Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Onze Eeredienst.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Onze Eeredienst.

7 minuten leestijd

LVIII.

Intusschen, al is men in Gereformeerde kringen bij zijn overgang van de private tot de publieke absolutie door ernstige beweegredenen geleid geworden, beweegredenen die ons voorafgaand betoog allerminst uitputte, veeleer slechts aanstipte, verheeld mag daarom niet, dat deze overgang opnieuw getoond heeft, hoe moeilijk het onder menschen valt, het juiste evenwicht te bewaren.

Hoe schoon zou het niet geweest zijn, indien in Gereformeerde kringen, naar de aanwijzingen onzer Liturgie en naar den raad onzer practicijns, tweeërlei zich had kunnen ontwikkelen, ten eerste de personeele private schuldbelijdenis, en de algemeen publieke absolutie.

Doch juist dat is niet geschied.

Wel kwam en komt de personeele private schuldbelijdenis aan vader of moeder, aan broeder of zuster, aan boezemvriend of gemeente-voorganger nog voor, maar toch al spoedig werd ze uitzondering, en in breede kringen sleet ze geheel uit. En zelfs waar ze nog voorkomt draagt ze vaak meer het karakter van zekere vertrouwelijke mededeeling, dan van wezenlijke schuldbelijdenis voor God. En ook ze komt bijna alleen voor in zeer exceptioneele gevallen, als iemand hevig in de consciëntie ontrust is, vooral met den dood in het aangezicht.

Duizenden bij duizenden daarentegen leven en sterven weg zonder ooit tot zulk een personeele, private belijdenis gekomen te zijn.

En dit niet alleen, maar juist door het afnemen van de behoefte aan personeele schuldbelijdenis, begon in de schatting der voorgangers ook de publieke absolutie minder gewicht te bezitten. Van lieverlee hechtte ook de gemeente er minder gewicht aan. En zoo is de publieke absolutie bijna in alle kerken weggevallen, zonder dat de meerdere vergaderingen ook maar een hand uitstaken, om ze te redden en in stand te houden.

Soms zelfs ontvangt men den indruk, alsof het opkomen voor de publieke absolutie meer strekte om de private absolutie de wereld uit te helpen, dan om de absolutie in het midden der gemeente tot een geestelijke kracht te doen worden.

Dit nu duidt op een algemeene gesteldheid der geesten, die onder de critiek der Heilige Schrift niet vrij uitgaat. En al betreurt men het onzerzijds, dat in de Christelijke kerk onder Romes leiding de evenaar te sterk naar de andere zijde oversloeg en in de officieele, personeele absolutie tot een verkeerd en in veel opzichten zelfs bedenkelijk sacramenteel instituut heeft geleid, toch zullen we eerst dan ons recht vindiceeren, om op de practijk van Rome critiek uit te oefenen, indien we gelijke en even scherpe critiek aan onszelven niet sparen.

Evenwicht te vinden en te bewaren valt ons menschen zoo moeilijk. Telkens zwikt de evenaar door.

Natuurlijk heeft ons innerlijk zielsleven tweeërlei richting, eenerzijds naar God en anderzijds naar den mensch om ons heen, en dan eerst zijn onze zielsuitingen wat ze zijn moeten, zoo die beide verhoudingen, naar juiste evenredigheid, tot haar recht komen.

Uit onze gebrekkige zielsharmonie vloeit intusschen bijna altoos de eenzijdigheid voort, dat we ons zielsleven, in zijn diepste kern, óf uitsluitend op God, buiten den mensch, óf eenzijdig op den mensch, buiten God willen richten.

Voer de private, personeele absolutie in, en, ge kunt onder menschen er niet aan ontkomen, dat de schuldbelijdenis en de schuldvergiffenis uit haar noodzakelijk verband met God wordt losgemaakt, en ten slotte door velen herleid tot een wederzijdsche handeling tusschen menschen, die zich geheel in uiterlijkheden verliest.

Maar ook omgekeerd, schaf ze af, en kom tot de publieke absolutie, en niet minder ligt het gevaar voor de hand, dat men, met de absolutie, heel de religie zoogoed als uitsluitend tot een „zaak tusschen God en het hart" gaat maken, zijn relatie tot den mensch er geheel buiten sluit, en zoo ten slotte elk merkbaar spoor van de absolutie, ook in publieken zin, uitwischt.

Het eerste gevaar is gerealiseerd in Rome, het tweede is de klip waarop men onder ons gestrand is.

Het ligt buiten ons bestek, de schaduwlijn die hierdoor onder Rome opkwam, ten einde toe door te trekken. Maar wel is het noodzakelijk onszelven de critiek niet te sparen.

Men kan zijn leven met zijn God en zijn leven met zijn persoonlijke omgeving niet van elkander afscheiden, of beide lijden schaden. De liefde voor God moet in de liefde voor den mensch dien God bij ons plaatste, haar natuurlijke uitstraling vinden.Immers zooals de philanthropic haar gewijd karakter verliest, zoo ze zich losmaakt van de liefde voor God, zoo ook verdort de liefde voor God in mystieke zelfverwarring, zoo ze haar veld van uiting verliest onder menschen.

Dit nu berust op de ordinantie Gods, dat Hij ons niet als enkelingen, maar als menschen onder menschen, als leden van één lichaam geschapen heeft. Heel de idee van de kerk vloeit uit die ordinantie voort.Het is in het Lichaam van Christus dat die door de zonde gebroken idee weer tot haar recht komt. En daarom eischt goed geordende vroomheid, dat ook in ons zichtbaar leven dat Lichaam van Christus, hoe gebrekkig ook, zich institutair openbare.

Maar diezelfde ordinantie moet dan ook heel ons gemeenschapsleven met het Eeuwige Wezen doordringen en bezielen. Zeker, er blijft altoos en moet altoos blijven, een diepste diepte in de kern van ons wezen, waar de relatie tot den mensch wegvalt, en we niets meer van die relatie tot den mensch ontwaren. Dit komt het sterkst uit in het oogenblik der bekeering, als het geloof doorbreekt. Maar toch ook buiten dat aangrijpend oogenblik is er in ons dagelij ksch leven behoefte, om behalve het gebed met anderen, ook het gebed in de stilte te zoeken, en met onzen God alleen te zijn.

Dat is niet verkeerd. Dat moet veeleer zoo wezen. En uw zielsleven lijdt schade, zoo ge dit verwaarloost en veronachtzaamt.

Maar zie nu wel toe, dat ge hierin niet eenzijdig a/ uw religie laat opgaan. Dan toch vervalt ge eerst in die eenzijdig egoïstische mystiek, die alleen op eigen genieting in het samenleven met den Oneindige bedacht is. Daarna gewent ge er u aan, om alle gemeenschapsleven in het heilige, en alle gebed, alle lofverheffing, en zelfs alle gesprek met anderen over de heilige dingen af te schaiïen. En eindelijk komt ge uit bij het onware standpunt, dat ge alle religie een zaak tusschen God en uw hart noemt, maar ook tusschen God en uw hart alle ware religie laat verstoren en verdorren.

Tot dit laatste is het nu reeds bij duizenden en duizenden gekomen. De religie was te heilig en te teeder, om ze voor menschenoor uit te spreken. Dus sprak men over niets meer. En op die wijs aan alle religieuse uiting ontwend, schrompelde het leven der religie in het eigen hart almeer in, tot het ten slotte bijna ganschelijk wegstierf, en zich alleen nog bij aangrijpende gebeurtenissen een oogenblik met moeite weer oprichtte.

Is dit nu waar van de religie in het gemeen, dan is het ook waar van die bepaalde zijde in het religieuse leven, die in het schuldbewustzijn, en wat daarmede samenhangt, tot uiting komt. Tot aan ons sterven toe blijven we met zonde behept, en dat maakt, dat alle religie onder menschen dag aan dag door het prisma van ons schuldbewustzijn moet gaan. Wie zich ook na zijn bekeering daarover heen zet, leeft oppervlakkig. En wie dieper bij zijn eigen ziel leeft, kan voor God noch voor menschen ooit anders dan in het besef van zijn zondigheid staan, en daarom nooit anders tot klaarheid geraken, dan in Jezus, d. i. inlevende in de vrucht van zijn verzoeningswerk.

Maar is dit zoo, dan gaat ook hier door wat we boven aantoonden, en dan moet ook hier de neiging om zijn schuldbewustzijn van zijn menschelijke omgeving te isoleeren, en uitsluitend op God te richten, er ten slotte op uitloopen, dat ook het schuldbesef voor den Heilige verzwakt wordt en ten slotte wegsterft.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 12 november 1899

De Heraut | 4 Pagina's

Onze Eeredienst.

Bekijk de hele uitgave van zondag 12 november 1899

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken