Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

„Te zitten in mijnen troon.”

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

„Te zitten in mijnen troon.”

8 minuten leestijd

Die overwint, ik zal hem geven met mij te zitten in mijnen troon, gelijk als ik overwonnen heb, en ben gezeten met mijnen Vader in zijnen troon. Openb. 3 : 2I.

De troon verzinnebeeldt de heerschappij, en zoo wordt als laatste en hoogste eere ook dit aan hem, die in dezen geestelijken strijd overwint, toegezegd, dat hij, als eens het rijk der heerlijkheid ingaat, met Christus zal zitten in zijnen troon.

Dat dit hoogste juist aan de kerk van Laödicea wordt betuigd, bedoelt, dit spreekt vanzelf, in het minst niet, deze luisterrijkste eere tot Laödiceërs te beperken. Ook deze rijkste belofte geldt de verlosten in het gemeen. Of volgt er niet terstond op: „Wie ooren heeft, die hoore wat de Geest tot de gemeenfew zegt".' Toch bestaat er ook hier verband tusschen dit hoogste eereblijk en de Laödiceesche flauwhartigheid. Nooit is de strijd moeilijker, en dus ook de overwinning hachelijker, dan waar ge leeft te midden der lauwen en halfslachtigen. Het kruis der vervolging drukt, maar prikkelt tegelijk tot weerstand. Een rauwe openbaring van zonde als onder Jezabel is gevaarlijk, maar drijft door reactie tot stil en heilig leven. Doch wat afmat, zonder ooit te prikkelen, is, als er nooit een veer is die wordt neergedrukt, en flauwhartigheid levenstoon werd. Dan is er niets dat u steunt of draagt; dan moet elke aandrift uit uw eigen geloof opwaken. En daarom, wie dan toch volhardt, en doorzet, en overwint, overwint tot den einde toe, hij heeft den taaisten strijd gestreden, hij is het pijnlijkst gemarteld, als geloofsheld gaat hij de anderen voor.

Nu is erlangen van deel aan koninklijke eere en koninklijke heerschappij onder ons ondenkbaar, maar was in het Oosten ver van zeldzaam. Liet niet Pharaö Jozef kleeden in het koninklijke gewaad, en werd hem niet de macht over heel Egypteland gegeven.' Lezen we niet in Esther (6:8) dat men den verkorene des konings zou aandoen het kleed dat de koning pleegt aan te trekken, en dat de koninklijke kroon op zijn hoofd zou worden gezet.' Staat ook van Daniël niet vermeld, hoe Belzazar hem gelijke koninklijke eere toezei? Zong niet David van Messias hoe God hem betuigd had: Zit aan mijne rechterhand (d. i. op mijnen troon) totdat ik uwe vijanden zal gezet hebben tot een voetbank uwer voeten".' Kortom, was de Grootvizier, die feitelijk alle macht uitoefent en eere als de koning zelf geniet, niet heel het Oosten door de heerscher totwien allen opzagen?

Vandaar dat het zitten van Jezus als Koning aan Gods rechterhand in de dagen der apostelen niemand vreemd leek, en zelfs de vraag waar dan het koningschap van God zelf bleef, bij niemand deed opkomen.

Alleen maar, wat de Christus ontving, ging in één opzicht nog alle Oostersche hofeere te boven. Pharaö gaf aan Jozef alle macht, over land en volk, en zelfs over het vorstelijk paleis, maar voegde er toch bij: alleen deze troon zal u grooter zijn dan gij" (Gen. 41 : 40). Doch zelfs dien troon heeft God zijn Gezalfde toegewezen.

De verhoogde Middelaar zit met den Vader in zijnen troon. En zittende in dien troon blijft zijner de bede: „Vader, ik wil dat waar ik ben, ook die bij mij zijn, die Gij mij gegeven hebt"; en het is op die bede, dat de belofte het Amen brengt, als het hem, die overwint, op Pathmos wordt toegeroepen: Gelijk ik overwonnen heb, én nu zit met mijnen Vader in zijnen troon, zoo zult ook gij in den dag van glorie met inij zitten in mijnen troon.

Natuurlijk komt het hierbij op de toekenning van macht en heerschappij aan. Van een zichtbaren troon kan hier geen sprake zijn. Immers vergeet niet, dat deze cere aan alle gezaligden beschoren is. Wie niet overwon, maar bezweek, gaat niet ter zaligheid in. En wat onbezielde paradevoorstelling zou het dan niet zijn, zich Jezus te denken als gezeten op een troon, die ruimte aanbood voor al Gods uitverkorenen, ontelbaar als de sterren des hemels en als het zand dat aan den oever der zee ligt.

De troon is hier symbool. Zinbeeld van macht, van heerschappij en majesteit.

Toch is het niet de „macht over de Heidenen" ; die was vroeger reeds toegezegd. Kn ook geldt het hier niet de oordeelende 1 nacht, waarvan Jezus tot de apostelen zei, (lat ze zitten zouden op twaalf troonen, oordeelende de twaalf stammen Israels (Math. 19 : 28), en waarvan Paulus betuigde dat ..de geloovigen de wereld" en „de engelen" oordeelen zouden, (I Co. 6:2 en 3.)

Alle Pathmos-belofte aan den overwinnaar onderstelt dat het oordeel is afgeloopen, en doelt op de heerlijkheid, die < /artr«a ingaat.

Welke dan deze eere, deze hoogheid, deze luister der hier toegezegde heerschappij is.' Ook voor dit geheimnis ligt de sleutel in het Paradijs.

In het Paradijs het kind der menschen naar den Beelde Gods geschapen, en daarom en deswege hem in het Paradijs toegeroepen : Heb heerschappij. Dat zou geweest zijn het zitten met God in zijnen troon, bekleed met koninklijke macht over heel de schepping.

Priester en Profeet, maar ook Koning bij de gratie Gods was de mensch, in het Beeld van God geschapen.

Die heerschappij heeft de mensch toen verworpen, niet gewild, met voeten getreden, en op Satans gefluister gestaan naar een andere heerschappij, naar een macht tegenover en boven God.

Zoo werd de koning slaaf, slaaf der zonde, slaaf van Satan, slaaf van de wereld, slaaf van zijn eigen zinnen en tochten.

Vandaar dat het in deze bcdeeling, tot den einde, ook op den weg der verlossing blijft en blijven moet: niet heerschen, maar dienen. Christus zelf die voor ons intreedt, komt niet om tè heerschen, maar om zijn ziel te geven tot een rantsoen.

De onbekeerde een slaaf, een slavin. De tot God bekeerde een die vrijwillig niet anders dan dienen wil.

En dit duurt, en dat houdt aan, totdat het Beeld van God volkomen zal hersteld zijn, naar ziel en lichaam.

Maar dan slaat het ook om.

Dan wordt wie slaaf was heer, die willig diende tot de heerschappij geroepen, en dan zullen alle gezaligden de „kroon des levens" dragen, en zitten met den Middelaar in zijn Troon.

En dan zingt het choor der gezaligden een nieuw lied, op gouden citeren, voor het Lam, zeggende: Gij hebt ons Gode gemaakt tot priesteren en koningen, en wij zullen als koningen heerschen op de aarde.

Heel de eindelooze schepping, met haar elementen, haar krachten, haar verbijsterende weelde aan Gods uitverkorenen, dan in Christus verlost, onderworpen, dragende het Beeld van God ook in zijn majesteit.

Al wat in hemel of op aarde is, hersteld in zijn organische eenheid en in zijn oorspronkelijken samenhang onder geestelijke overmacht verbonden. God eeuwiglijklangs tweeërlei weg zichzelven in zijn Schepping verheerlijkend. Eerst onmiddellijk, in zooverre Hij zelf alle dingen draagt door het woord Zijner kracht. Maar dan ook middellijk, door den mensch, door het creatuur met zijn Beeld, en die mensch heel die Schepping beheerschende, niet met moeite, maar vanzelf, door zijn geestelijke o verhoogheid, en alzoo Gode zijn schepping in dank en in aanbidding ten offer wijdend.

In Christus het alles weer „bijccnvergade.-d", of gelijk er letterlijk staat, weer onder een hoofd organisch in verband gezet. En zoo letterlijk de gezaligden zittende met Christus in zijn troon. Want het is één macht, het is één heerschappij, de onmiddellijke almachtigheid waarmee God zelf alle dingen draagt, en daarin geweven de middellijke heerschappij in en door de menschen, waardoor heel de schepping Gode ten offerande wordt.

Dat er bij de gezaligden ook macht over Satan zal zijn, wordt hiermsde niet ontkend; doch daarvan is hier geen sprake. Die macht is bedoeld met de macht over de Heidenen of het Heidensche wezen.

Dat er ook bij de gezaligden macht van hooger genade van den één over den ander zal zijn, spreekt vanzelf. In elk organisme oefent het fijnere orgaan macht over het zwakkere. Doch ook daarvan is hier geen melding. Die macht hgt uitgesproken inde bijzondere positie der apostelen en van de vier en twintig ouderlingen. Maar die kan hier niet bedoeld zijn, overmits de hier bedoelde macht aan alle gezaligden toekomt, en die andere juist aan den één over den ander wordt gegeven.

Neen, wat dat zitten met Jezus in den troon toezegt, is het Koning zijn met Jezus; en de Schrift zelf legt dit uit als een koning zijn op aarde, een koning zijn over de schepping, een terugkomen van de heerlijkheid van het Paradijs, en die heerlijkheid van het Paradijs tot nog hooger luister opgevoerd.

En of dan dit heerschen der overwinnaars niet aan de heerschappij van God te kort doet?

Stellig niet, want hunner is geen heerschappij, dan die rust in het weer vervormd zijn naar den Beelde des Zoons, d. i. naar het Beeld van God, en zoo is het niet de mensch in zichzelf, maar het afschijnsel van God, dat in de gezaligden uitstraalt, waaraan zoo koninklijke macht en zoo koninklijke heerschappij wordt toegekend.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 29 juli 1900

De Heraut | 2 Pagina's

„Te zitten in mijnen troon.”

Bekijk de hele uitgave van zondag 29 juli 1900

De Heraut | 2 Pagina's

PDF Bekijken