Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

„In betooning des geestes en der kracht.”

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

„In betooning des geestes en der kracht.”

10 minuten leestijd

En mijne rede en mijne prediking was niet in bewegelijke woorden der menschelijke wijsheid, maar in betooning des geestes en der kracht. I Cor. 2 : 4.

Toen de Koningin van Seba al de pracht en wijsheid van Salomo aanschouwd en be wonderd had, was er ten laatste geen qeesi meer in haar.

Ze schitterde in Seba's residentie zelve door Oostersche hofweelde. Ze had door verhalen en berichten zich een denkbeeld gevormd van de weelde die aan andere hoven heerschte. Ook waren de geruchten uit het verleden tot haar gekomen. Toen ze nu hoorde van de geruchtmakende pracht van Salomo's hof, vormde ze zich van die pracht een denkbeeld in haar geest. Ze deed dit, door uit al die verhalen uit het verleden en uit al die berichten van andere hoven alle vorstelijke pracht in haar gedachten saam te voegen, en door de vindingrijkheid van haar geest het aldus verkregen beeld nóg schitterender te maken. Zoo had ze in haar geest een alles wat ze dusver kende te boven gaande voorstelling van vorstelijken luister en prinselijke heerlijkheid; en met die voorstelling in haar geest kwam ze te Jeruzalem.

Zoolang nu, hetgeen ze daar zag, nog niet anders deed, dan aan die hooggespannen voorstelling beantwoorden, bleef haar geest in haar, al wat ze zag, beheerschen. Maar toen de uitstalling van Salomo's pracht en luister al verder ging, en ten slotte alles overtrof wat ze in haar sterkste verbeelding zich had voorgesteld, toen gaf ze het op. Toen voelde ze, hoe wat ze zag haar geest verre te boven ging.

Toen voelde ze zich door dien aanblik over weldigd en overstelpt. Niet zij beheerschte meer wat ze zag door haar geest, maar haar geest werd almeer geheel beheerscht door wat ze aanschouwde. En toen ging ze geheel in stille bewondering op, „ejt was er geen geest meer in haar".

Hier greep alzoo een worsteling plaats.

Twee geesten stonden hier tegenover elkander. De geest dien zij uit Seba meebracht, en de geest van Salomo die al deze pracht en deïen luister uitgedacht en geschapen had. En nu beeldde zij zich eerst in, dat haar geest de machtigere zou zijn, en dat wat ze te Jeruzalem zien zou, wel het beeld van pracht, dat ze zich in haar geest gevormd had, zeer nabij zou komen, maar het toch in geen geval zou over treffen. Ware dit nu zoo uitgekomen, dan was zij de meerdere gebleven. Nu daarentegen wat ze vond en zag, de schepping bleek van een nóg machtiger geest, nu legde haar geest het af, en gevoelde ze zich door den geest van Salomo, die dit al verwerkelijkt had, overwonnen.

Wat was nu die geest in haar en in Salomo ?

Niet haar of zijn levensgeest. Niet haar of zijn verstand. Neen, het was een ongeziene macht, een geheimzinnige aandrift, een verborgen prikkel, die op beider verzinning en verbeeldmg gewerkt had; die beider denken en verbeelding op het sterkst had gespannen; en die zoo beiden bekwaamd had tot de bevatting van zoo hooge en wonderbare dingen.

Toen er ten slotte in Seba's koningin geen geest meer was, bezat ze nog ten volle haar levensgeest, en haar rijk verstand, en haar weelderige verbeelding; maar die verborgen kracht die anders haar dreef en droeg en bezielde en staande hield, was overwonnen en liet van haar af.

Ze voelde zich niet meer door die innerlijke aandrift gedragen, bezield en aangedreven, maar ze zonk in en gaf het op, en erkende door machtiger geest overwonnen te zijn.

Een gelijke ervaring, maar in omgekeerden zin, als Paulus had opgedaan.

Als altoos achterlijke jood was hij in Grie kenland, en nog wel te Korinthe, in het strijd perk der menschelijke welsprekendheid opgetreden. En onmiskenbaar heerschte in die Grieksche wereld een geest der welsprekendheid, die alle redenaarstalent in de schaduw stelde. Niet hij was daarin geoefend. Hij wist en voelde, dat hij in deze schoone kunst bij de Grieksche redenaars verre ten achter stond. Geen twijfel, of hij zag er tegen op, om in deze schoonspre kende wereld op te treden.

En toch, eenmaal opgetreden, beschaamde de uitkomst zijn vreeze.

Achterlijk in menschelijke redeneerkunst, voelde hij onder het spreken, dat er toch van hem een hooger kracht dan van de beste rede naars uitging. Hij merkte, hoe hem een machtiger geest dreef, dan de geest die uit hen sprak. Zoo bezweek hij niet, maar triomfeerde.

En in dien zin was het, dat hij, straks uit Korinthe vertrokken, aan de kerk van Korin the schrijven kon, dat zijn optreden daarom zoo zegevierend was geweest, omdat hij geschitterd had niet door „woorden van menschelijke wijsheid, " maar „in betooning des geestes en der kracht"

Wat aldus in de koningin van Saba en in den man van Tarsen zoo sterk uitkomt, is de hoofdvraag ook voor uw levensenergie.

Ge belijdt den Heiligen Geest te hebben ontvangen, den Heiligen Geest in uw hart als in zijn tempel met u om te dragen, en te bezitten dien Geest der aanneming tot kinderen, die met uwen geest getuigt, dat ge een kind van God zijt.

Het hoogste, het heerlijkste besef, waardoor ge als kind der menschen kunt gedragen worden! Maar hoe nu ?

Is u dat nu enkel een belijdenis, die u grond geeft voor uw hope op eeuwige zaligheid? . Is het u niets dan de wetenschap van bij Jezus geborgen te zijn, en aan het eind van uw pelgrimsweg niet beschaamd te zullen uitkomen ? Of wel is dit rijk en koninklijk besef u een bezielende kracht, die heel uw leven draagt en verhoogt, en uw levenskracht, uw levensenergie verdubbelt ?

Voelt ge dat die Heilige Geest in u is als een vuur, dat steeds uw hart verwarmt, u bezielt en in g oed zet, en u bekwaamt tot wat anders verre boven uw kracht uit zou gaan?

Ontwaart ge, dat er een prikkel in u werkt, die u geen rust laat, die u gedurig uit uzelven op doet waken, om te spreken waar ge anders zwijgen zoudt, om te handelen waar ge anders stil zoudt zitten, om uzelven te overtreffen, waar ge anders beneden uzelven zinken zoudt?

Merkt ge dat er in u een verborgen stuwkracht perst, die u voortdrijft waar ge, aan uzelven overgelaten, stil zoudt staan; die u een kracht doet bezitten die boven uw eigenlijke kracht uitgaat, en die u dingen doet bestaan, waarvan ge zeil van achteren niet begrijpt, hoe ge ze aandotst?

Is het zóó met u, dan zijt ge niet alleen, maar dan is er Hooger en M, ; erder in u, die den teugel van uw leven in zijn hand heeft genomen, die u leidt en voortdringt, en u ophoudt als ge struikelen zoudt.

Dan staat ge met heel uw persoon en heel uw aanzijn onder de heerschappij van den Heiligen Geest, en dan openbaart zich die Heilige Geest niet alleen in uw gebed, in uw stil ge peins en uw vrome mijmering, maar dan toont die Heilige Geest in u in de eerste plaats voor u te zijn een geest der bezieling en der kracht.

Ge kent het woord inspiratie met name voor de ingeving die den Profeten en Apostelen ten deel viel, en in dien zin is de inspiratie ons natuurlijk geheel vreemd.

Maar als ge leest van de profeten des Ouden Verbonds, dat het hun werd als „een vuur in hun beenderen", zoo dat ze worstelden om het te weerstaan, maar niet konden; of ook leest dat ze „de hand des Heeren" op zich voelden, en door den Geest „gedreven" werden, dan is hier toch sprake van werkingen en krachten, die, zij het ook op beperkter schaal, in het leven van al Gods kinderen worden gekend.

Doch ook afgezien van die enkele, aangrijpende oogenblikken, waarin we ons op buitengewone wijze aangegrepen gevoelden, is er een inspiratie die heel ons leven doordringen moet. De geest wordt in het Oude Verbond genoemd met het woord dat adem en wind bet ekent. En nu, zooals uw adem een veder, die ge in de hand houdt, her-en derwaarts doet nijgen, of ook de wind, het scheepken in het zeil vattend, dat scheepke drijft wervvaarts hij wil, zoo ook is de Geest in ons een macht, die ons aanblaast en ons beweegt. Zei Jezus zelf niet Van den wind hoort gij zijn geluid, en gij weet niet vanwaar hij komt, en aldus is de werking des Geestes.

Om die inspiratie moet gebeden. Die voortdurende inspiratie moet worden afgesmeekt. Die inspiratie, als ze komt en ons drijft, mag niet tegengewerkt. Als ge merkt dat ge haar kwijt zijt, moogt ge niet rusten, eer ge haar terug kreegt. Uit die hooge inspiratie denken, spreken, handelen, dat alleen is „wandelen niet naar het vleesch, maar naar den Geest."

Die inspiratie werkt niet in zonderlingheden, noch in vreemde, excentrieke dingen. Niet om vertoon, maar om betoon is het bij die inspiratie te doen. Niet om opzienbarend vuurwerk, maar om gestadigen rustigen gloed. Niet om arukie, die opspraak maakt, maar om kracht, die zegenend werkt.

Maar dit blijft dan toch, dat als ge terug zinkt in het gewone peil der wereldsche alledaagschheid; als men de hand op uw hart kan leggen, z mder gloed te voelen; als ge dof en gemelijk in uw geest meer sluimert dan waakt, en noch drang, noch aandrift, noch prikkel in u gewaar wordt, — dan is er ^«tf« geest in u, en dan moge de Heilige Geest in de binnenkamer van uw hart schiulen, maar dan werkt Hij niet en gaat er geen kracht van Hem uit, en zal het kind der wereld het in energie en bezieling van u winnen.

De belijdenis van den Heiligen Geest is daarom een levensbelijdenis, die eiken morgen en eiken avond u verheft of u veroordeelt.

Een locomotief kan van de keurigste makelij zijn, maar als het water in den ketel koud is en de kool dof in den haard ligt, is ze niet van haar plaats te krijgen. En dit duurt tot de kool wordt aangestoken, en het vuur opvlamt en het water zijn damp uitgeeft, en dan snelt diezelfde locomotief pijlsnel langs de rails voort. Een oorlogsschip zonder stoom op is een on schadelijk log gevaarte. Maar laat de machine in gloed komen, en het gevaarte gang krijgen, en als een zeemonster zich door het water bewegen, dan is datzelfde gevaarte een macht geworden, waarvoor alles terugdeinst.

En zoo is het ook met u.

Het kan alles binnen in u in orde zijn, en dat ge toch niets uitricht; en eerst als het vuur in u ontstoken wordt en het heilige in u opvlamt, komt het tot geestesuiting en krachtsbetoon.

Of ook, ge kunt alle wapenen tegen de zonde in u bezitten, en dat ge toch weerloos u telkens door de zonde overrompelen laat, en zulks alleen, omdat het water in u koud en de kool in u dof bleef, en geen heilige drijfkracht u in de lenden prikkelt tot verweer.

Ja, is het niet zoo met alle optreden op heilig of profaan gebied?

Een prediker, kan hij niet geleerd en kundig, ter tale vaardig en gekuischt in het woord zijn, en dat er toch geen kracht van hem uitgaat, alleen omdat het vuur niet in zijn beenderen is ontstoken? Of ook, een moeder in huis, kan ze niet in de puntjes net, zuinig als weinigen, en vaardig tot alle werk met de hand zijn, en dat er toch van haar als vrouw en moeder geen kracht en geen bezieling op haar gezin uitgaat, alleen omdat het heilig vuur in haar hart is uitgebluscht ?

En daarom, Pinksteren oordeelt de Gemeente, zoo het ook bij haar niet wordt, dat er lispelende tongen als van vuur gaan gloeien, niet bij een enkele die rijk begaafd is, maar zóó dat het schittere „op een iegelijk van u."

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 26 mei 1901

De Heraut | 4 Pagina's

„In betooning des geestes en der kracht.”

Bekijk de hele uitgave van zondag 26 mei 1901

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken