Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Van de gemeene Gratie.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Van de gemeene Gratie.

19 minuten leestijd

LAATSTE REEKS.

LI.

HET HUISGEZIN.

XI. (Slot).

Doch ik wil dat gij weet, dat Christus het hoofd is eens iegelijken mans, en de man het hoofd der vrouwe, en God het hoofd van Christus. I Cor. II : 3.

Zoo is dan de eigenlijke zaak van het Huwelijk de verbintenis, die wordt aangegaan tusschen den man en de vrouw, die, als van God daartoe bestemd, één vleesch zullen worden; en eerst in die intieme eenheid is het mysterie van het Huwelijk verwerkelijkt. Doch juist daarom is het zich voegen van die verbintenis naar de van God gestelde ordinantie, van het wezen des Huwelijks qnafscheidelijk. Een verbintenis tusschen man en vrouw, die zich aan geen hoogere ordinantie stoort, is óf roof óf zondige overeenkomst, maar is nooit een Huwelijk. Die het Huwelijk uitdacht en het Huwelijk schiep, en er de gegevens voorin het leven riep, en het in elk bijzonder geval bestelt, is God en God alleen. Vandaar, dat het Huwelijk in zichzelf eerzaam en heilig is, maar vandaar dan ook, dat het gebonden is aan de van God gegeven instellingen en bepalingen. God stelde het gezin en het geslacht, God stelde de Overheid en de Kerk in, en overmits Hij zelf aan den man die huwt en aan de vrouw die gehuwd wordt, een plaats in dat gezin, in dat geslacht, in den Staat en in de Kerk aanwees, en hun saam huwen niet slechts voor henzelven, maar ook voor dat gezin, voor dat geslacht, voor dien Staat en voor die Kerk gevolgen heeft, is het eisch, dat elk dezer vier tot de voltrekking van hun Huwelijk medewerke; en dat wel in dien zin, dat elk dezer vier van het te voltrekken Huwelijk niet slechts, bij manier van notificatie, kennis neme, maar ook bepale on­ o der welke voorwaarden het alleen kan plaats hebben, en welke de gevolgen zijn, die er uit voortvloeien. Er mag niet zijn een. wil-w keurige daad van een man en van een vrouw, die het gezin, het geslacht, den Staat en de Kerk nu maar voor lief hebben te nemen, gelijk ze uitvalt. Neen, die man en die vrouw o zweven niet als losse atomen, maar zijn met banden aan hun gezin, geslacht, Staat en Kerk verbonden. Elk dezer vier heeft hier h dus medezeggensschap. En voor Gods oog d en naar zijn bestel is een Huwelijk dan eerst t en dan alleen een volkomen Huwelijk, zoo t het onder medewerking van deze vier facto d ren tot stand is gekomen.

Het schoonst is het hierbij, zoo de medewerking van deze vier factoren in volkomen harmonie plaats grijpt. Dit is dan ook een tijd lang zoo geweest. Toen de Kerk zich nog slechts in ééne zichtbare instelling openbaarde, voegde de Overheid zich naar de bepalingen, die de Kerk oordeelde, dat voor een Christelijk Huwelijk gelden moesten, en sloten gezin en familie zich hierbij aan. Er werden, gelijk de nood der practijk zulks eischen kon, wel uitzonderingen op die bepalingen toegelaten, en daarvoor werd dan dispensatie van de zijde der Kerk ingewacht; maar regel noch exceptie gaf aanleiding tot principieel verschil. In dien toestand leven we thans niet meer. De ééne Kerk is in een veelheid van kerken gesplitst, en de Overheid is, sedert deze splitsing een feit werd, haar eigen weg gegaan. En al dient erkend, dat de Overheid, bij dit gaan van haar eigen weg, aanvankelijk nog de vroeger aan de Kerk ontleende bepalingen bleef volgen, toch is ze van lieverlede hiervan afgeweken, zoowel wat de graden van bloedverwantschap betreft, die een Huwelijk verboden, als wat aangaat de ontbinding van een eens gesloten Huwelijk. Afwijkingen, die dusver nog wel geen ernstig karakter aannamen, maar die de neiging hebben om steeds verder te gaan, en in meer dan één land zelfs reeds een zeer bedenkelijk karakter aannamen. Hieruit nu wordt verwarring en conflict geboren. In de gezinnen komt telkens strijd op, of voor God zeker voorgenomen Huwelijk wel mag doorgaan, en de Kerk komt in een zeer moeielijke positie te staan, indien de Overheid een Huwelijk geldig heeft verklaard, of ook een Huwelijk ontbonden heeft, waarvan de geldigheid of de ontbinding, door de Kerk niet kan erkend worden, zoo zij trouw blijft aan de goddelijke ordinantiën. Ter voorkoming van zulk een conflict, ware n d d p z d a g g h h t k G h h gelijk we reeds opmerkten, een accoord tusschen Staat en Kerk zeker het meest gewenscht, en dit laat zich dan ook zeer wel denken AXV landen, waar bijna niet anders dan ééne Kerk bestaat, gelijk b.v. in Noorwegen en Zweden in het noorden, of in Spanje en Portugal in het zuiden van Europa. Maar het geraken tot zulk een accoord wordt in zeer hooge mate bemoeilijkt, indien er, gelijk ten onzent, in Engeland en in Amerika's Vereenigde Staten, talrijke Kerken naast elkander bestaan, die ook in zake het Huwelijk verschillende overtuigingen zijn toegedaan. Ook met het oog hierop bevalen we daarom herhaaldelijk het in het leven roepen aan van een vertegenwoordiging der gezamenlijke Kerken, als een bijzonder lichaam, waarmede de Overheid onderhandelen kon. Dit zou in het belang der Kerken zijn, die alsdan haar invloed konden doen gelden, en niet minder in het belang van den Staat, die op zulk een wijs zulke altoos bedenkelijke conflicten kon voorkomen. Dien weg heeft men intusschen dusver nog niet ingeslagen. De Overheid, na zich aan de Kerk ontworsteld te hebben, erkent geen recht der Kerken in huwelijksaangelegenheden meer, en acht, dat zij zelve de macht bezit, om al wat op het Huwelijk betrekking heeft, uit eigen hoofde vast te stellen. En juist dit nu levert voor de Christelijke kerk in klimmende mate gevaar op.

Met name de Protestantsche kerken toch, hebben almeer deze pretentie van de Overheid toegegeven. D. w. z.: Ze hebben van eigen oordeel in de zake des Huwelijks afgezien; als gehuwd beschouwd al wat de Overheid voor gehuwd verklaarde; en zoo weinig den eisch van haar eigen positie ingezien, dat ze haar eigen handeling uitsluitend beschouwden als gold het een I reeds buiten haar toedoen om geheel voltrokken Huwelijk. En dat wel met dien verstande, dat ze de inzegening toestonden aan ieder paar, dat huwelij ksextract van den burgerlijken stand vertoonen kon. Dit ging nu nog, zoo lang men zeggen kon, dat de Overheid in haar Burgerlijk Wetboek zich in hoofdzaak bleef bewegen op de lijn, die door de Christelijke religie was aangewezen; hoewel zelfs bij deze onderstelling de Kerk nooit afstand had moeten doen van haar recht en plicht om het Huwelijk, voor zooveel het Genadeverbond aangaat, metterdaad meê te voltrekken. Maar dit zal steeds onhoudbaarder worden, zoo de Overheid voortgaat, haar bepalingen omtrent het Huwelijk steeds verder van de Christelijke grondbeginselen te doen afwijken. Immers, bleef de Kerk ook dan nog toegeven, dan zou zij er zelve toe medewerken, dat met haar gedoogen, en ten deele zelfs onder haar goedkeuring, et Christelijk Huwelijk werd , teruggedrongen, en opnieuw een heidensche opvatting van het Huwelijk hiervoor in de plaats trad. Vooral van de zijde der echtscheiding dreigt hier gevaar. Staat de Overheid toe, dat personen, wier Huwelijk zij voor ontbonden verklaart, opnieuw huwen, dan kan en mag de kerk dat nieuwe Huwelijk niet erkennen, indien, naar haar eigen ooreel, de echtscheiding niet heeft mogen, en dus feitelijk niet heeft kunnen plaats grijen. Nu is het, bij dezen stand van zaken, zeker het meest gewenscht, dat de Kerk, door tijdig ingediend protest, de Overheid afhoude van zulke onberaden stappen; maar baat dit niet, en wordt almeer de grondslag van het Christelijk Huwelijk losgelaten, dan wordt hieruit voor de Kerken de zeer stellige plicht geboren, om binnen haar eigen kring den grondslag, die door het Evangelie voor het Huwelijk is gelegd, te handhaven. En ware het al, dat andere Protestantsche Kerken hiervan de noodzakelijkheid niet inzagen, dan zou toch de Gereformeerde Kerk hier niet stil mogen zitten. Voor haar toch is de belijdenis van het Genadeverbond een essentieel stuk van haar kerkelijk optreden, en daar het Genadeverbond ook met de kinderen der geloovigen rekent, kan het huwelijk niet buiten den kring van haar belijdenis worden gesloten.

Hiermede komt tot de Gereformeerde kerken een ernstige roeping. Reeds nu worden telkens vragen opgeworpen, of zeker huwelijk tusschen bloedverwanten al dan niet geoorloofd is, en bij onverhoopte toeneming der echtscheiding, zullen zich andere even teedere vragen hier bij voegen. Diezelfde vragen nu zal de Kerk zich, ook met het oog op haar eigen leven, hebben te stellen, om zuiverlijk af te meten, welk huwelijk ze al dan niet mag helpen voltrekken. Ze zal ook zulke vragen niet pas te beantwoorden hebben, als een op het stadhuis gehuwd paar zich aanmeldt, maar vooruit haar overtuiging hieromtrent hebben uit te spreken. Het jjaat toch niet aan, verloving in de familir-c huwelijkssluiting op het stadhuis te laten plaats hebben, en eerst daarna aan bruid en bruidegom te zeggen, dat zij, als Kerk, hun huwelijk voor ongeoorloofd houdt. Dat dienen de leden der Kerk, die zich ten Huwelijk begeven, vooruit te weten. Iets waar dan tevens uit volgt, dat de Kerk ook zelve tijdig een onderzoek heeft in te stellen. Nu heeft de dusgenaamde aanteekening alleen op het stadhuis plaats, en zoo lang Staat en Kerk eenzelfden weg bewandelen, kan dit ook. Maar gaan beiden zich bewegen langs verschillende wegen, dan dient de publieke aankondiging van het voorgenomen huwelijk, ook bij de Kerken tijdig te geschieden en dat wel zoo lang vooruit, dat het kerkbestuur gelegenheid hebbe, te onderzoeken, of het huwelijk van harentwege door kan gaan, en dat zij de leden der gemeente kunne oproepen, om te vernemen, of er ook verhinderingen bestaan, waarvan zij zelve geen kennis draagt, en waarom toch het huwelijk zou dienen gestuit te worden. Want doet de Kerk dit niet, en blijft ze, ook als de Overheid almeer den regel der Heilige Schrift verlaat, voortgaan met blindelings de daad der Overheid kerkelijk te sanctioneeren, dan verlaagt ze zich tot handlangster bij een on-Christelijke handeling.

Ook in zake de gemengde huwelijken zal de Kerk tot klaarder bewustzijn moeten opwaken, en ook hieromtrent moeten de leden der Kerk haar oordeel vooruit kennen. Het gaat niet aan, dat zich eerst tusschen een jongen man en een jonge dochter zekere liefdesbetrekking ontwikkelt, zonder dat ze vermoeden kunnen, dat hun liefde nooit tot een huwelijk ÏCU hunn'^n leiden, en dat dan daarna eerst, als ze zich ten huwelijk melden, door de Kerk wordt verklaard, dat hun huwelijk niet kan doorgaan. Toch laat de Kerk ook dit thans bijna geheel aan de familie over. Het is de familie, die nu nog meest de gemengde huwelijken tegenhoudt, en is eenmaal het huwelijk op het stadhuis gesloten, dan voegt de Kerk zich en volgt. Dit nu is geen houding harer waardig. Zij dient te weten, wat ook bij het gemengde huwelijk, naar uitwijzen van Gods Woord, geoorloofd of ongeoorloofd, geraden of ongeraden is, en de leden der gemeente dienen dat klaarlijk van haar te vernemen. Een beroep zonder meer op i Cor. 7:14 baat hier niet. Daar toch is sprake van wie, reeds in gehuwden staat zijnde, eerst daarna tot Christus bekeerd werd, en volstrekt niet van het aangaan van een huwelijk, als belijder van den Christus, met een persoon van andere belijdenis. Zoo zal dus de kerk in velerlei opzicht zich hebben uit te spreken, en naar ze zich uitspreekt, dan ook hebben te handelen. En zulks niet, om haar huwelijk tegenover dat van de Overheid te stellen, als ware ze van de Overheid concurrent. Integendeel, huweijkssluiting in de Kerk, zonder voorafgaande huwelijkssluiting op het stadhuis, ou stellig ongeoorloofd zijn. Wel betwisten e het recht van de Overheid, om ten deze an de Kerk de wet te willen stellen, en estrijden uit dien hoofde Art. 136 van ns Burgerlijk Wetboek; maar desniettein wenschen we geen oogenblik geacht e worden, voor de Kerk het recht tot huelijkssluiting, zonder voorafgaand burgerijk huv/elijk, op te eischen. Integendeel olgens onze overtuiging eischt de Goddeijke ordinantie, dat de Kerk er zich van ergewisse, of vooraf aan hetgeen in gezin, amilie en Staat te verrichten is, voldaan ij. Dit echter is heel iets anders, dan dat e Overheid in de Kerk komt heerschen, n bepaalt, gelijk er nu staat in Art. 136, at geen godsdienstige plechtigheden moen plaats hebben, zoo niet vooraf extract van huwelijkssluiting vertoond is. Een bealing, daarom te dwazer, omdat Art. %2) van datzelfde Wetboek verklaart, dat „de wet alleen het Huwelijk beschouwt in zijn burgerlijke betrekking." Het toppunt van i dwaasheid hierbij is wel, dat Art. 449 van het Strafwetboek, bij contraventie, een predikant of pastoor bedreigt met geldboete tot 303, en bij recidive zelfs met hechtenis van p twee maanden. Dat is echt uit den koker van het anti-Clericalisme! Toch is de Kerk zelve, door haar jammerlijke zwakheid van d houding, oorzaak geworden van zulk optreden der Overheid. Ze heeft niet verstaan, dat ze in zake het Huwelijk een eigen roeping had te vervullen, en zoodoende het veld aan de burgerlijke macht vrijgelaten.

Natuurlijk gaan wij onzerzijds hier niet in op de onderscheidene vraagstukken, die hier in aanmerking komen. Dit zou niet passen in het kader van ons onderwerp. Slechts merken we op, dat wat de verboden Huwev s H lijken betreft, de bepalingen der aan Israël gegeven wet niet zonder nader beding op alle toestanden, en voor alle volken, en in alle tijden toepasselijk zijn. De kinderen van Adam en Eva zijn onderling gehuwd, en na den zondvloed huwden de kinderen van Noach samen met elkaar. Zelfs bij de Patriarchen gold nog andere regel. Er moet hier alzoo gerekend worden met de algemeene beginselen, waarvan Israel's wet uitgaat, en deze moeten naar den aard der omstandigheden en der tijden worden toegepast. Men gevoelt dit het sterkst bij het stuk der echtscheiding, waar de Christus zelf dat tijdelijk karakter der toegelaten scheiding onder Israël in het licht stelt, zonder dat ook te dezen opzichte gelegenheden en omstandigheden uit het oog mogen worden verloren. Zelfs de regel, dat echtbreuk echtscheiding wettigt, is niet zelden te algemeen toegepast, en, helaas, weet men maar al te goed, hoe opzettelijke of gefingeerde echtbreuk soms in het spel komt, om onder schijn van recht, echtscheiding te wettigen. En voor wat de dusgenaamde gemengde Huwelijken aangaat, zal wel veel meer dan uit onder Israël voorgekomen voorbeelden, uit het beginsel zelf des Huwelijks en uit zijn beteekenis voor het genadeverbond zijn af te leiden; mits maar nooit zoo ver worde gegaan, dat men de geestelijke eenheid tusschen man en vrouw, krachtens het huwelijk, tot in de eeuwigheid overbrenge. Dit toch zou het huwelijk van een weduwnaar of weduwe ondenkbaar maken, iets wat in openbaren strijd zou komen met wat de apostel zegt van weduwen, voor wie het veeleer geraden is, dat ze ten tweeden male huwen.

Toch wane men niet, dat de Kerk alleen te oordeelen heeft over hetgeen aan de huwelijkssluiting voorafgaat; ze heeft wel terdege ook het standpunt des Evangelies te verdedigen, als het Huwelijk eenmaal gesloten is. Ons Huwelijksformulier legt er dan ook nadruk op, dat bruid en bruidegom zich tegenover de Kerk verbinden, om zóó saam te leven als het Evangelie eischt, en, bij geschil hierover, de beslissing aan het Evangelie te laten. „Naar uitwijzen des heiligen Evangeliums" is de formule die opzettelijk gekozen is. Grondregel hierbij is nu, dat in het door huwelijk tot stand gekomen gezin, de man het hoofd zal zijn; en hoe ook het hedendaagsche feminisme hier tegen woele, dat is en blijft zoo. Door het huwelijk ontstaat niet een tweeheid, maar een eenheid, maar die eenheid wordt gevormd door twee personen. Komt nu tusschen die twee verschil van inzicht op omtrent hetgeen te doen of te laten s, dan moet er een beslissing worden evonden. Dit nu geschiedt zeker het best, zoo de een den ander overtuigt of wint door liefde. Daarbij nu kan de z nvloed van de vrouw even sterk, soms og sterker werken, dan die van den man. Zelfs komt het in» onze ontredderde toetanden, waarin zoo menig man een zwakeling is, en zoo menige vrouw het weibiche verloor, niet zoo zelden voor, dat e vrouw, ook zonder veel liefde, enkel m oor hooger geestesbetoon en wilskracht, W eitelijk den man overhaalt tot wat zij wil. d it deugt nu wel niet, wat den toestand s etreft, want goed is het alleen als de man v ezenlijk man en de vrouw wezenlijk d rouw blijft; maar op zich zelf krenkt i it het recht nog niet. Hoe dan ook, er is h an toch eenheid van besluit tot stand ge­ h omen, en man en vrouw voeren het saam m lzoo uit. Maar anders komt het te staan, o ls man en vrouw het nietQQWs kunnen wor­ a en, en er toch een besluit moet zijn. En g n dat geval nu geldt van Godswege de „ egel, dat dan de wil van den man dooraat, geheel natuurlijk op zijn eigen verant­ g h woordelijkheid voor God. Doch ook daaraan g tornt men nu. Nog onlangs was door den g Minister Cort van der Linden voorgesteld, d dat in gewichtige gevallen, bij verschil van h nzicht, de beslissing van den kantonrech­ d ter zou worden ingeroepen. En hiermede g nu gaat de door God gestelde ordinantie o weg. Gevolg waarvan zou zijn, dat zelfs de d oging om zich aan elkaar te wennen uitbleef; dat de vrouw gedurig met den kan­ g e tonrechter zou dreigen; en dat niet de man l ie de vrouw getrouwd had, maar de man d die kantonrechter heette, baas in het huisgezin werd.

Nu spot de wereld met dit gezag van den man, en wordt er, helaas, ook in Christelijke ezinnen, als men aan dit chapitre toekomt, maar al te dikwijls door de vrouw om deze Goddelijke ordinantie gelachen. Toch staat of alt hiermede geheel het samenstel der maatchappij. Ontbreekt een gezag Gods in het uwelijk dat uitwijst, hoe men bij verschil tot beslissing moet komen, dan houdt het z g i Huwelijk op een in zichzelf gesloten eenheid te vormen, en gaat het over in een contractueele verbintenis; wat blijkens de ervaring der historie zeggen wil, dat het inzinkt en tenslotte wegvalt, om over te gaan in verbloemde hoererij. Valt het Goddelijk gezag, en daarmee het gezag van den man, uit het Huwelijk weg, dan ondermijnt ge het gezinsleven, en bedreigt ge de opvoedingvan het kind, dat zonder gezagserkenning niet kan bestaan. En is eenmaal zoowel het gezag van den man, als het gezag van vader en moeder ondermijnd, dan wordt almeer in heel de maatschappij alles op losse schroeven gezet, raakt alles uit zijn verband, en moet de toevlucht genomen worden tot uitwendig geweld, om zoo goed het gaat, dan toch eenige orde te handhaven. Het geldt hier dus niet een privilegie van macht, dat over de vrouw aan den man gegeven is, maar de grondslag der geheele samenleving, en daaruit alleen is het dan ook te verklaren, dat de Heilige ScMft zich op dit punt én zoo herhaaldelijk én zoo stellig uitspreekt. Het geldt hier een beginsel, dat als de wortel van alle verbintenis en vergezelschapping onder menschen geldt.

Want wel is waar, dat tot de vrouw, na den zondeval, is gezegd, dat de man om der zonde wil heerschappij over haar zal hebben, maar dit heft het algemeen karakter van het beginsel niet op. Immers het is alleen tengevolge van de zonde, dat heerschappij te pas kan komen. Zonder en buiten zonde, zou er van heerschappij j^ooW. sprake zijn geweest. Er zou, ware geen zonde opgekomen, ook geen verduistering van het verstand, geen ontheiliging van zin en neiging zijn geweest, en wat wij conflict tusschen man en vrouw noemen, zou niet hebben kunnen bestaan. Het geval zou zich niet hebben kunnen voordoen, dat de man heerschappij had behoeven te gebruiken, om zijn wil tegenover dien van zijn vrouw door te zetten. Doch ook al zou er, buiten zonde, van geen heerschappij van den man sprake zijn geweest, toch zou hij het hoofd des gezins zijn geweest, ja, dan eerst waarlijk, als hoofd van het gezin, hebben geschitterd in koninklijke majesteit. Tusschen Christus en zijn geloovigen is in het Vaderhuis geen conflict denkbaar. Wat zouden de verlosten anders willen dan hun Heere en Heiland.' Toch zal niemand zeggen, dat daarom Christus niet het Hoofd is, wiens leiding zij volgen, noch ook één hunner er aan denken, om die van God gestelde ordinantie te miskennen. Al is het dus, dat buiten zonde ook in het Huwelijk, de vrouw nooit geprikkeld zou zijn, om tegen den man in te gaan, toch nöwnt dit niet weg, dat de man ook d^r hoofd des gezins zou geweest zijn, en al-hoofd door zijn vrouw zou zijn geëerd. En nu is het wel volkomen waar, dat deze onderworpenheid van de vrouw aan den man.thans, in onze zondige toestanden, niet zelden tot oo schandelijk misbruik leidt, dat het bij God en menschen geklaagd is; maar dat igt niet aan Gods ordening, maar uitsluiend aan het slechte gebruik door ons an die ordening gemaakt.

De lezing van Efeze 5 : 22—24 vergeleken et Efeze 5 : 25—28 is hier overtuigend. ant zeer zeker, er staat in Efeze 5 : 22—4, at de vrouw den man onderworpen is. Het taat er zelfs zeer kras. Hoor slechts : „(Jy rouwen, weest aan uwe eigene mannen onderanig, gelijk aan den Heere; want de man s het hoofd der vrouwe, gelijk ook Christus et Hoofd der gemeente is, en hij is de beouder des lichaams. Daarom, gelijk de geeente aan Christus onderdanig is, alzoo ok de vrouwen aan hare eigene mannen in lles." Sterker kan het wel niet worden uitedrukt; maar lees nu ook wat er op volgt: ij mannen, hebt uwe eigene vrouwen lief, elijk ook Christus de gemeente liefgehad eeft, en zichzelven voor haar heeft overegeven ; opdat hij haar heiligen zoude, haar ereinigd hebbende met het bad des waters oor het woord; opdat hij haar zichzelven eerlijk zoude voorstellen, eene gemeente, ie geen vlek of rimpel heeft, of iets derelijks, maar dat zij zoude heilig zijn en nberispelijk. Alzoo zijn de mannen schulig hunne eigene vrouwen lief te hebben elijk hunne eigene lichamen. Die zijne igene vrouw liefheeft, die heeft zichzelven ief." En nu zij toch gevraagd: an het teeerder, kan het gevoeliger worden uitgerukt.' En gevoelt dan de Christen vrouw iet, dat, waar het aldus „naar het uitwijen van het heilig Evangelie toegaat", een staat beter beschermd en beveiligd s dan de hare?

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 10 februari 1901

De Heraut | 4 Pagina's

Van de gemeene Gratie.

Bekijk de hele uitgave van zondag 10 februari 1901

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken