Bekijk het origineel

„Opgewekt naar de Schriften.”

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

„Opgewekt naar de Schriften.”

14 minuten leestijd

[P A S C H E N],

Kil dat hij is opgewekt ten derden dage naar de Schriften. I Cor. 15 : 4c.

Die arme wereld!

Ze heelt geen Feest der Opstanding meer. Voor Immanuël die verrees, is alle hymne in haar feestzalen verstomd. Geen Paaschbloem mag op haar velden meer ontluiken. Al wat ze nog van het aloude hoog Getij van de Christenheid overhield is.... „Faasch-twee, " om zich te vermeien in dartelheid.

Of ge in Gereformeerde of in Luthersche, in Roomsche of in Grieksche landen komt, maakt geen verschil. Overal waar de „verlichting" doordrong, trok een sombere wolk over het leven en hulde men zich in het donker van den dood. De kleine kinderen geloovcn nog in het graf dat geopend werd. Ook doen het de landlieden nog in meer afgelegen hoeken. En voorts heeft God de Heere onder alle volk nog „de zijnen, " een „klein kuddeke" dat de getrouwigheden bewaart, en leeft uit Jezus' Opstandingsleven. Maar bij de groote menigte is, heel Europa over, het Paaschgeloof in de laatste kwarteeuw radicaal uitgesleten. De wijzen dezer eeuw gingen voor, de geleerden volgden met starenden ernst, en toen het door deze leidslieden op het pad der wetenschap was uitgemaakt, dat elk wonder ongerijmd, en dus ook het wonder van Jezus' Verrijzenis uit den dood een legende was, hebben de twecde-hand-geleerden, met al wat verlicht en wat beschaafd was, Faschen uitgeluid, en met heesche keel zong Jan Rap het na en meê, dat we van Paschen, altoos behoudens den uitgangsdag, nu af waren.

Ga in onze groote steden de straten en grachten dan ook maar langs, en klop aan waar de toongevende klasse woont, en zoo ge er op de tien huizen nog één vindt, waarin men op Paschcn in dank en aanbidding voor Jezus' Opstanding uit de dooden nederknielt-, zult ge uw stoutste verwachting overtroffen zien.

Men is er overheen. Men trotseert er den dood. Sterven moet een ieder toch. Welnu, laat men dan philosophisch sterven. Dan bukt men voor de natuurnoodwendigheid. Of er aan de overzij van het graf nog iets kotnt, niemand weet het. Een rampzaligheid is er stellig niet. Waartoe zou men dan vreeze kennen.? En als protest tegen die vreeze maakt men al vast het graf onder bloemkransen onzichtbaar, tot straks de doodgraver de verflenste bloemen op de vaalt werpt.

Uw hart beeft er bij als ge het indenkt. En toch, zóó en niet anders is het. De dood drukt aller einde, en toch heeft de wereld moedwillig de lampe der Opstanding uitgeblazen.

Philosophisch sterven en aesthetisch begraven worden, werd het geheim van de matte berusting, waarin de ontkerstende wereld, zich bij den gedolven grafkuil

Liefst zag ze zelfs dien grafkuil verdwijnen, en dan keert ze tot de lijkverbranding der aloude heidenwereld terug.

Het verloop der historie is daarbij aangrijpend.

Het Paradijs ging weg, en de dood kwam, en toen hebben de volken en natiën eeuw in eeuw uit, gepeinsd, gezonnen om over den dood te zegevieren. In het oude Egypte met zijn heerlijk doodenboek, en in zijn „eeuwige grafsteden" met het verduurzaamde lijk in de sarcophaag, scheen de triomf behaald te zijn.

Maar de doode stad bleef een stad van dooden. Het leven ruischte er niet. En weer ging in somberheid de gedachte aan het sterven onder, tot de mysteriën in het keizerlijk Rome verandering brachten, en in de dagen van Bethlehem een wonderlijke verwachting door de volken toog over een verlossing van den Dood die stond te komen.

En Jezus kwam. En Jezus stierf En Jezus stond uit de dooden op.

En, hoor, daar gaat uit het Jeruzalem der Joden het eerst de zang van een Psalm des levens op.

P^n de volken luisteren toe. En dat roepen van „Immanuël verrees" verwint oor en hart. En het is of de lijkwade afglijdt, en of een blos van onvergankelijk leven zich op het verrukt gelaat afteekent.

Volk na volk zoekt den Doop. Niet lang meer of heel Zuid-Europa is voor den Christus gewonnen. Plet overig deel van Europa komt na. En lang eer de Middeneeuwen ten einde loopen, is heel de toen bekende wereld gekerstend, en wordt het Paaschfeest in elke woning gevierd, en weerklinkt van zee tot zee, en van de rivieren tot aan het einde der aarde, de jubelzang, dat Jezus den dood overwon, en roept het al in één adem: „o. Dood, waar is uw prikkel; o, graf, waar is uw overwinning!" En het „De Heere is zuaarlijk opgestaan 1" stort telken jare, als Paschen wederkeert, nieuwe levenskracht en nieuwen levensmoed in het hart.

Zoo blonk het, maar niet al wat er blonk in dien jubel was „goud des geloofs." Verre van daar. Met vol geloof zongen onder alle natiën slechts kleine minderheden. De massa's, ook toen, waren wereldsch. Geld voor geloof en genot voor hemelgeneugte. Maar men dreef meê af op den stroom van het kerkelijk leven Men had er nog geen lust in om de heilige beeltenis uit haar lijst te nemen en te verscheuren. Plet leven vond men schooner dan den dood, en daarom boeide Paschen meer dan het graf

Er zat nog iets van den schrik des doods in de harten, en daarom trok Jezus aan. Hij die dood en graf verslonden had.

Ten leste kon men zich geen leven zonder Paschen meer indenken.

Jezus' Verrijzenis, opdat men eens zelf verrijzen mocht, was het geloof en de hope die geprent stonden in aller hart en die haar stempel afdrukten op het leven.

En daar school de fout.

Om te kunnen gelooven in eigen verrijzenis, geloofde men willig dat Jezus verrees. De heilige apostel had het juist omgekeerd beleden: „Indien de dooden niet worden opgewekt, dan is ook uw Heiland niet verrezen."

Maar had de wereld zich aan den apostel te storen.' Egoïstisch was haar wereldsch bestaan, en haar egoïsme zou tot op het graf triomfecren. Het Paschen moest voor ons zijn, voorspel van een tweede existentie van vreugde, als de eerste vreugde van het genieten dezer vv'ereid in het graf zou zijn ondergegaan. , t

Zoo bloeide de vreugSc vau het Paaschfeest niet op persoonlijk geloof, maar op communaal egoïsme, en aan datzelfde egoïsme ontleende ze den moedwil, om als straks de Vorst der leugen het graf van Jezus weer toe zou sluiten, fier en met ongebroken moed die leugen der Legende te weerstaan.

Eerst sloop en kroop toen dat ongeloof In de kringen der Vrijmetselaren en der dorre denkers geloofde men toen reeds lang niet meer in ons Paschen. Maar dit hield men stil. Onder de vrienden begon men te lachen om de onnoozelheid van het nog jubelende volk. Maar men beleed het niet openlijk. Men dorst niet. Een kreet van afschuw zou zijn opgegaan, als men toen reeds openlijk op de markt de ontkenning van Jezus' Opstanding had aangeslagen.

Maar allengs wies de stroom van dit ongeloof Wat eerst een beekje was, zwol aan tot een rivier. Tot ten leste de dienaren van Gods Woord spandienst voor dat ongeloof gingen verrichten, en de theologie der Schriftaanranders, ten leste zelfs de predikers van het Evangelie tegen Immanuël getuigden.

Dat was voor nu een halve eeuw. Toen brak het uit en door. Geen dam of dijk baatte meer. P)n ja, een korte wijl, in de eerste verrassing, ging er toen een gemor, een gemompel onder de schare op. Maar in tien jaren tijds stierf ook dat gemompel weg, en toen was het gewonnen. Alleen de „dwepers" en de „fijnen" ergerden zich nog. Maar voor de wereld "was Paschen weg. En zoo blij en jubelend als het eens van oord tot oord weerklonken had: „De Heere is waarlijk opgestaan, " zoo giftig en fel weerklonk het nu in de ge.'agzaal en van den kansel, van den katheder en in het schot-.schrift: „Dat Jezus zou zijn opgestaan, is niets dan een fabel".

Zoo onderging het grof egoïsme zijn gerechte straf God zelf ontnam aan de woeizieke egoïstische wereld het heilig pand van het geloof in de Verrijzenis van Immanuël.

God duldde het spel met het heiligste niet meer.

Gelooven in Jezus' Opstanding kunt ge alleen door den „Geest der waarheid, " en Jezus zelf voegde er bij: „Welken de wereld niet kan ontvangen, zvant zij ziet Hem niet en kent Hem niet." Maar, zoo ging Jezus voort, „gij kent Hem, want Hij zal in u zijn."

Of elders: „De luereld zal mij niet meer zien, maar gij zult mij zien, want ik leef, en gij zult leven."

Met dit heilig zeggen had de wereldsch geft'orden kerk gespot. Ze had het onwaar willen maken. Ze had gewild, dat de wereld, zonder geloof, toch den verrezen Heiland zou zien.

En dat egoïstisch Paschen, dat onheilig Pascha, heeft God de Heere, in zijn rechtvaardig oordeel aan de wereld ontrukt. En nu is het weer: Wie gelooft, ziet hét, maar de wereld ziet het niet, en kan het niet zien, omdat ze haar onheiligen geest niet tegen den Pleiligen Geest wil uitruilen. Al schijnt er dus verlies te zijn, in de waarheid is er winste.

Jezus' eigen woord dat „de wereld hem niet k'^n zien, " is weer waarheid geworden, en in de prediking des geloofs is de yollc, rijke, heilige beteekenis van Pascha weer in al haar luister aan het licht getreden.

Wie nu nog in Pascha gelooft, staat wcêr waar de apostelen stonden.

De geestelijke diepte kwam in ons Opstandingsgeloof terug.

Denk aan wat Paulus naar de weclderigen in het dartele Corinthe schreef; Ik heb u niet maar verkondigd, dat Jezus opgewekt is uit de dooden, maar er bij, dat Jezus is opgewekt naar de Schriften.

Wat zegt dat, wat ligt daarin.'

Naar de Schriften, beduidt dit: Naar luid van het Evangelisch verhaal, naar luid van het bericht van Jezus' Verrijzenis, dat én Mattheüs én Johannes ons achterliet, zij die Jezus den dag zelf na zijn Verrijzenis levend aanschouwd hebben.»'

Maar immers dit kan niet. Toen Paulus naar Corinthe schreef, bestond er nog geen P2vangelie op schrift, bestond er nog geen Nieuw Testament. Er was nog niets dan het Oude.

Naar de Schriften, kan alzoo niet anders bedoelen noch beduiden, dan dat ge gelooven zult, dat Jezus opgewekt is naar de Schriften van Mozcs en al de profeten.

Het is een weerklank op wat de verrezen Heiland zelf op den weg van Emmaus naar Jeruzalem deed, toen hij aan Cleopas en' Lukas uitlegde, Mozes en al de profeten doorloopende, dat de Zoon des menschen alle deze dingen lijden moest, en dat die lijdensweg uitliep op de Verrijzenis in heerlijkheid.

Opgewekt naar de Schriften. Niet naar een enkel toevallig woord in die Schriften des Ouden Verbonds, waar van opstanding sprake viel, of zinbeeldig op opstanding geduid werd.

Neen, naar de Schriften, d. i. naar die Schriften in haar geheel. Naar die Schriften in haar rijke grondbeteekenis.

Onder aile overige volken was het al een tasten in duisternis. Maar over Israël was een licht opgegaan, het licht van Gods heilige Openbaring. En van die Openbaring was het beeld in die Schriften opgevangen.

Zoo gaven die Schriften des Ouden Verbonds een geheel anderen blik op ons menschelijk leven, opu^ons menschelijk bestaan, op ons menschelijk hart, op den band tusschen God en mensch, op den band , in den mensch tusschen ziel en lichaam, op het sterven, op het graf, en op wat over het graf aller deel zou zijn, in eeuwigen jammer of in eeuwige vreugde.

Naar die Schriften wandelde op het levenspad niet een ieder mensch, voor zichzelf alleen, maar wandelden allen saam als één geslacht, als de'één'e menschheid. In één schuld verzonken. Door ééne zonde vergiftigd. Eén dood, en straks den eeuwigen dood tegen­ d gaande. Hulpeloos. Verloren. Niet te red­ a den uit en in zichzelf. Zoo dat geen bloe­ d men op het graf hielpen, en alle verbloeming s niets dan zelfbedrog was.

Maar ook, naar die Schriften was er een Heiland, was er een Verlosser, was er een Redder bij God besteld. Gods Gezalfde zou ons vleesch aannemen. Hij zou v t d ons ten Hoofd zijn. We zouden weer een Profeet, een Priester, 'een Koning erlangen. Als een held zou hij allen voorgaan. Zou de machten van hel en satan aantasten. Zou den strijd voor ons ten bloede toe doorworstelen.

Maar dan, als hij in en c'oor den dood den last van toorn en van schuld van ons had geschoven, dan zou hij de dagen verlengen. Dan zou er opstanding zijn. Dan het leven rijzen uit den dood.

Verrees hij niet, dan zou het wezen, dat God onderlag en Satan overwon. Maar ook, dit koji niet, want zoo waarachtig God leeft, zal Gods raad overwinnen.

En daarom naar de Schriften kon hij niet van den dood gehouden worden.

„Gij zult mijne ziele in de hel niet verlaten, Gij zulb niet toelaten dat uw heilige de verderving zie."

En zoo is Jezus opgestaan.

En al wie 7iaar de Schriften geloofde en beleed en leefde, heeft het gevoeld, dat het zoo moest, en zoo was.

Naar de Schriften, en met die Schriften gaat er door de wereld een andere, een heilige levensstroom, die den stroom der wereld dwars doorkruist.

lin nu over dien stroom der wereld hangt niets dan de schaduwe des doods. Maar over dien heiligen stroom naar de Schriften fonkelt het hcht, tintelt het leven.

Hier is Paschen.

Hier is Opstanding.

Plier is Immanuël, die verrees.

Juist daarom moest het Oude Testament zoo fel bestreden worden. Onder de Lutherschen zelfs werd het zoogoed als geheel aan een kant gezet. En ook onder ons heugen de dagen nog, dat men „Nieuwe Testamenten" voor Bijbels uitdeelde. En alsof het nog niet genoeg was, heeft toen de critiek zich opgemaakt, om heel het gebouw des Ouden Testaments te sloopen. In de kringen van wie die critiek volgt heeft men dan ook kortweg geen Oude Testament meer. Het is uit elkaar gevallen. Het is vol fabelen gebleken. Het bestaat als Testament niet meer. Wat voor Jezus immers „(^jfe Schriften" was, is voor die wijzen onzer eeuw weg.

En natuurlijk, als wat Jezus als „de Schriften" eerde niet meer voor u bestaat, dan valt vanzelf ook voor u weg, wat „naar die Schriften" geschied zou zijn. Wat dus Paulus aan die van Corinthe toeriep : dat Christus gestorven is naar de Schriften, en dat hij ten derden dage opgewekt is naar de Schriften, het was al inbeelding en zelfbedrog.

Er zijn geen Schriften, en dus kan er ook niets naar „die Schriften" gebeuren. En zoo gleed met de Schriften des Ouden Testaments heel ons Paschen uit het zielsbesef weg.

Van nature had onder de volkeren een voorstelling geheerscht, die uitliep op den ood. Toen had God in Israël een geheel ndere voorstelling gegeven, die door den ood tot het leven leidde, en die voortelling lag gedocumenteerd in de Schriften.

Thans stiet men die van God gegeven oorstelling weer weg, en dus ook de Schrifen, waarin ze geproclameerd lag.

Zoo viel men terug in wat eens de heienen waanden. Uit het leven zonk men in

den dood neder. Van het hemelsch licht keerde men naar 's werelds donker terug.

En zoo kon Paschen geen stand houden.

Opgewekt naar de Schriften! riep de apostel uit.

In liet graf gebleven naar 's werelds axioma! werd de uitspraak onzer eeuw.

Maar onder de gekenden des Heeren is juist in het aangezicht dier loochening, de vreugdevolle belijdenis van „Jezus' Verrijzenis uit de dooden, " verrijkt en verdiept^.

Het koor van wie nog defl Paaschpsalm aanheffen, moge in aantal geslónkeii zijn, in zuiverheid van topn won het. Onder die nu nog meezingen is niemand meer die niet uit het hart Immanuël toezingt. Het leven des Geestes ruischt in hun jubelzangen.

En waaraan anders dankt ge dit, dan daaraan dat nu ook uw ziclsbestaan, uw zielservaren, heel de wereld van uw gedachten, wat Paulus zou noemen, naar de Schriften is. Staande tegenover wat de wereld als wijsheid uitgeeft, maar aangesloten a; an en passende op hetgeen God eens door Mozes en de Profeten had geopenbaard. Uw dood bekennende, uw valsche leven in-Christus afstervende, en nu, door den dood heen, grijpende naar dat eeuwige leven, dat uw Jezus, door dood en graf heen, aan het licht heeft gebracht.

Een leven, dat ja, straks, als God u oproept, eerst in zijn volheid voor u blinken zal, maar toch een leven, waarvan ge nu, hier reeds, den verfrisschenden adem u voelt tegenwaaien, - dat voor u ritselt in de gemeenschap der heiligen, dat als een verheffende en bezielende kracht in uw hart werkt, dat u steeds zijn licht vooruit werpt op uw levensweg, en dat zich alleen door uw zonde voor een wijle laat terugdringen.

Paschen komt daarom niet rnzzt bij ons leven, maar het is ons leven. „Immanuël, die verrees", is ons het lichtend middenpunt der historie, waaruit alle stralen van vreugde en hooge blijdschap ons toeschieten. En wat Immanuël voor de historie der eeuwen werd, dat is hij. in dieper gevoelden zin nog vobr de historie van ons eigen hart geworden: het middenpunt waarom al het leven onzer ziel zich beweegt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 2 april 1899

De Heraut | 4 Pagina's

„Opgewekt naar de Schriften.”

Bekijk de hele uitgave van zondag 2 april 1899

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken