Bekijk het origineel

„Gode lebende in Christus Jezus.”

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

„Gode lebende in Christus Jezus.”

10 minuten leestijd

Alzoo ook gijlieden, houdt het daarvoor, dat gij wel der zonde dood zijt, maar Gode levende zijt in Christus Jezus onzen Heere. Rom. 6 : ii.

Tweeërlei toestand doorleeft wie gelooft.

De ééne maal zijt ge in een stemming, die u geestelijk bevredigt. Een ander maal trekt er geen geestelijk spiertje in u, en gaat ge op in drukte en overleggingen, die u gewoonwereldsch maken. Of wilt ge korter gezegd, ge leeft de ééne maal met Jezus, en de andere maal zonder Jezus.

Niet dat ge in die koude dorre uren, en soms dagen, Jezus verloochenen zoudt. Dat van verre niet. Eer zult ge ook onder dat winteren van üw hart nog een halfgemeend gebed naar uw God opzenden, en in dat gebed zijn genade inroepen om Jezus wil.

Kenmerk van die ongeestelijke stemming is maar, dat ge, uit u zelf en zonder aanleiding, niet aan Jezus denkt. Dat geen enkele bezieling u uit zijn heerlijken naam in het hart straalt. Dat ge in geen uitgang der liefde van üw hart naar Jezus verlangt. Dat hij u niet bcheerscht. Dat ge hem niet als uw koning over u en in u voelt. Dat ge wel weet dat Jems bestaat, en dat gij bestaat, maar dat üw bestaan toch feitelijk buiten Jezus omgaat.

In uw geestelijke stemming, dan is er een band aan Jezus, die trekt. Als ge ook maar even voelt, dat ge van hem zoudt vervreemden, hindert u dat, en spant ge u opzettelijk in, om dien band weer werkende te maken. En dat volstrekt niet alleen door sentiment en meditatie of door liefelijk gepeins in de eenzaamheid, maar onder al uw arbeid door, zoodat het de geest van Christus is die u richt en stuurt, die u geen meester over u zelven laat, maar koninklijk heerscht in wat ge denkt en wilt en doet.

Met Jezus of zonder Jezus blijft daarom voor dat diepgaand verschil van toestand, de korte, juiste uitdrukking.

Niet, dat weet ge ook wel, alsof in die oogenblikken, die gij zonder Jezus doorleeft, Jezus ook zonder u zou leven. Bij hem is nooit schaduw van omkeering. Zijt ge hem eenmaal ingelijfd, zijn eigendom, en in het bundelken der levenden besloten, dan kan niemand u uit zijn hand rukken. Dan houdt Jezus nooit op voor u te bidden. Hij als het hoofd is van zijn geestelijk lichaam onafscheidelijk, en in dat geestelijk lichaam, laat hij niet ééne van zijn leden los ook al bekleedt dat lid in zijn geestelijk lichaam ook nog zulk een ondergeschikte plaats. De maan is niets meer dan een stipken vergeleken bij de groote planeten, en die groote planeten zijn weer klein bij de zon vergeleken, en onze zon is weer klein, gemeten naar veel grootere vaste sterren, maar toch houdt God die kleine maan even vast in haar baan als de smaragdketen van zijn wit-gloeienden melkweg. En zoo ook maakt het voor Jezus geen verschil, of hij aan een Petrus of een Thomas, aan een Paulus of een Silas denkt. Niet één verloste is van zijn Heiland vergeten. Klein of groot van beteekenis, maakt voor Jezus in zijn bidden voor zijn verlosten geen verschil.

Neen, het verschil tusschen geestelijken en ongeestelijken toestand is niet in Jezus, maar in u. In uw gemoedsbestaan. In uw gewaarwording. In uw stemming. De ééne maal een „sa& mgevoegd zijn van uw hart" in de vreeze des Heeren, en de andere maal een bitter verstrooid zijn, dat al het heilige u ontglipt.

Vandaar geen vaste stand, maar een eb en vloed.

Oogenblii& en, dat ge Gode leeft in Christus Jezus. Dan oogenblikken, dat ge buiten Jezus zijt geraakt, en voor uw God als dood zijt. Eii dan weer, o, zoo zalig, het u toevloeien van de wateren des levens. Een weer opstaan uit den dood uwer ziele. Een weer geestelijk verrezen zijn. Een weer leven in uw God.

Die band met Jezus is een mysterie, zooals alle geestelijke band, ook al komt hij uit het bloed op, een mysterie is en blijft.

Ge weet, dat ge ook één geslacht met uw vader, uw moeder, uw broeders, uw zusters zijt. Ge zijt wel elk voor uzelven een eigen wezen, en loopt wel elk uw eigen weg. Maar toch zijt ge één gezin, één geslacht, één lichaam en sa& m één familie vormend. Doch hoe veel sterker voelt ge dit niet het ééne oogenblik dan het andere. Soms zult ge een dag lang niets van dien band gevoelen. Maar gebeurt er iets, dat de eere van uw gezin aantast, of bedreigt krankheid een der uwen met den dood, dan leeft op eenmaal dat familiegevoel in u op, dan begint op eenmaal die anders zoo slappe teand machtig te trekken. Dan voelt ge u één en onafscheidelijk. Dan is het één leven, dat ia B en in uw heven leeft.

En zoo is het ook met den mystieken band, die u aan uw volk bindt. Ook een natie, een volk is één hchaam. Maar in den regel voelt ge dat niet. Tot de eere van uw land of het recht van uw volk wordt aangerand. En gaat het dan op een worsteling op leven of dood met een ander volk, dat het zwaard den strijd beslechten moet, dan leeft op eenmaal dat volksgevoel met volle kracht op, overstemt voor een tijdlang elke andere gewaarwording, en doet u, met heldenmoed, om het vaderland te redden, ingaan tot in den dood.

Soortgelijk nu is de mystieke band die u één doet zijn met het geestelijk lichaam van Christus. Heiliger, het is zoo; nóg geheimzinniger; meer rechtstreeks een band aan Christus als het Hoofd. Maar toch in den grond der zaak soortgelijk. De vele verlosten van voorheen, en van nu, en van later, tot één lichaam onder Christus geworden. Allen saam één plante in Hem. Eén heilig gezin, dat zijn thuis heeft in het Vaderhuis. En die allen daarom één in Hem, omdat het de ééne Heilige Geest is, die in Hem als het hoofd en in ons als zijn leden woont, en aldus één hooger leven uit Hem in ons, en door ons tot Hem terug doet stroomen.

Ge ziet die eenheid niet, want ieder gaat zijn eigen weg en schijnt geheel apart te leven. Maar dit is gezichtsbedrog. In hoeveel kerken pok gedeeld, hoe ook plaatselijk gescheiden, toch staan we voor Gods oog feitelijk als één organisme, als ééne plant, als één lichaam, als één heilige familie als één saamhoorend Goddelijk gezin. En of de band aan Jezus trekt of niet trekt, die band is er, en door niets dan dien band aan Jezus ligt ge voor het anker uwer hope vast.

Maar ook hier is de gevoeligheid en de ongevoeligheid. De ééne maal een sterk prikkelen van de liefde, en een ander maal een verflauwen van die liefde tot bevriezens toe. EB nu is al de strijd des geloofs maar, om die ongevoeligheid in te perken, en die gevoeligheid duurzamer te maken.

Er zijn er, die zes dagen op de zeven ongevoelig voor Jezus zullen doorleven, om hoogstens één dag de prikkeling der heilige liefde te ervaren. Maar er zijn er ook, die het zoover brachten, dat ze geen dag meer doorleven, waarin de liefde voor Jezus niet in hen opwelde.

Er zijn er^ die onaandoenlijk in hun ongevoeligheid voortsukkelen, tot de gevoeligheid der liefde hen ongemerkt weer verrassen komt. En er zijn er anderen, die, zoodra de gevoeligheid in hen ophoudt, er tegen strijden met al de kracht huns geloofs; die opzettelijk mijden al wat de gevoeligheid te niet zou doen, en opzettelijk zoeken al wat de gevoeligheid dezer liefde weer kan opwekken.

Aan leeftijd is dit niet gebonden. Ge vindt er met grijze haren, die dagen lang leven kunnen, alsof Jezus hun niet aanging, en ge vindt jonge mannen en jonge dochters, die geen dag zonder Jezus zijn.

Alleen dit mag gezegd, dat in de eerste periode na bewuste bekeering de drang naar Jezus veelal het sterkst prikkelt, en dat daarentegen, lang na die zalige ure, de geestdrift niet zelden wordt gebluscht.

Maar vast staat wel, dat het aller Christenen plicht en roeping is, om op hun eigen zielsleven nauwkeurig toe te zien, en het er geeste lijk op toe te leggen, dat de vakken in hun leven, dat ze onaandoenlijk waren, tot al kleiner afmetingen worden teruggebracht, en dat omgekeerd die perioden in hun leven, dat ze fijn en teeder aandoenlijk voor de liefde van hun Heiland waren, steeds mogen worden verbreed.

Iets waarvoor één der beste middelen is, dat men zich oefent, om de broederen lief te hebben; die broederen vooral die niet lief tegen u zijn. Of zegt u de apostel niet: Indien gij den broeder niet lief hebt dien gij ziet, hoe zult gij God liefhebben, dien gij niet ziet?

Nu is het verschil in geestesstemming, die hierbij aan den dag treedt, zeer scherp ge teekend.

In al die oogenblikken, waarin ge den band aan Jezus werkzaam maakt, hebt ge de verzoening in zijn bloed, namelijk de vergeving uwer zonden.

Dat is het vaste kenmerk. Er is geen vergeving van zonde dan in Jezus en door zijn bloed. Raakt ge nu van Jezus af, zoodat ge, ongevoelig en onaandoenlijk, buiten hem leeft, dan keert opeens al uw zonde onverzoend en onvergeven, terug. Dan voelt ge u weer als de oude zondaar, met al uw bittere schuld en uw heimelijke zonde voor uw eigen rekening.

Dan zijt ge als de kinderen der wereld. Alleen met dit verschil, dat zij om hun zonde niet denken, maar dat God u uw zonde op uw hart doet wegen.

Maar zóó gevoelt ge u niet weer in Christus, zóó keert de aandoenlijkheid en gevoeligheid van deze heilige liefde, die u aan Jezus bindt, niet terug, of op hetzelfde oogenblik glijdt u die last uwer zonden weer van de schouders, voelt ge dat God u al uw zonden vergeven heeft; staat ge weer op als een verloste en een nieuw schepsel; en ervaart ge in uw eigen zielsbesef, dat ge als kind van uw God vrede door het bloed des Kruises hebt.

En hiervan is dan het onmiddellijk gevolg, dat ge opnieuw weerstandsvermogen tegen de zonde in u voelt werken.

Die oogenblikken, dat ge geen band aan Jezus hebt, en al uw zonden weer voor uw eigen rekening liggen, is de zonde u te machtig. Dan verrast, verleidt en vermeestert ze u. Dan is het niets dan bijzondere, door u niet eens gemerkte genade, zoo ge niet bezweekt. Ook al is er dan een nietzondigen, dan is het toch geen overwinning, maar een wegvallen van de verleidende macht.

Ieder onzer weet dan ook door al te jammerlijke herinnering uit zulke dagen der ongevoeligheid, hoe we keer op keer van achteren onszelven te veroordeelen, en onzen ongerechtigen wandel te beweenen hadden.

Dan zijn we weer de oude slaven en slavinnen geweest, en hebben we ons niet kunnen gevoelen als kinderen van onzen God.

Maar laat de band met Jezus ons weer gaan trekken, laat de gevoeligheid der liefde voor Jezus en het stil geloof weer prikkelen gaan, en aanstonds hebt ge weer de heerlijke winst, dat ge niet alleen de vergeving uwer zonden in het bloed des Kruises terug hebt, maar ook u opeens weer sterker tegenover nieuwe zonden gevoelt. Dan haat ge opeens, wat straks nog u aantrok. Dan voelt ge het weerstandsvermogen u in den adem uwer ziel zwellen. Dan tart ge Satan, dat hij af moet deinzen. En dan is er dat zalige overwinningsgevoel, dat alleen dan onze borst doorstroomt, als we niet onderlagen, maar dé zonde van ons stieten.

Dan, maar ook dan alleen, voelen we de realiteit van wat de apostel zegt: „Wie uit God geboren is, zondigt niet, en hij kan niet zondigen, want het zaad Gods blijft in hem.”

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 21 april 1901

De Heraut | 4 Pagina's

„Gode lebende in Christus Jezus.”

Bekijk de hele uitgave van zondag 21 april 1901

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken