Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Eeredienst.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Eeredienst.

12 minuten leestijd

LXX.

Na de keuze, of wil men, na de bepaling van den tekst, komt de liturgische vraag aan de orde, in ^velke positie de Dienaar zich met dezen tekst, voor de Gemeente heeft te plaatsen. Zoo gevoelt ieder terstond, dat de Dienaar, met een Zondagsafdeeling van den Heidelbergschen Catechismus optredende, heel anders tegenover de Gemeente staat, dan bij eene predicatie op een Biddag. En ook deze positie nu wordt beheerscht door liturgische wet, niet door de Homiletiek. De Homiletiek of de dusgenaamde Predikkunde, is de theoretische uiteenzetting van de kunst, om hetgeen te doen valt, uit te voeren en tot stand te brengen; maar de bepaling welke die te volvoeren taak, wat dat uit te voeren program is, bepaalt niet de Homiletiek zelf, die wordt haar aangewezen, en het is bij die aanwijzing, dat ook de Liturgie recht van meespreken heeft.

Voor den Dienaar, die optreedt, is er op dat oogenblik allereerst een verhouding waarin hij als gezant des Heeren tot zijn Zender staat. Er is een tweede verhouding, waarin hij als ambtsdrager tot zijn medeambtsdragers in den kerkeraad staat. En in de derde plaats is er een verhouding waarin hij staat tot de Gemeente, en tot op zekere hoogte zelfs tot „hoorders", die van buiten de gemeente of uit nieuwsgierigheid, de vergadering der Gemeente bijwonen. Die drieërlei verhouding nu bepaalt zijn positie op het oogenblik dat hij zal gaan prediken. Hij gaat dan iets anders doen, dan hij deed toen hij voorging in het gebed, de schuldbelijdenis aannam, de vergiffenis door bediening van de sleutelen uitsprak, enz. Hij gaat nu iets heel anders doen, en de wijze waarop hij dat andere zal doen, hangt, althans voor een deel, af van de positie waarin hij zich alsnu tegenover de Gemeente geplaatst ziet.

Acht de prediker, dat de Gemeente, die hij voor zich ziet, zijn „hoorders" zijn, opgekomen om hem te „hooren", om te vernemen wat hij te vertellen heeft, dan is het zijn roeping, krachtens die positie, zijne „hoorders" interessant bezig te houden. Zegt hij daarentegen: „Neen, dat niet; een kerk is geen leeszaal. Ik treed niet op voor „hoorders", maar als gezant des Heeren in de „vergadering der geloo vigen", dan is zijn positie dientengevolge een geheel andere, en moet zijn tekst niet de kapstok zijn, waaraan eenige interessante dingen worden opgehangen, maar moet door hem iets van Godswege en in Zijn naam tot de Gemeente worden gebracht. Zijn positie is dan een geheel andere, en die nsvolgens is het ook heel iets anders wat hij met zijn tekst bij de Gemeente te doen heeft.

Doch wat.?

Is het zijn roeping de Gemeente te onderwijzen? Let wel, we vragen niet, of het, onder meer, óók zijn roeping is, om met zijn tekst voor zich, de gemeente eenige dingen mede te deelen, die zij niet weet, of waaraan zij op dat oogenblik niet denkt, maar of onderwijzen in dien zin het eigenlijke doel van zijn optreden is, en of dus zijn positie als prediker die van den onderwijzer tegenover zijn leerlingen is.

Hierop nu is onderscheidenlijk te antwoorden.

Dat voelt men aanstonds, zoo men de Catechismusprediking stelt naast de prediking over vrijen tekst. De Catechismus is een onderwijzing. De prediking van den Catechismus strekt metterdaad, om de kennis van de Belijdenis der kerk in de Gemeente levendig te houden; en het feit, dat vele leden der Gemeente de Catechismusprediking opgaven, verraadt óf onverschilligheid omtrent de Belijdenis, óf wel toont dat de Catechismusprediking niet meer geeft wat ze geven moest.

In de eeuw na de Reformatie was de Catechismusprediking zelfs het meest gezocht.

De Gemeente gevoelde behoefte om in haar levens-en wereldbeschouwing, gelijk die uit haar gewone belijdenis voortvloeide, bevestigd te worden, en in de zekerheid dat haar Belijdenis de ware en de zuivere was, te worden gesterkt. Thans nam die behoefte af. De tegenstelling tegen Rome, Lutheranen, Arminianen, Wederdoopers enz. boeit niet zoo meer, en de tegenstelling van de Belijdenis der Gemeente tegenover de dwalingen van onzen tijd is in onzen Catechismus niet uitgewerkt. Ze ligt er wel in. Ook kan ze er wel uitgehaald worden; maar ze ligt niet zoo voor de hand. Bepaalt dus de Catechismusprediking zich tot een tamelijk oppervlakkige uiteenzetting van onze Belijdenis tegenover vroegere ketterijen, dan maakt zulks allicht den indruk van het herkauwen van bekende en reeds tot beslissing gebrachte vraagstukken; iets wat goed kan zijn voor pasbeginnenden, maar waar de behoefte van de rijpere elementen in de gemeente niet meer naar uitgaat.

Maar ook zoo blijft dan toch bij de catechismusprediking het onderzvijsend karakter op den voorgrond staan. Ze mag niet enkel doceerend zijn, maar onderwijzing te geven, blijft hier toch hoofddoel; en de catechismusprediking, die dat uit het oog verliest, wordt een gewone predicatie naar aanleiding van wat in den Catechismus voorkomt.

Doch zoo is het met de prediking over vrije teksten niet. Hier kan het doel zeer uiteenloopend videzen. Zeker, het doel kan ook hier onderwijzend zijn, en soms moet het dit wezen. Stelt de prediker zich voor, een deel der Schrift, hetzij groot of klein, voor de gemeente uit te leggen, te verklaren en toe te lichten, dan is en blijft dit onderrichting en dus, zoo men wil, onderwijs. Hij, de prediker, is dan de man, die, als vrucht van zijn studie, in staat was zulk een Schriftstuk te onderzoeken, en die nu het resultaat van zijn onderzoek aan de gemeente mededeelt. Dit kan hij doen met opzicht tot één enkel Schriftwoord. Hij kan het doen ten aanzien van een half of heel kapittel. Hij kan het doen met opzicht tot een verhaal, dat in meerdere boeken van de Heilige Schrift voorkomt, en die verhalen vergelijken.

Dit sluit natuurlijk niet uit, dat hij aan zijn uitlegging allerhande practische opmerking en vermaning kan toevoegen. Dat is bij de Catechismusprediking evenzoo. Maar is de verklaring van het gekozen deel der Heilige Schrift het hoofddoel dat hij zich voorstelt, dan blijft toch het onderwijzend karakter op den voorgrond staan, en is hij de man van meerdere kennis, die aan anderen, die deze kennis missen, de vrucht van zijn studie ten beste geeft. De dusgenaamde Bijbellezing heeft zelfs geen andere strekking. En waar achtereenvolgens een geheel boek der Schrift door den prediker behandeld wordt, kan het niet anders, of diezelfde bedoeling staat op den voorgrond.

Geheel hierbuiten ligt de noodwendigheid, waarin de dienaar bij elke prediking verkeert, om kortelijk het gekozen Schriftwoord in zijn verband toe te lichten. Dat mag nooit ontbreken. Maar het is natuurlijk geheel iets anders, of dit plaats grijpt als korte inleiding op hetgeen de dienaar behandelen gaat, dan wel, of deze uitlegging het grooter deel van zijn predicatie inneemt, en haar hoofddoel is. Zulk een korte inleidende uitlegging wordt bepaald door de meerdere of mindere moeilijkheid, die het Schriftwoord oplevert. Tal van teksten zijn zoo klaar, doorzichtig en op het eerste hooren of lezen verstaanbaar, dat schier elke uitlegging overbodig wordt, en, zoo men ze dan toch breed uitmeet, noodeloos ophoudt en daardoor schaadt. Een woord als „de Heere is mijn herder", verstaat elk lid der Gemeente terstond. Wat wilt ge daarvan dan nog een breede uitlegging geven. Daarentegen, een woord als „Zijn naam ziet het wezen", is op het eerste hooren duister, en kan niet zonder eenigszins breede uitlegging voor de Gemeente behandeld worden. Doch, al verschilt deze korte uitlegging naar de tekst is, toch draagt ze als zoodanig geen ander karakter dan die van inleiding op de eigenlijke predikatie; en geheel hiervan onderscheiden is die andere prediking, die een breeder, een ingewikkelder, een moeilijker stuk der Heilige Schrift tot onderwerp kiest, en zich nu in hoofdzaak voorstelt, dat stuk voor de Gemeente uitlegkundig toe te lichten. Dan toch is de uitlegging geen inleiding, maar de eigenlijke taak, die de Dienaar zich voorstelt.

Die uitlegkundige prediking is uit haar aard wat men noemt «««/J'^ZJIT/Ü of ontledend. Ze neemt het stuk der Schrift voor zich, ontleedt het in zijn deelen, en staat achtereenvolgens bij elk dier deelen stil, ontvouwt er den inhoud van, en knoopt hieraan vermaning en vertroosting vast. Er is dan in zoodanige prediking geen eenheid van gedachte. Er is geen beheerschende, leidende strekking in. Zooals het gekozen Schriftwoord de onderscheiden zaken aan de orde brengt, zoo komen ze achtereenvolgens in de prediking voor. Het een na het ander. En het verband tusschen die onderscheiden stukken is geen ander, dan het toevallig verband waarin ze blijkens den gekozen tekst voorkomen. „Wij dwaalden allen als schapen", is dan een stuk op zichzelf Daarna komt: „Wij keerden ons een iegelijk naar onzen weg." Daarop volgt de behandeling van „onze ongerechtigheid." En eindelijk het feit der verlossing, dat de Heere al onze ongerechtigheid op het Lam Gods heeft doen aanloopen. Zoo wordt de Gemeente achtereenvolgens bepaald bij het karakter der zonde als afdoling van God, bij de eigenwilligheid die de zonde in den persoon kweekt, bij den staat van onze ongerechtigheid voor God, en eindelijk bij de verzoening die in Christus is teweeggebracht. Een veel te breede en te rijke stof, om ook maar meteenige nauwkeurig­

heid of diepte van opvatting behandeld te worden. Vier groote stukken der waarheid, die elk voor zich meer dan één volle predicatie eischen, en die nu achtereenvolgens vluchtig doorloopen worden. Het voordeel hiervan is, dat de gemeente een leiddraad in het Schriftwoord heeft, maar het nadeel, dat de eenheid te loor gaat, dat zulk een predicatie ziel en zinnen niet concentreert, maar langs allerlei paden loopen doet. En, erger nog, dat ze verleidt tot groote oppervlakkigheid; en dat te meer, zoo de prediker zich verlokken laat, om door elk dezer vier groote stukken niet anders dan de algemeen bekende, groote waarheden aan te zeggen. Zulk een prediking doodt.

Zaak is het daarom, de positie van den Dienaar tegenover zijn Gemeente principieel in het oog te vatten. Dan toch gevoelt men aanstonds, dat uit die positie ook wel de noodzakelijkheid van onderwijzing voortvloeit, maar niet minder dat onderwijzing hier slechts één der middelen is, die de Dienaar bezigt om zijn hooge taak te volbrengen. Hij staat tegenover zijn Gemeente als gezant van zijn Zender. Ook wel als broeder onder de broederen, maar slechts in zooverre als hij in een zelfden nood met hen verkeert, en door een zelfde heil als zij staande blijft. Wie predikt, heeft dan ook allereerst tot zichzelven te prediken. Zijn eigen prediking moet allereerst hemzelven, zijn eigen ziel aangrijpen, ze moet bij zijn eigen hart een getuigenis van zijn God zijn. Ze moet in zijn zielsbestaan de proef hebben doorgestaan, dat ze vernedert en opheft, aangrijpt, troost en sticht. Maar verder niet. Predicatie is geen broederlijk vermaan. Ze is ambtelijke verrichting, en hierin principieel van wat men „oefening" genoemd heeft, onderscheiden. Desnoods kan ieder broeder een woord tot stichting onder de broederen spreken, maar dat is heel iets anders. Dat gaat buiten het ambt om, en komt niet voort uit last en zending.

Bezit iemand daarentegen door het ambt die last en zending, dan is zijn positie tegenover de Gemeente die van een gezant, die in naam van zijn Zender de Gemeente iets te verkondigen, te bevelen, op het hart te binden heeft, en aan die positie beantwoordt de synthetische prediking veel meer en veel beter, dan de analytische.

Het verschil tusschen die beide toch is, dat de ontledende of analytische prediking zekeren tekst ontleedt en uitlegt, maar er niet toe komt, om één bepaalde zaak van Godswege te boodschappen, terwijl omgekeerd de synthetische of saamvattende prediking zich juist spitst om die ééne gedachte te grijpen, in die ééne gedachte de boodschap te vinden, die in naam des Heeren aan de Gemeente wordt aangezegd, en nu die ééne boodschap zoo van alle zijde beziet en aan de Gemeente op het hart bindt, dat als de Gemeente naar huis gaat, zij die ééne bood schap medeneemt, er van vervuld is en er zich door laat behecrschen.

Een prediker, die als hij optreedt, klaar en duidelijk weet, wat de zeer bepaalde boodschap is, die hij dien morgen of dien avond, in naam van zijn Zender tot de Gemeente zal brengen, voelt zich als gezant van zijn God. Hij weet wat hij wil. Hij treedt op in het besef van een bepaalde, heilige taak te vervullen. Zijn gedachten en overdenkingen trekken zich sa^m op dat éene punt. Hij put zich uit om dat ééne punt van alle kanten te bezien, op allerlei wijs toe te lichten, het jong en oud, bekeerden en onbekeerden op het hart te binden. Hij weet, dat hij iets te zeggen heeft. Die wetenschap maakt hem welsprekend. Zoo krijgt hij toegang tot de harten. En de gemeente verkeert onder den plechtigen indruk, dat er een woord in naam des Heeren tot haar gesproken wordt, een woord dat voor haar rekening komt, en ze neemt het met zich, als ze huiswaarts keert.

Er is dan geen mogelijkheid, dat de gemeente niet weten zou, waarover de predicatie liep. Het kan dan niet voorkomen, dat men straks reeds de predicatie vergeten is. Men is niet overstelpt met het vele, maar onder den diepen indruk van één enkele waarheid. Die ééne waarheid is dan op den voorgrond getrokken, in haar rijke, ver strekkende beteekenis op de zielen gebonden. Er is dan een Woord Gods tot de Gemeente uitgegaan.

Dit nu is het, wat de positie van den dienaar in de Gemeente eischt. Hij is geen gezant, als hij niet anders doet dan een Schriftwoord uitleggen. Dat js in boeken ook te vinden. Maar ah hij optreedt met het bepaalde doel, om één bijzonder woord, cén speciale boodschap, een scherpbelijnde gedachte, een welgewikte waarheid, in naam van zijn Zender, en met de krachtige overtuiging, dat alzoo het woord Gods is, aan de gemeente aan te zeggen, te verkondigen en op het hart te binden, dan is het prediken hem een lust, een eere, een voorrecht. Dan geniet hij er in, dan voelt hij kracht en bezieling in zich varen, dan wordt de moed in hem heldenmoed, en dan is hij zeker dat zijn prediking boeit, zegen brengt en sticht.

Het is zoo, aldus te prediken is veel moeilijker. De ontledende prediking loopt veel vlotter van stapel. Maar ook hier geldt het: In het zweet uws aanschijns zult ge zelf uw geestelijk brood eten en het geestelijk brood voor de gemeente bereiden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 28 april 1901

De Heraut | 4 Pagina's

Eeredienst.

Bekijk de hele uitgave van zondag 28 april 1901

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken