Bekijk het origineel

Nog eens Statuten-wijziging.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Nog eens Statuten-wijziging.

25 minuten leestijd

Statuten-wijziging voor de Vrije Univeriteit beteekent, dat het oogenblik gekomen chijnt, om uit de abnormale in de normale positie over te gaan.

Voor een Universiteit, die bouwt op den grondslag van de twijfelzticht, is het normaal dat ze zich aan niets stoort en haar eigen weg gaat. Maar voor een Universiteit die bouwt op den grondslag van het eloof, en dus in de Kerk als organisme optreedt, ware dit abnormaal, en eischt het normale, dat ze ook met de Kerk als instituut in vaste verhouding trede.

Niet, men versta ons wel, met een Kerk o als instituut, maar met de Kerk als instituut. D. w. z. ze kan en mag zich alleen binden aan een kerkelijk geïnstitueerd leven dat het geheele terrein van haar belijdenis dekt. Een Gereformeerde Universiteit kan en mag alleen in definitief verband treden met de institutie van de Gereformeerde kerken. En niemand b.v. zal dwaas genoeg zijn om te bewaeen, dat een Gereformeerde Universiteit zich zou hebben afhankelijk te stellen vdki één, twee, drie kleine kerkjens, gelijk ze zich onder den naam van Öud-Gereformeerde kerken hier te lande sinds jaren gevestigd hadden.

Het meest gewenscht ware zelfs, dat een Gereformeerde Universiteit zich in verband kon stellen met een confederatie van alle Gereformeerde kerken over heel de wereld. Ontstentenis hiervan dwingt wel om met de nationale geïnstitueerde kerken vrede te nemen, maar vooral in een land zoo klein als het onze is dit reeds niet zonder gevaar. En dit gevaar nu klimt nog, indien, gelijk ten onzent, nog geen tiende deel der geheele bevolking aldus kerkelijk geïnstitueerd samenleeft. In een te kleine groepeering van menschen werkt zoo dikwijls veel te zwak de geest der catholiciteit van Christus kerk, en veel te sterk de groepen-of kastegeest. Een bedenking die nog wint in kracht, indien de groep zoo klein en zoo pas opkomend is, dat de beteekenis der wetenschap, als schepsel Gods, slechts door enkelen in die kleine groep ten volle kan gewaardeerd worden.

Er kon daarom geen sprake van zijn, dat de Vrije Universiteit bij haar optreden in 1880 zich definitief zou gebonden hebben aan de toen bestaande Gereformeerde kerken. Evenmin, dat ze in 1886 zich definitief zou gebonden hebben aan de toen vrij komende Gereformeerde kerken. En eerst toen in 1892 deze beide groepen van kerken 7Az\\ vereenigden, lag de weg voor nader contact gebaand. Toch, gelijk we opmerkten, nog niet geheel; want nog een derde groep Gereformeerden toefde om zich kerkelijk, naar eisch van de beginselen hunner belijdenis, te institueeren. En al bleek nu, helaas, dat dit derde deel zich zelve tot machteloosheid doemt, zoodat er geen wachten op is, toch mag de Vrije Universiteit nooit vergeten, dat de thans vrij geïnstitueerde Gereformeerde kerken, zelfs m ons eigen land nog niet het geheele terrein dekken.

Toch achten we, mits men met beleid te werk ga, thans het oogenblik gekomen, om de positie der Vrije Universiteit te normaliseeren, en alsdan dit te doen in den historischen weg, overeenkomstig de lijnen, die in 1619 op de Dordtsche Synode getrokken zijn. En ook komt ons voor, dat wie dat wil, niet talmen moet. Reeds op den nu komenden Universiteitsdag kan de zaak voorbereid en commissoriaal gemaakt worden, en in het najaar kan opzettelijk een afzonderlijke vergadering van de leden der Vereeniging worden opgeroepen, om een en ander zijn beslag te doen krijgen.

Gewenscht zou het daarom zijn, dat de broeders, die reeds in 1880 bedenking tegen Art. 2 van de Statuten inbrachten, thans bijtijds van hun afbrekende tot hun opbouwende critiek overgingen, en duidelijk aanwezen wat het worden moet.

Niet zij die geen bedenking koesteren, maar zij, die bezwaard zijn, zijn hier de geroepenen. Reeds op de Synode van Dordrecht (1896) is soortgelijke bedenking ingebracht, maar toentertijd in het rapport-Bavinck in dezer voege weerlegd:

Ten vijfde wordt door deputaten voorgesteld, om art. 2 der statuten van de Vereeniging voor Hooger onderwijs (zie blz. 33) aldus te wijzigen, dat de Vereeniging voor haar onderwijs staat op den grondslag der H. Schrift naar de verklaring der Gereformeerde Kerken in Nederland.

Deze verklaring schijnt nu bij den eersten opslag het Gereformeerde karakter der Vrije Universiteit te beter te handhaven, maar zij zou haar inderdaad van dat karakter gaan berooven.

Immers, deputaten willen bepaald weggelaten hebben de clausule (een zoodanig gezag daaraan hechtende enz. blz. 33). Maar deze weglating zou de formulieren op gelijke lijn plaatsen met de H. Schrift, en deze zelfs aan de formulieren ondergeschikt maken. Zij zou principieel strijden'met de bedoeling van het Dordsche onderteekeningsformulier, waarin plaats is voor een gravamen tegen de belijdenis op grond van de H. Schrift, mits dit langs den kerkelijken weg worde ingebracht en behandeld.

Vervolgens gaan deputaten uit van de onderstelling dat alle Gereformeerde beginselen, niet alleen voor de theologie maar ook voor alle andere wetenschappen, voldoende in de formuheren van Eenigheid zijn uitgesproken en ontwikkeld. Zij vinden de uitdrukking „Gereformeerde beginselen" te algemeen, stellen haar weglating voor en willen er voor in de plaats stellen: de formulieren van eenigheid. Maar zulk eene opvatting, alsof alle Gereformeerde beginselen voor alk wetenschap reeds in de formulieren zouden geformuleerd zijn, is met den aard eener belijdenis in strijd, miskent de catholiciteit der Gereformeerde beginselen voor heel het terrein der wetenschap en zou in de practijk de andere wetenschappen spoedig geheel van haar Gereformeerd karakter ontdoen.

Voorts wordt door deputaten uit het woordeke mitsdien afgeleid, dat de formulieren lager zijn te stellen dan de Gereformeerde beginselen en naar deze zich schikken moeten. Maar dit volgt er evenmin uit, als wanneer uit de woor­ en van het bevestigingsformulier (dat gij van e gemeente en mitsdien van God geroepen zijt) ordt afgeleid, dat God ondergeschikt is aan de emeente en de gemeente boven God wordt gelaatst. De bedoeling van het mitsdien in art. 2 s alleen deze: omdat de vereeniging voor alle nderwijs staat op den grondslag der Gereforeerde beginselen, en die beginselen voor de heologie juist in de formulieren van eenigheid eformuleerd zijn, daarom zijn deze de grondlag van de Theol. Faculteit.

Nog altoos blijft ons deze weerlegging teekhoudend voorkomen.

Thans echter hebben de heeren Bainck c. s. in No. VII van hun stellingen ver dat vraagstuk aldus geoordeeld:

De bezwaren, om de zorg voor de opleiding tot den dienst des Woords aan de kerken te ontnemen en aan eene Vereeniging over te dragen, nemen nog daardoor toe, dat Art. 2 van de Statuten van de Vereeniging voor Geref. Hooger Onderwijs het standpunt van die Vereeniging en van hare School zoo vaag en onduidelijk omschrijft.

Dat artikel houdt in, dat de Vereeniging voor alle onderwijs, dat in hare scholen gegeven woidt, geheel en uitsluitend staat op den grondslag der Gereformeerde beginselen, en mitsdien als grondslag voor het onderwijs in de Godgeleerdheid erkent de drie Formulieren van Eenigheid.

Voor een ieder is het uit dit artikel duidelijk, dat er onderscheid wordt gemaakt tusschen de Gereformeerde beginselen en de Gereformeerde belijdenisschriften. Wel wordt er een zeker verband tusschen beide gelegd; maar van welken aard dat verband is, wordt met geen woord gezegd. Het onderwijs in het algemeen staat op den grondslag der Gereformeerde beginselen, maar niemand kan zeggen, welke deze zijn.

En wat het Theologisch onderwijs betreft — dit wordt wel gesteld op den grondslag der Geref. belijdenisschriften. Maar dit geschiedt, nadat vooraf gezegd is, dat alle onderwijs staat op den grondslag der Geref. beginselen. De Geref. belijdenisschriften zijn voor het Theologisch onderwijs dus verbindend, omdat en in zoover in die belijdenisschriften Gereformeerde beginselen vervat, omschreven, geformuleerd, begrepen zijn. Hoe men zich hierbij uitdrukken moet, hoe men m. a. w. de verhouding van de Geref. belijdenisschriften tot de Geref. beginselen verstaan moet, is door niemand te zeggen. Maar dit is zeker, dat Art. 2 — om niet sterker te spreken — de opvatting toelaat, dat de Gereformeerde beginselen de toetssteen zijn van de Gereformeerde belijdenisschriften.

Op den grondslag van Art. 2 der Statuten is het mogelijk, om in den naam van de Geref. beginselen de Gereformeerde belijdenisschriften te bestrijden.

Deze uitlegging van Art. 2 is niet met opzet gezocht, maar dringt zich onwillekeurig op aan iemand, die geroepen wordt, over de formuleering opzettelijk na te denken. En ze wordt bovendien gesteund door de wijze, waarop het standpunt der Vereeniging herhaalde malen publiek u teengezet wordt. Natuurlijk raakt deze gansche quaestie niet de personen der Hoogleeraren, die allen met de Geref belijdenisschrif ten instemming betuigen. Maar het geldt hier het standpunt der Vereejiiging als zoodanig.

En dan blijkt het de bedoeling der Vereeniging wel te zijn, om het onderwijs in hare scholen te binden aan de Gereformeerde beginselen, of gelijk het telkens elders omschreven wordt, aan het Calvinisme, aan de Calvinistische levens-en wereldbeschouwing, aan de godsdienstige strooming, die hier te lande sinds de Reformatie zich eene nationale bedding groef, dat is, indien men wil, aan den geest en de hoofdzaak, maar niet aan de letter der belijdenis. De Vereeniging vraagt dus op haar standpunt terecht wel onderteekening van Art. 2 der Statuten, maar maakt nergens van onderteekening der belijdenisschriften gewag. Natuurlijk kan zij dit heden of morgen wel gaan doen; maar zij verlaat dan het standpunt, dat zij van hare oprichting af heeft ingenomen. Confessioneel en wetenschappelijk zijn op dat standpunt met elkander in strijd.

Voor ons niet overtuigend, maar dat doet er niet toe. Indien er broeders zijn, die de formuleering onduidelijk of dubbelzinnig achten, belet niets hun hierin tegemoet te komen, door een nieuw interpretatief artikel in te lasschen, mits men dan maar zoo goed zij, te zeggen, hoe men dat wenschen zou, om alle onzekerheid op te heffen. Anders toch staat men bloot aan het gevaar, dat straks van dezelfde zijde nieuwe bedenkingen rijzen, en zoo ware men even ver.

En voor het overige zij wat onze vaderen in 1619 te Dordrecht begeerden, ons ten richtsnoer. Het is zoo, zij gingen zeer ver. En ook is waar, dat zijj de zaak uitsluitend van kerkelijke zijde bezagen, en niet van de zijde der Universiteit. Maar dat neemt niet weg, dat zij er toch geen oogenblik aan dachten, om het universitair karakter der hoogeschool in het seminaristische over te leiden.

In dat opzicht bleven ze aan den eisch van het Gereformeerde beginsel getrouw; en hun vreeze, dat bij een weer „verzetten van de wet" de Remonstrantsche beginselen nogmaals de bovenhand mochten erlangen, was verre van ongegrond.

Mits derhalve het beginsel van universitaire opleiding niet in het gedrang kome, kan de Vrije Universiteit thans doen, wat de Staten in 1619 weigerden, en aan de Gereformeerde kerken een zeggenschap geven, zoo als ze dit nog nooit bezeten hebben.

De Vrije Universiteit staat niet als mededingster tegen de kerken over, maar wil ze dienen met goede vriendschap.

Alleen aan het universitaire karakter van haar theologische faculteit mag geen afbreuk worden gedaan.

En ook hier beroepen we ons liefst op wat niet wij zelve formuleerden, maar op hetgeen in officieele kerkelijke stukken reeds geformuleerd is. Betoogen, waarvoor we zeer bijzonder de aandacht vragen.

Ze zijn drie in aantal.

Ten eerste een betoog voorkomende in, het rapport-Bavinck, ingediend op de Synode te Dordrecht in 1893, en waarin we dit lezen:

Tweeërlei belangen zijn bij dit ingewikkelde vraagstuk betrokken; die van de Kerk en die

van de Wet€? isckap. En alleen een eerlijke en trouwe behartiging van beider belangen kan ons een juist en duidelijk antwoord aan de hand doen.

De belangen der kerk zijn bij deze vraag gemoeid in dubbelen zin. In de eerste pla!)ts hangt de welstand en bloei der kerk middelijkerwijze af van de Dienaren die haar leiden, en dus van de school waar deze gevormd zijn. De gemeente heeft Godvruchtige en degolijke mannen van noode, onberispelijk, wakker, bekwaam om te leeren. Aan de opleiding dezer Dienaren is dus den kerken zeer veel gelegen. Haar eigen welstand, de bediening des Woords, de zorg der zielen, de uitbreiding van Gods rijk en de eere van Zijnen Naam hangen met deze opleiding ten nauwste samen. Ook heeft de kerk bij de school, waar de Godgeleerdheid beoefend wordt en hare Dienaren gevormd worden, nog een ander belang. De theologie is namelijk eene heilige wetenschap. Zij ontleent haar beginsel, voorwerp en doel niet aan de natuur, maar aan de genade; zij komt, in haar tegenwoordigen vorm, niet uit het gevallen creatuur, maar uit de herschepping voort. Ilaar beginsel is de Heilige Schrift, het Woord onzes Gods. Die Schrift nu is niet uitsluitend, maar dan toch in de eerste plaats aan de gemeente van Christus gegeven. Haar zijn de Woorden Gods toevertrouwd. Zij is de pilaar en vastigheid der waarheid. Zij is door den Geest des Heeren geroepen en bekwaam, om dat Woord Gods te bewaren en te prediken; geestelijk uit te leggen en te belijden; te handhaven en te verdedigen. Zij heeft het Goddelijk ius docendi, het recht en den plicht om te leeren, om de gedachten Gods te stellen tegenover de wijsheid der wereld, en ook als profetesse van den Naam des Heeren te getuigen. Het beginsel, door de vereenigde kerken aanvaard, is dus in dezen zin eer te eng dan te ruim. Er is voor de kerk eene inrichting noodig, daargelaten nu hoe die ontsta, ten eerste ter opleiding harer Dienaren, en ten tweede ter vervulling harer profetische roeping. Meer echter volgt uit het laeginsel der kerk, als instituut, dan ook niet. Indien er alzoo van elders geen andere belangen in het spel kwamen, zou de kerk als zoodanig met eene theologische school desnoods kunnen volstaan; zij zou reeds hierdoor in staat zijn gesteld, om als ecclesia instituta, ten volle aan hare roeping te beantwoorden. Uit de ker ken, als ecclesiae institutiae, d. i. als' zichtbaar geïnstitueerd, kan toch nooit de noodzakelijkheid worden afgeleid, dat de theologie ook in den meer eigenlijken zin als wetenschap onder de wetenschap optrede, en als een eigen kring der universitaire wetenschappen hare plaats in neme. Uit de niet slechts zichtbare, maar ook geïnstitueerde kerk laat zich niets anders en niets meer afleiden, dan dat er eene theologische school beschikbaar moet zijn, die gelegenheid biede voor de opleiding van hare leeraren, en voor het vervullen van die profetische roe ping, die onze geloofsbelijdenis in het ambt der Doctoren op het oog had.

Maar indien wij verder tot den wortel der beginselen teruggaan, treedt de theologie nog met heel andere eischen op dan de kerk, vermits zij ook in verband komt te staan met het geheel onzer menschelijke kennis.

Want wel is de Godgeleerdheid eene bijzondere, een heilige wetenschap, als in beginsel, voorwerp en doel van de andere wetenschappen onderscheiden. Maar beide hebben ze toch haar laatsten grond en haar diepste eenheid in God en in Zijne Souvereiniteit. God is Schepper van beide terreinen, van natuur en genade. Uit Hem zijn alle wetenschappen. En samen hebben ze ook één doel; de eere van Zijn Naam. Ze hebben alle tezamen, ofschoon elk op eigen wijze, de gedachten Gods op te sporen en te vertolken, die Hij in natuur en Schrift neergelegd heeft.

Voorts is de Heilige Schrift wel allereerst het beginsel der theologie, en ter bewaring, prediking en verdediging aan de kerk toebetrouwd. Maar zij heeft toch nog eene veel wijdere strekking. Zij is niet het privaat eigendom der kerk, maar is ook een boek voor de menschheid, voor huisgezin en maatschappij, voor wetenschap en kunst. Zij is geen boek der religie en der moraal alleen, maar zij is norma en richtsnoer, geneesmiddel en correctief voor alle wetenschappen. Zij is altijd en overal een lamp voor den voet en een licht op het pad. En daarom hebben alle wetenschappen de Heilige Schrift noodig en dus ook de voorlichting der theologie.

Daarbij komt, dat alle wetenschap, ook die der theologie, opkomt uit de den mensch ingeschapen aandrift naar kennis, uit den hem eigen drang naar weten. De kennisse Gods was oorspronkelijk niet, gelijk Rome leert, een bovennatuurlijke gave, maar behoorde tot het beeld Gods en tot het wezen van den mensch. En wel is die kennis door de zonde verduisterd geworden, evenals alle andere kennis door haar is bedorven; en wel is ze thans alleen langs buitengewonen weg, door revelatie en illuminatie, in den mensch hersteld. Maar toch is er ook in den toestand der zonde, dank zij dealgemeene genade, een drang naar weten overgebleven, die, mits door de verlichting des Heiligen Geestes in het rechte spoor geleid, der gansche wetenschap het aanzijn geven kan, en ook zoekt door te dringen tot de kennisse Gods. Er is dus, voor den Christen, die alle wetenschap aldus opvat, principieel geen tegenstelling tus schen de theologie en andere wetenschappen. Zij vormen voor hem samen één organisch ge heel. De mensch is er oorspronkelijk en door de verlichting des Heiligen Geestes ook thans weer toe bekwaamd, om God in alle dingen en alle dingen in God te zien en te kennen. Hij rust niet, vóór hij eenheid in zijn denken en harmonie, systeem, in al zijne kennis heeft gebracht.

De geschiedenis leert dan ook, dat deze wetenschappelijke beoefening der theologie (van de formuleering der Godskennisse door de ker ken wel te onderscheiden) niet uit de zichtbaar geïnstitueerde kerk, maar vrij, als heel de Christelijke wetenschap, uit den geheiligden drang naar kennis bij de Christelijke volken is te voorschijn gekomen, en als vanzelf in den kring der wetenschappen eene, ja de eerste plaats heeft ingenomen. De theologie in dezen zin kan dus ook de wetenschappen niet missen. Zij is niet zonder haar, maar door haar hulpe ontstaan. Zij onderstelt veelzijdige litte rarische en philosophische propaedeuse. Zij komt ieder oogenblik met alle vakken der wetenschap in aanraking. En deze wetenschap pen hebben, om zuiver te gaan, de leiding der theologie van noode en hare voorlichting uit de Heilige Schrift. De wetenschappen liggen niet als de vakken van een schaakbord gescheiden naast elkaar, maar snijden en kruisen elkander ieder oogenblik. Daarom is er een strijd der wetenschappen. En juist daardoor is m het Christelijk Europa ten slotte de idee opgekomen om in de Universiteit de eenheid aller wetenschappen te zoeken.

De geïnstitueerde kerken mogen dus, op zichxelve beschouwd, aan eene te harer beschikking zijnde Theologische school genoeg hebben en daarmede tevreden kunnen zijn; de Gereformeerde beginselen eischen, dat de theologie als v/etenschap niet in een seminarie worde opgesloten, maar ook met alle wetenschappen in organisch verband trede en aan de Univer siteit eehe eigene plaats inneme. Aan die beginselen waren de Gereformeerden zelven ten allen tijde getrouw. Zij hebben overal bewust en beslist aan eene Universiteit boven eene Theologische school de voorkeur gegeven. Waar zij het hoogere konden bereiken, waren zij nimmer met het mindere, ook voor de opleiding harer Dienaren, tevreden.

Ten tweede een betoog, te vinden in het rapport-Bavinck, opgesteld tijdens de Synode van Middelburg, 1896, ter beoordeeling van het rapport-Lindeboom, en vs'aarin het heet:

De erkenning van dit belangrijke, onderscheid tusschen Theol. School en Theol. faculteit had naar het oordeel uwer commissie ten gevolge moeten hebben, dat het ook door heel het rapport heen tot den einde toe gehandhaafd ware, en elke poging ware vermeden, om de Theol. faculteit in eene Theol. School te veranderen, en alzoo van haar eigen aard en doel te vervreemden. En toch is dit het streven van heel het rapport. Reeds terstond op bladz. 3 wordt gezegd, dat de kerken moeten trachten van de "Vereeniging voor Hooger onderwijs op Gereformeerden grondslag te verkrijgen, wat zij noodzakelijk achten. En alle beschouwingen en conclusion van het rapport zijn op ditzelfde streven gericht, om het onderscheid tusschen Theol. School [en Theol. faculteit geheel en al uit te wisschen en de Theol. faculteit te veranderen in eene Theol. School.

Zelfs wordt de aard eener Universiteit geheel miskend, als op bladz. 14 gezegd wordt, dat de examina aan de Theol. faculteit, evenals de studiën, alleen wetenschappelijk zijn, zonder opzicht en strekking tot aflevering van ambtenaren in kerk en staat. Wel hadden bladz. 2 H. H. Directeuren geschreven dat aflevering van ambtenaren voor den staat of van leeraren voor de kerken bij eene Universiteit secundaire, niet primaire reden van bestaan heeft. Maar dit is iets gansch anders dan wat door deputaten wordt gezegd. Volgens deputaten be kommert zich eene Universiteit ganschelijk niet om aflevering van ambtenaren en dienaren; volgens H. H. Directeuren is dit secundair. En secundair dan nog in dezen zin alleen, dat volgens het schrijven van H. H. Directeuren de wetenschap, mits naar den Woorde Gods beoefend, het best bekwaamt om ook in de practijk' des levens met vrucht op te treden, jbe deputaten stellen wetenschap en practijk vijandig tegenover elkaar; H. H. Directeuren vinden in den weg der naar Gods Woord beoefende wetenschap ook de beste voorbereiding voor de practijk. En niettegenstaande Deputaten zulk een onjuiste voorstelling van eene Universiteit met eene abstracte wetenschap zich hebben gevormd, doen zij haar telkens geweld aan en berooven haar van haar eerst haar toegeschreven eigen aard en karakter.

In de tweede plaats vestigt uwe commissie er de aandacht op, dat de Gereformeerde Kerken het aloud Gereformeerd beginsel van vrije studie niet vernietigd willen zien. Nu wordt onder die vrije studie zeker niet verstaan het recht, dat elk, van wat herkomst, leven of opleiding ook, hebben zou, om door de kerken praeparatoir of peremtoir te worden geëxami neerd. Maar zeker ligt in dit beginsel van vrije studie wel opgesloten, dat de kerken niet behoeven te doen wat der kerken niet is; in in casu niet de wetten zullen voorschrijven, die voor de opleiding van al haar aanstaande dienaren gelden zullen.

Toch gaat het rapport hier geheel tegen in. Het beginsel van vrije studie wordt er in miskend en vernietigd. Aan de Theol. faculteit der Vrije Universiteit wordt alle vrije beweging ontnomen. Zij komt ten deele in nog ongunstiger conditie dan de Theol. School te staan. In studie, methode, onderwijs, examens heeft zij zich geheel en al te schikken naar de bepalingen der kerken. Deze zijn het, die ook op het terrein der wetenschap haar gezag laten gelden en ook op universitair terrein alles willen beheerschen. Van eene vrije levensbeweging der wetenschap, van een groei en ontwikkeling naar haar eigen aard, gelijk God de Heere dat aan elk soort van schepsel ingeschapen en als voorwaarde des levens gesteld heeft, is in het rapport niets te bespeuren. De wetenschap schijnt geen schepsel van God Almachtig; zij heeft geen eigen leven, geen eigen aard, en geen ontwikkeling naar haren aard.

Wel schijnt het eene enkele maal, alsof deputaten deze vrijheid van wetenschap en school binnen haar eigen kring hebben willen erkennen. Op bladz. 34 wordt t; ch gezegd, dat de Universiteit vrij blijft, hoe zij het onderwijs wil inrichten, voor degenen, die alleen om de wetenschap haar onderwijs zoeken. Maar voor allen, die de Gereformeerde Kerken wenschen te dienen, moet het onderwijs zich richten op de voorbereiding voor de heilige bediening.

Alsof er dan nog eenige vrijheid overbleef! Als de valsche tegenstelling van het rapporf tusschen wetenschap en practijk doorging, zouden er natuurlijk geen studenten voor de Theol. faculteit overblijven. En voor zulke studenten, die er niet meer zijn en komen zouden, zou het onderwijs dan kunnen ingericht worden naar den eisch der wetenschap, vrij en ongestoord !

En ten derde het betoog, waarop we reeds vroeger wezen, genomen uit de Memorie van de HH. Van Andel, Bavinck, Donner, Littooy en Noordtzij, van 1889, waar het heet:

Wij mogen zelfs nog verdergaan. Eene Kerk, die hare roeping verstaat, kan op den duur met een Seminarie of Theol. School niet tevreden zijn. De verhouding, waarin de Open baring tot de wetenschap staat, eischt eene Universiteit, Die verhouding verschilt, al naar gelang men het verband verschillend denkt tusschen de eerste en de tweede schepping. Naar gereformeerd belijden nu is de herschepping geen volstrekt nieuwe schepping, die onvereenigd en onverzoend naast en buiten en tegenover de eerste schepping blijft staan, maar eene ^«/-schepping van wat door de zonde wanschapen, eene /i^rvorming van wat in den val w/jvormd werd. God heeft de wereld, en in die wereld ook de wetenschap, liefgehad; en daarom is ook Christus gekomen, niet om die wereld te verderven, maar om ze te behouden en zalig te maken. Gelijk de Kerk niet is van de wereld, maar toch in haar ingaat en juist midden in die wereld bewaard wordt van den booze; gelijk het Koninkrijk Gods uit de hemelen is, maar toch als een zuurdeesem alle koninkrijken der aarde doordringt; zoo blijft ook de Openbaring niet geïsoleerd naast de wetenschap staan, maar zoekt verband met haar en werkt vernieuwend op haar in. Alle dualisme is doopersch. Alle vermenging is pantheïstisch. Maar het gereformeerd Theïsme belijdt, dat God wel oneindig verheven is boven, maar toch met zijn wezen tegenwoordig is in al het geschapene; dat het Goddelijke en het menschelijke, het hemelsche en het aardsche, niet onverzoend naast en tegenover elkander blijven staan, maar zonder vermenging, op de nauwste wijze vereenigd worden; en dat dus ook de Openbaring niet in eigen kring zich terugtrekt, maar zonder zichzelve te verliezen verbinding met de wetenschap zoekt.

Inderdaad is dan ook de wetenschap der Openbaring, dat is de Godgeleerdheid, niet zonder hulp van de menschelijke wetenschappen ontstaan. In ruimeren zin kan men ook de kennis Gods bij Profeten en Apostelen Godgeleerdheid noemen. Maar die kennis is toch in de H. Schriften niet vrucht van menschelijk nadenken maar van openbaring; niet van reflexie maar van inspiratie. De waarheid is daar nog niet door het denkend bewustzijn heengegaan, nog niet in afgetrokken begrippen omgezet, nog in geen logisch samenhangend stelsel geordend; maar als bij aanschouwing, onmiddellijk gegrepen en in de concrete vormen van historie en profetie, van lied en spreuke, van brief en visioen nedergelegd. De Godgeleerdheid in engeren en meer eigenlijken zin is in de Christelijke Kerk allengs opgeko men, met behulp van de aardsche wetenschappen, die onder de leiding en algeraeene werking van Gods Geest in Griekenland en Rome waren ontstaan en tot op den huldigen dag mede den grondslag vormen van onze ontwikkeling en beschaving. Niet allereerst uit behoefte, om dienaren der Kerk te kweeken, maar uit den drang om tegen de Heidensche wetenschap de Christelijke over te stellen, is de Godgeleerdheid geboren. Wel een bewijs, dat deze nog eene andere taak heeft dan de opleiding van toekomstige Bedienaren des Woords, dat het Christendom ook eene roeping heeft tegenover de wetenschap.

De Godgeleerdheid kan dan ook nu nog niet zijn, wat zij wezen moet en niet aan hare roeping beantwoorden, wanneer zij van de wetenschappen zich afzondert en tot eigen gebied zich beperkt. Zij heeft geen rust voordat zij eene plaats te midden harer zusteren in de Universiteit heeft ingenomen. Wel is zij, evenals de Kerk en het Godsrijk, iets gansch bijzonders en eigenaardigs; eene zelfstandige wetenschap, met een eigen beginsel, voorwerp en doel, ja meer nog, zij is eene heilige wetenschap. Maar heilig is zij, niet afgescheiden; rein en onbesmet zich bewarende, geeft zij zichzelve toch ook; zij is niet uit de wereld, ook niet uit de wereld van het menschelijk denken, maar zij sluit evenmin achter een hoog opgetrokken muur des afscheidsels van die wereld zich af. Zij doet als Jezus, die uit den hemel, toch in deze wereld is neergedaald, die afgescheiden van de zondaren, toch met hen gemeenschap zocht, om hen te behouden en zalig te maken.

Zoo, opgenomen in den kring der Universitaire wetenschappen, kan de Godgeleerdheid ook eerst hare taak vervullen in betrekking tot de opleiding van de aanstaande dienaren der Kerk. Want die dienaren hebben immers het woord te brengen niet aan menschen, die in cellen, kloosters en woestijnen zich hebben afgezonderd, maar aan menschen die midden in het gewoel der wereld leven en lijden. Aan allerlei rangen en standen, aan rijken en armen, aan beschaafden en onbeschaafden, aan wijzen en eenvoudigen moet het Evangelie worden verkondigd; en aan ieder in zijne taal en naar zijne behoefte. De prediker des Evangelies moet den Joden een Jood, den Grieken een Griek, en allen alles worden, opdat hij er eenigen behouden mocht. En voor de opleiding tot die taak is een Seminarie of eene Theol. School niet voldoende en niet geschikt. Een Seminarie is naar het hart van Rome, dat in den priester een „geestelijke" ziet, een uitsluitend kerkelijk persoon, afgescheiden van de wereld en daarom aan het coelibaat onderworpen. Kloosterachtige J opvoeding en klerikale opleiding zijn daar geheel op heur plaats. Maar het gereformeerde Protes tantisme wil iets anders; het ziet in de bedienaren des Woords geen „geestelijken" maar menschen, wien niets menschelijks vreemd is, die echter alles heiligen door het woord van God en door het gebed. Het kan daarom ook bij eene Theol. School niet blijven staan, maar streeft krachtens zijn beginsel naar eene Vrije Christelijke Universiteit.

Hier is het dus niet de vraag, of ook niet ook aan een Seminarie de theologie op wetenschappelijke wijze kan onderwezen wordeti. Dit te ontkennen, ware de ongerijmdheid zelve. Meer dan één Jezuïet, heeft, hoezeer aan een Seminarie geplaatst, geschriften gepubliceerd, die door geleerdheid uitmunten. De mogelijkheid bestaat dus alleszins, dat ook aan een Gereformeerd Seminarie nu of dan een man van eminente geleerdheid optrede, die zelfs boven menig universitair hoogleeraar van onze Staatshoogescholen uitsteekt.

Maar dit is toevallig, dit raakt het beginsel niet. De vraag is en blijft, of de kerken van Godswege het recht hebben, om aan de Theologie den weg harer wetenschappelijke ontwikkeling voor te schrijven, of wel dat de Theologie, evenals elke wetenschap, een schepsel Gods met eigen levenswet en eigen levensverband is.

Het doet er toch niet toe, of zekere groep kerken op zeker oogenblik zegt: Daarin wil ik de Theologie vrij laten; leve ze naar haar eigen van God ontvangen wet! Het staat toch vast, dat de kerken over tien of twintig jaren, wanneer doet er niet toe, heel anders kunnen gaan oordeelen. En als zij dan het recht van aanstelling, van instructie en van salarieering der theologische hoogleeraren hebben, kunnen de kerken deze mannen dwingen, en alzoo stuk voor stuk de rechten der wetenschap te niet doen.

En dit nu kan noch mag de Universiteit, dit kan noch mag de Gereformeerde belijder ooit toegeven.

Dat is natuur en genade verwarren.

Geen enkele kerk heeft zulk een eisch dan ook ooit durven stellen, en geen enkele Universiteit zou ze ooit hebben ingewilligd.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 21 april 1901

De Heraut | 4 Pagina's

Nog eens Statuten-wijziging.

Bekijk de hele uitgave van zondag 21 april 1901

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken