Bekijk het origineel

Uit de Pers.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Uit de Pers.

10 minuten leestijd

Dr. Honig schrijft in Ket 4e gedeelte van zijn betoog nader dit:

Toegekomen ben ik aan de vraag, of metterdaad de dissertatie over Maccovius eene gevaarlijke strekking heeft. Blijkbaar waart u hiervan in Augustus 1899 nog niet zoo zeker. Immers al maaktet u in uwe aankondiging van het proefschrift ook toen reeds enkele bedenkingen, toch spraakt u u destijds niet zoo beslist uit als later. Immers schreeft u toen nog: «indien de jonge Doctor mocht bedoelen, het daarheen (n. 1. tot 't verkiezen van Maccovius als schutspatroon voor de herleefde beweging op het gebied der Geref. Theologie) te leiden, dan hoop ik hem niet te volgen en roep ik aan de kerken toe: waakt en bewaart het pand u toevertrouwd, ook in den schat u door de Dordtsche Synode gelaten." In Augustus '99 wildet u u dus niet uitspreken over de bedoeling van Dr. Kuyper Jr. Ach! dat u daarbij gebleven waart en dat nimmer uit uw pen was gevloeid de bewering: »die opkomende (intellectueel scholasticistische) richting spelt m. i. gevaar voor de kerken!’

Maar, dit nu daargelaten, is er nu werkelijk aanleiding voor uwe verklaring, dat de wissel op onveilig staat ? Ziet, bij 't zoeken naar een ant woord op deze vraag moet (immers ook naar uw oordeel ? ) onderzocht, welk doel de schrijver heeft beoogd.

Nu was t geenszins de bedoeling van Dr. A. Kuyper Jr. de stelling te bepleiten, dat, als men slechts «stijf in de leer' is, het er minder toe doet of men «los in het leven" is. Onomwonden schrijft hij (blz. 38 en 39) •. »Maccovius was te mild en zag te veel door de vingers en ook voor zichzelf was Maccovius, het mag niet verheeld, althans in zijn eerste optreden, verre van streng.cc En welk een diepen afkeer de jeugdige Doctor met u heeft van Theologen, wier levenswijze ongebonden is, blijkt niet minder helder uit de kloeke uitspraak: als alles waar is en de feiten zich werkelijk zoo hebben toegedragen, als hier wordt meegedeeld, dan inderdaad was hij een profaan en infaam Theo loog, dan was zijn leven schandelijk, dan had hij gebannen moeten worden van de «Academie Christo et Ecclesiis dedicata, " en had ook de kerk hem met het Woord als een tweesnijdend scherp zwaard moeten wondena (bl. 45). Zelf hebt u dan ook den schrijver dezen lof niet onthouden (bl. 106).

Evenmin beoogde Dr. A. Kuyper Jr. Maccovius te teekenen als, het model van een dienaar des Woords. Reeds de omstandigheid» dat Maccovius nimmer predikant geweest is zou dit hebben belet. Ook 't feit, door Dr. Kuyper Jr. , ; zelf op den voorgrond gesteld, dat Maccovius «geen zachtmoedig man was, « maar «heftig in zijn drift en lastig van aard, « zou den schrijver genoeg zijn geweest om Maccovius nimmer ten toonbeeld voor herders en leeraars te stellen.' En vervolgens is 't geheel iets anders, of ik handel over de wijze, waarop de Dogmatiek moet gedoceerd, dan wel over eene predikatie en de eischen, welke aan haar te stellen zijn. De kansel is geen katheder. Daarom kan ik op wetenschappelijk gebied de verdienste van Maccovius evenals u i) huldigen, zonder dat ik gevaar loop de gemeente te kwellen met koude en dorre betoogen. Welnu, Dr. Kuyper laat geheel de vraag rusten, hoe de predikatie moet wezen, om al zijne aandacht te richten op de quaestie naar welke methode de Dogmatiek moet onder wezen.

In de derde plaats was het geenszins de strekking van dit proefschrift, te beweren, dat de Scholastiek der Middeleeuwen toch eigenlijk zoo goed is geweest. Herinnert u slechts hoezeer de schrijver tegen deze «jammerlijkste schoolvosserij (blz. 119) toornt." «De echte Theologische Scholastiek en de Middel eeuwsche Scholastiek verschillen daarom hemels breed (blz. 115)." En later (nogmaals van de Middeleeuwsche Scholastiek sprekende) «juist als de Theoloog de verduisterde rede in dienst der Theologie stelt, wordt dit als resultaat verkregen, dat de zonde de ratio prikkelt om magistralis te worden in plaats van ministralis te blijven. En door die zonde heeft de Scholastiek der Middeleeuwen de Theologie als Cognitie Dei revelata juist doen verloopen in een dorre, droge denkgymnastieka (blz. 123).

Vervolgens mag 't niet zóó worden voorgesteld, alsof Dr. Kuyper Jr. van oordeel was, dat Macco vius nimmer stellingen liet verdedigen, waarop rechtmatige aanmerkingen zijn te maken en dat hij nimmer eens viel in de fout van al te abstract en al te spitsvondig te redeneeren. De 4de stelling wijst dit uit.

Eene stelling aldus luidende: «Maccovius is bij zijn te waardeeren opkomen voor het betrekkelijk recht der Scholastieke methode van bewijsvoering op Theologisch gebied, zelf meer dan eens teruggevallen in dezelfde fout, die door de Reformatie terecht in de Middeleeuwsche Scholastiek werd veroordeeld.» En nu is het wel waar, dat de schrijver verzuimd heeft hierop in zijn werk zelf te wijzen, maar dat verandert toch niets aan het feit, dat hij volstrekt niet elk betoog van Maccovius voor zijne rekening neemt.

Wat dan het doel van dit proefschrift is ? Immers geen ander dan te betoogen, dat terecht door Maccovius bij de behandeling der Dogmatiek de dialectisch systematische methode is gevolgd ; en aan te toonen, dat Maccovius van deze methode in ons vaderland de baanbreker is. Zoo oordeelt ook, om een geleerde buiten onzen kring te noemen, de bekende Dr. Kromsigt. Hij schreef in zijne aankondiging van dit proefschrift het volgende: »De beteekenis van het kloeke boekdeel, dat voor ons ligt... ligt niet hierin, dat de reeks van biographieën van onze Gereformeerde patres weer met eene is vermeerderd. Zeker, ook dat is van belang. Maar de eigenlijke beteekenis van deze uitgave is toch deze, dat hier niet alleen eene historische, maar ook eene dogmatische, of liever methodologische studie geleverd wordt. Eene bio graphie over iemand als Maccovius gaf daar aan leiding toe, maar het verdient toch onze dankbare waardeering, dat Dr. Kuyper dit punt zoo »hervorgehoben< ( heeft en daardoor zijne dissertatie eene hoogere mate van belangrijkheid heeft gegeven dan anders het geval zou zijn geweest.

«Zij bestaat uit drie deelen: de biographie van Maccovius (bP. 3—100), de methodologie van M. (bl. 101—244) en de polemiek van M. (blz. 245—401). Men begrijpt, dat het middelste gedeelte het belangrijkste is. Het is m. i. het best geslaagde deel van dit werk. De voorstelling is helder en volledig, terwijl de sympathie van den schrijver voor Maccovius aan het geheel een kracht en onder houdendheid geven, die de lezing zeer veraangenamen. Keurig wordt de met ijver bijeengezochte stof in de verschillende paragraphen gegroepeerd, zoodat M. 's wetenschappelijke methode u duidelijk voor den geest komt te staan.»

Nu heeft Dr. Kuyper er m. i. voor gewaakt dat men hem in dezen niet mis zou verstaan. Toch hebt u blijkbaar zijne bedoeling niet begrepen, U meent, dat hij het pleit he ft gevoerd voor een «scholasticistische richting« en juist het tegendeel is het geval. Op blz. 106 schrijft hij al aanstonds: «het woord Scholastiek kan men bezigen in twee ërlei zin n.l. in een gunstigen en in een ongun stigen zin. In gunstigen zin hebben we daaronder te verstaan het logische indenken van de geopenbaarde waarheid en de dialectische assimi latie daarvan in ons menschelijk bewustzijn. In ongunstigen zin daarentegen, spreekt men van Scholastiek als bedoeld wordt die intellectueele bezigheid, waarbij het niet meer uitsluitend te doen is om de geopenbaarde Waarheid Gods logisch in te denken, en in onze menschelijke denkvormen, zooveel het mogelijk is, te assimileeren, maar wanneer de neiging daarbij opkomt om ons denkvermogen op de heilige waarheden, als een corpus vile, zijn kracht te laten beproeven». En nu strekt al wat volgt juist om met verwerping van het Scholasticisme (de Scholastiek in ongunstigen zin) de Scholastiek in gunstigen zin aan te bevelen. Herlees nog eens, hooggeachte Professor, dit belangrijke deel van het boek; herinner u nog eens, hoe beslist Maccovius de Middeleeuwsche spitsvondigheden verwerpt; hoe hij aan Theologen, die de vreeze Gods niet kennen, toeroept, dat er voor hen geene plaats is op het heilig erf der Theologie (blz. 197, 198) en wat hij zegt van de noodzakelijkheid om bij eigen bevinding den Christus Gods (e kennen (blz. 198) — en u zult gaarne terugnemen uwe verklaring, dat er gevaar dreigt voor de kerken. Sterker nog, het zal u die het heil der kerken met uwe waarschuwing beoogdet, recht aangenaam zijn te bespeuren, dat Dr. Kuyper Jr. naast en niet tegenover u staat.

Natuurlijk kan daarom aan de omschrijving «dialectisch-systematsche methode» boven die van «scholastieke methode» de voorkeur worden ge geven. Zelf zou ik ook hebben gewenscht, dat Dr. Kuyper Jr. van de «dialectisch'-systematische methode» had gesproken — maar dit betreft alleen een verschil in woorden en niet in zaken. Waar u in uwen laatsten brief in den Friesche Kerkbode verklaart, dat u tegen de dialectisch systematische methode geen bezwaar hebt, mits deze in gezonden en breeden zin worde opgevat — daar valt alle twijfel dienaangaande weg. Terwijl wij, om billijk te zijn tegenover Dr. Kuyper Jr., niet mogen vergeten, dat wat door ons de dialectischsystematische methode wordt genoemd, ook door Voetius met den naam van Scholastiek bestempeld wordt.

Dit alles moge voldoende zijn om aan te toonen, dat «de wissel waarlijk niet op onveilig staat.« Het feit, dat enkele m n gelukkige uitdrukkingen in het eerste deel van het boek voorkomen, wordt daarmede niet betwist, maar de hoofdstrekking van het werk, waaraan zooveel moeite is besteed, is dan toch te prijzen. En dat nu de vader onlangs niet te zacht was jegens den zoon, toen hij slechts van enkele min gelukkige uitdrukkingen sprak — zou ik ook nog gaarne in het licht stellen. Om niet al te veel ruimte in beslag te nemen, moet ik dit echter nalaten. Slechts dit. Wat Dr. Kuyper Jr. hier parten heeft gespeeld, is ten iste de neiging om het zooveel m& gelijk op te nemen voor den Held, wiens leven men teekent, en ten sde zijn geestdriftig karakter, hetwelk hem soms deed vergeten, dat gematigdheid ook een sieraad van een geleerde is. En zeg nu eens, waarde Professor, (de vraag zij niet te stout!) aet de hand op uw hart, of u onzen jeugdigen broeder om deze uitdrukkingen niet wat al te streng hebt gestraft ?

Wellicht vraagt u echter nog: maar waarom heeft de hooggeachte Promotor deze uitdrukkingen laten passeeren ? Hierop strekke ten antwoord, dat de Theologische Faculteit natuurlijk eischt dat de Doctoren hun eigen werk in het licht geven en zij daarbij van den regel uitgaat, dat de indivi-' dualiteit zoo min mogelijk moet worden onderdrukt. Eenvormigheid verfoeiende, laat zij gaarne de gelegenheid om binnen den kring der Gerefor meerde beginselen den bizonderen aanleg en het eigen karakter aan het licht te doen treden.

Ook nu weer stellen we vooral den toon van dit schrijven op prijs en ten voorbeeld. Onder broeders mag geen bitterheid heerschen. Zelfs is alleen op voorwaarde en beding, dat spot en bitterheid stelselmatig geweerd blijve, publieke redetwist onder broederen geoorloofd.

1) In uwe aankondiging (Tijdschrift voor Ger. 7'heologie, 7e Jaargang blz. 103) schrijft u: «Zeker er is veel goeds van Maccovius te zeggen. Hij was een geleerd man, een diepe, scherpe, consequente denker, als er weinigen gevonden worden. Daarbij streng, stijf orthodox, tot in «het over rechtzinnige" toe. Misschien was hij wel de grootste dialecticus van zijn tijd en als disputator was hij ongeëvenaard, de schrik van Jezuïeten, Socinianen en Remonstranten en tevens lastig voor schier al zijne vrienden om ze te dringen en te dwingen, om toch maar zoo juist en zoo scherp en in die richting te denken, als hij het vermocht te doen.«

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 7 april 1901

De Heraut | 4 Pagina's

Uit de Pers.

Bekijk de hele uitgave van zondag 7 april 1901

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken