Bekijk het origineel

„Uw leven met Christus verborgen in God.”

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

„Uw leven met Christus verborgen in God.”

7 minuten leestijd

Want gij zijt gestorven, en uw leven is met Christus verborgen in God Col. 3 : 3.

Eens heeft de booze stem in Eden's hof gefluisterd : „Gij, o, mensch, kunt zelf als God zijn, " en in het luisteren naar die verzoeking ontsprong de bron van allen gruwel en alle wee. Maar hoe zult ge dan staande houden, dat wie in Jezus ontsliep tot de ruste van het eeuwige zijn, dat immers Godes is, zou zijn ingegaan, zonder, vermetel en in hoovaardij, op den mensch daarboven een denkbeeld te willen toepassen, wat op aarde al zijn vrede verstoord heeft.

Boven tijd en vergankelijkheid, boven wisseling en verandering verheven te zijn, geen worden of verworden te kennen, en in het „Ik zal zijn die ik zijn zal" de geheimenis van zijn eeuwig wezen uit te drukken, — is het niet dat juist v/at den Schepper van het schepsel. God in zijn majesteit, van ons, kinderen des stofs, in onze broosheid onderscheidt.' En is dit zoo, hoe zult, hoe kunt ge dan dezen goddelijken wezenstrek op het nietig creatuur overbrengen, ook al is dat creatuur een uitverkorene, een begenadigde, een in Sion dat boven is, opgenomen en in het Vaderhuis ingeleid kind van God.

Is dit niet het Goddelijke met het menschelijke, het menschelijke met het Goddelijke verwarren > Ja, is het niet de hoogste zaligheid zoeken in wat Satan ons voorloog, en in wat vervloekt werd van God.'

We laten den tusschenstaat nu rusten. We trekken de aandacht saam op de voleinding, als God heerlijk in zijn heiligen zal zijn, en de laatste vijand zal zijn te niet gedaan.

We nemen nu degenen die in Christus ontslapen zijn, in het nieuwe Jerusalem, op de nieuwe aarde, onder den nieuwen hemel, nadat Christus het koninkrijk aan God en dsn Vader zal hebben overgegeven, en God zijn zal alles en in allen.

Dan eerst zal het ï^^/zaligheid zijn. En in die w/zaligheid, zoo stelden we, is geen tijd meer, maar alleen eeuwigheid; geen wisseling, maar een eeuwiglijk zich gelijk blijven; geen verandering, maar in eeuwige ruste standhouden. Niet meer het streven naar een doel, maar het in zijn einddoel verzonken zijn. Geen jagen meer naar een ideaal, maar een bezitten van het Hoogste Goed. Nooit meer een tvorden van wat men nog niet was, maar wat men is, eeuwiglijk blijven. Voor niet één van Gods kinderen meer een zichzelf heiligen of een klimmen in heiligheid, maar eeuwiglijk in de ontvangen heiligheid genieten.

Maar juist dit alles, overschrijdt het niet de grens, die ons menschelijk leven van het leven onzes Gods afscheidt?

Is het niet op den mensch willen overbrengen, wat alleen Gode, en den Christus, omdat hij zelf God is, toekomt?

Ook hier zij uitsluitend wat ons van Gods wege geopenbaard is, alle overpeinzing ten richtsnoer.

„Ons is nog niet geopenbaard, wat we zijn zullen, maar dit weten we, dat we Hem zullen gelijk wezen, want we zullen Hem zien, gelijk Hij is.”

„Wij zijn van Gods geslachte”.

Voor zijn heiligen die Hij op aarde achterliet, bad de Middelaar: „Vader, ik wil dat waar ik ben, ook zij zijn zullen, die Gij mij gegeven hebt."

„We zullen kennen, s^elijk we gekend zijn, en we zullen God zien van aangezicht tot aangezicht.”

­Onze naam zal zijn: „Volmaakt rechtvaardigen.”

Er zal geen jagen, geen drijven, geen streven meer zijn, maar een eeuwige ruste, een nimmer eindigende Sabbath voor het volk van God.

„God zal zijn alles en in allen.”

Er zal geen nacht meer zijn, en dus geen tijd noch overgang van oogenblikken, maar een eeuwige morgen.

Vlek noch rimpel zal meer de Bruid van Christus ontsieren.

Smetteloos rein zal het onzer gewaad heiligheid wezen.

Als vrucht van zijn eeuwige offerande zal Christus allen volmaakt voor God stellen.

Ons leven, dat nu met Christus in God verborgen is, zal dan met hem geopenbaard worden in storelooze zaligheid.

Zeg zelf, waar bleef dan nog plaats voor wisseling of verandering, voor vernieuwing of hooger ontwikkeling, voor overgang uit lagere in hoogere toestanden, voor een alsnog worden van wat niet reeds in onze volmaaktheid besloten lag.

En waar zoo God zelf in zijn Woord ons het eeuwige leven voorstelt, wie zal daar nog zeggen durven, dat het uitzien naar zulk een heerlijkheid het grijpen ware naar iets wat niet God ons toezei, maar Satan ons voorhield.

Ge begrijpt het niet, en ge verstaat het niet.

Het is het mysterie der eeuwigheid.

En dit kan niet anders, want hier zijt gij gestorven, en dat eeuwige leven, dat ge in kiem reeds ontvingt, is met Christus verborgen in God.

Maar juist daarom is het er, veel wezenlijker dan dat ge het zelf reeds in uw hand hieldt.

En daarom wordt ook u gezegd, dat ge nog een weinig tijds wachten zult, „want eerst dan, als Christus zal geopenbaard zijn, die uiv leven is, zult ook gij met hem geopenbaard worden in heerlijkheid.”

Van „gelijk God te zijn, ” is dan ook geen sprake.

Hier immers ligt de grens, dat God dit eeuwige leven uit zich zelf en in zich-zelf bezit, en dat wie in Christus ontslapen is, het alleen als genadegifte van zijn God ontving.

Den Zoon, niet u, noch uw ontslapene in Christus is het gegeven, het leven in u zelven te hebben.

Dit juist is van alle echte vroomheid het onveranderlijk kenmerk, dat wij ons leven 7tiet in ons zelven zoeken, maar buiten ons zelven, in Christus.

Zeker, wie gedronken zal hebben van het water dat de Middelaar toereikt, het zal in hem worden tot een fontein, springende tot in het eeuwige leven; maar altoos afgeleid, altoos van buiten ons toegevloeid, altoos een ontvangen schat. Nooit voor ons de roem. Voor God alleen de glorie, en voor ons de nooit eindigende dankzegging, de lof en de aanbidding.

Der vaderen God ook ónze Vader, en wij nooit anders dan zijn kinderen.

Hij, onze God, d.i. de oorspronkelijke majesteit, en wij nooit anders dan de dragers van zijn afschijnsel, de gesierden met zijn heilig beeld.

Hij van eeuwigheid tot eeuwigheid nooit anders dan het eeuwige zijn, wij ontstaan, die niet bestonden; geworden uit het niet, om tot het eeuwige leven op te klimmen; ingeleid tot een heerlijkheid, die haar steunsel en haar rustpunt ]nooit in ons vindt, maar eeniglijk in God.

Het is alzoo niet waar, dat de grens wordt uitgcwischt. De grens blijft, de grens wordt verscherpt. Want niet nu, dan eerst zullen we verstaan, hoe heel anders de beker is dan de bron, omdat juist zóó in dien beker geen enkele druppel anders dan uit die bron geweld, schitteren zal.

Alleen de valsche grens gaat weg. De grens, die niet God van zijn kind, maar het aardsche van het hemelsche scheidt, en die ge juist daarom niet in den hemel moogt willen overbrengen.

Maar juist daardoor zal de ware, de nooit uit te wisschen grens eerst in volle klaarheid uitkomen.

Wij niets dan de aanbidders van zijn Majesteit, Hij de alleen, door allen en in alles Aangebedene.

Zoo zou het ook buiten zonde geweest zijn, als de eerste mensch, door volbrenging van het gebod, uit' het Paradijs in het eeuwige leven ware overgegaan.

Maar zoo is, en zoo blijft het, in nog veel klaarder en veel scherper zin, nu het uit zonde en ellende is, dat Goddelijk erbarmen ons tot heiligheid en heerlijkheid optrekt.

Immers nu treedt de tusschen Middelaar beide.

Nu is er voor ons, ellendigen, geen eeuwig leven, dan zoo we met Christus ééne plant zijn geworden.

Nu hebben we niet elk voor ons zelf, noch allen saam het eeuwige leven, maar alleen deel aan Zijn leven, zoo we Hem zijn ingelijfd, als leden van zijn heilig Lichaam. Nu is het altoos in Christus, door Christus, met Christus.

Gij zijt gestorven, en uw leven is met Christus verborgen in God.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 9 september 1900

De Heraut | 2 Pagina's

„Uw leven met Christus verborgen in God.”

Bekijk de hele uitgave van zondag 9 september 1900

De Heraut | 2 Pagina's

PDF Bekijken