

Wil men dit nu nochtans ook op de lichamelijke krankheid doen slaan, dan moet natuurijk ook hier opgemerkt, dat heel de voorstelling valsch is, alsof de één absoluut gezond zou zijn, en de andere absoluut ziek.

Ook in onze dusgenaamd gezonde dagen, dragen we allerlei kiemen van komende ziekten in ons om. Denk maar aan de kankerlijders, aan teringlijders enz. Maak nu eens uit, hoe lang deze kranken, ook reeds in die dagen, toen ieder ze voor gezond hield, en ze zichzelven niet anders dan als volmaakt gezond beschouwden, met de doodelijke kiem in het cellen weefsel of in de long omliepen.

Waar nu Jezus zeer bepaaldelijk van geestelijk kranken handelt, die zichzelven voor gezond hielden, moet men alzoo bij toepassing op het lichamelijke juist zulke gevallen in het oog vatten.

De vraag moet dus in casu gesteld, of een dusgenaamd gezond kind al dan niet in zijn bloed of in zijn cellenweefsel iets in zich omdraagt, waarop de pokkenbesmetting vat zou hebben. En bleek dit zoo, en wist een arts een middel, om dit gevaarlijke in zijn bloed of cellenweefsel te vernietigen, dain zou het zijn plicht zijn, om, werd zijn hulp ingeroepen, dit te doen.

Het woord van Jezus, waarop men weèS, ^ zou dan zelfs juist zijn volle en letterlijke toepa.ssing vinden.

Of dit nu metterdaad bij de inenting al dan niet het geval is, laten we geheel in het midden.

Dit geldt een medische quaestie, waarover aan ons blad geen oordeel toekomt, maar er blijkt dan toch uit de juiste uitlegging van Jezus' woord, gelijk het verband dit uitwijst, dat het glad verkeerd is, zich op dat woord van Jezus, als sloot het alle prophylaxe uit, te beroepen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 5 maart 1899

De Heraut | 4 Pagina's

De medicijnmeester

Bekijk de hele uitgave van zondag 5 maart 1899

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken