Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Uit de Pers.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Uit de Pers.

11 minuten leestijd

We geven thans nog het slot van de beschouwing van Dr. A. Kuyper Jr. uit de Friesche Kerkbode.

Hij schrijft daarin na een korte inleiding;

Ritschl is daarom zoo interessant omdat hij voor de religie bestond, wat Lombroso op dezen wijze deed in het natuurlijice leven, t. w. alle schuld wegredeneeren.

Het korat er zoo op aan, goed de doorwerkingvan den tijdgeest in dit stelsel der Ritschliaan sche theologie te kennen. De eeuw die van ons scheidde, heeft in een ontzettende verflauwing der grenzen de menschheid er toe gebracht, om de geestelijke dingen te. behandelen naar de methode der natuurlijke of stoffelijke dingen. Het onderscheid tusschen stof en geest werd niet langer geëerbiedigd. 'Voor het «alles naar zijn eigen aard ' was men blind geworden.

Dezelfde dwaasheid als wanneer men een plant op gelijke wijze wilde behandelen als een dier, en een dier weer op precies dezelfde wijze als een mensch.

De wijzen der wereld hebben ons den afgod van het experimenteele onderzoek, van de empirische methode geschonken, en heel de wereld boog voor dien afgod ter neer; en gelijk men eenmaal zong: Groot is de Diana der Efeziërs, zoo zingt men nu; Groot is de Empire (de Ervaring) van de mannen der wetenschap!

En elke verheffing van het ervaringsonderzoek als zoodanig, was als een plechtig wierookoüer voor dezen nieuwen afgod der empirie, en elke professorale katheder werd ''als een nieuw altaar in den tempel van dezen ervaringsafgod.

De proefondervinderlijke wetenschap werd het «troetelkind' der menschheid. Er was maar één pad, dat men begaan kon, één waarheidspad, wel eng en nauw maar toch wis tot zekere kennis en stellige wetenschap leidende. Men sprak van het senge v/aarheidspad van waarneming en proef neming" en smaalde daarbij op de «inbraakvrije kelder van de Bank der orthodoxe Kerk."

Smalend gezegd; maar eveneens weleer de scheldnaam der Geuzen door onze vaderen, zoo wordt ook deze naam door ons als een eere opgenomen. Bij de Kerk van Christus is werkelijk en wezenlijk de «inbraakvrije kelder, " zooals geen een Bank die heeft.

En waar de wijzen der wereld met dankbare blijdschap constateerden, dat er een steeds toene mende eerbied te erkennen viel voor de methode der ervaring, (lees voor den afgod der ervaring.') daar kunnen wij van eerbiedigen ernst in dit opzicht niet spreken, en vinden den titel «harts tocht der werkelijkheid» een veel juistere benaming. 'Want hartstocht is een veel betere en juistere benaming, dan eerbied voor dat dwepen met de methode der ervaring.

Ritschl was m, ee een priester in dien tempel. Hij werd er zelfs hoogepriester in, waar hij door zijn schitterende gaven zulk een eereplaats zich te veroveren wist, en zoo verreikenden invloed kon machtig worden.

Ritschl is de man die voor ons staat als de groote leerling van Immanuël Kant en Lotze, als geesteskind van Schleiermacher. Immers de wetenschap kon naar het «Roma locuta» i) van de wijzen der tegenwoordige wereld alleen op het gebied der ervaring werken, en alleen de empirische methode kon tot wetenschappelijke» resultaten leiden. Maar dan ook kon de Theologie, zou zij wetenschap zijn en blijven, naar de apodictische uitspraak van Ritschl, zich niet buiten het terrein der ervaring en ondervinding begeven. Haar taak was niet langer zooals ze tot nu toe geweest was, de waarheid te onderzoeken, maar een ge heel andere taak, een gansch nieuwe taak, die hierin bestond : te onderzoeken, te beschrijven, te verklaren de iireligietise verschijnselen'" in hun bestaan, in hun verleden, in hun samenhang. De Theologie had te onderioeken «wat erinmenschen harten omgaat!" •

Deze afgod der ondervinding vraagt zelfs, waar men de knieën voor hem buigt, het offer des geloofs, (sacrificum fidei), en verwijt daaren tegen brutaal weg aan de kerk, dat zij altoos vroeg het offer der rede (sacrificium intellectus).

Dit offer des geloofs heeft Ritschl gebracht op het altaar van den afgod der empirie. Heel zijne theorie, heel zijn stelsel bewijst dat. Onder zoek der religieuse verschijnselen, nasporing van wat er in de harten omgaat! zoo luidde zijn parool. En wat zijn van dit stelsel de «wetenschappelijke" resultaten op Theologisch gebied ? We hebben het gezien. Dan is God de Heere niet langer het aanbiddelijk Drieëenige Wezen. Dan is Jezus Christus niet meer te loven en te prijzen als waarachtig God. Dan is Gods Woord slechts een gewoon historisch boek. Dan is de Heiland geen Borg en Middelaar meer voor Gods uitverkoren volk. Ja dan staat de mensch niet meer van Adam af in de schuld, en wordt hij nog veel minder in zonde ontvangen en geboren uit zijne ouders Want schuld is er dan feitelijk niet, en zonde in eigenlijken zin evenmin. De rechtvaardigmaking is dan niet wegne'ming van de schrikkelijke schuld zelve, maar alleen van het benauwend schuld.i.'xvoel. En verlossing is dan geen verlossing van Gods vloek en Gods toorn, maar alleen een verlossing van de vijandige gesteldheid van ons hart ten opzichte van God dus feitelijk Verzoening onzerzijds met een voorheen zoo jammerlijk miskenden God.

¹) Rome heeft gesproken, en daarmee is het uit.

Dat alles is derijpe, of veeleer de rotte vrucht van deze heillooze methode. En daarom verwerpen wij beslist die empirische methode alleen en uitsluitend om te beschrijven «wat er in de harten omgaat.'

Want wat deze methode wil, nl. aan de Theologie als éénige taak opdragen de godsdienstige ver schijnselen te onderzoeken, en niet de kennisse van God en goddelijke zaken, — dat is de heilige Godgeleerdheid van haar heilig karakter berooven, dat is die edelste aller wetenschappen ontadelen.

Tegenover het dwepen met de ervaring, het troetelkind dezer eeuw, stellen wij het onwrikbaar geloof in de openbaring. In de openbaring Gods in Zijn onfeilbaar Woord.

Ons uitgangspunt nemen we daarbij in wat de Heiland zelf eens zeide tot Nicodemus: Niemand is opgevaren in den hemel, dan die uit den hemel nedergekomen is, namelijk de Zoon des mtnschen die in den hemel is.' (Joh. 3 : 13).

Niemand is in den hemel opgevaren. D. w. z niemand van de kinderen der menschen weet uit eigen middelen (als natuur, rede, ervaring) ook maar iets van den hemel af. De Kantteek, zegt het zoo duidelijk mogelijk, dat we bij dezen tekst niet, op den klank afgaande, aan de hemelvaart moeten denken. Ze verklaart treffend juist deze woorden «niemand is ten hemel opgevaren» aldus: »d. i. met zijn verstand doorgedrongen tot de volmaakte kennis der hemelsche zaken aangaande den Raad Gods van de zaligheid der menschen, om die den menschen te openbaren.' Geen mensch is dus bij machte volmaakte kennisse van de hemelsche zaken uit natuur, rede of ervaring te erlangen. Niemand is ten hemel opgevaren.

Het is dezelfde gedachte die we vinden in Joh. I : 18 waar de Apostel zegt: Niemand heeft ooit God gezien, « en in 1 Tim. 6 : 16 waar het heet: Die een ontoegankelijk licht bewoont, denwelken geen mensch gezien heeft noch zien kan.» Telkens keert die ééne gedachte «niemand is ten hemel opgevarens onder allerlei vorm in de Schrift terug.

Maar aan deze uitspraak wordt nu onmiddellijk door Christus toegevoegd : «dan die uit den hemel is nedergekomen. Er is dus één uit den hemel nedergekomen om ons te verkondigen de dingen des hemels, om er ons wetenschap van te geven en onze kennis er mee te verrijken.

Zoo is er dus wel niemand van de aarde naar den hemel opgevaren. Maar er is één' uit den hemel nedergekomen, d. w. z. de eeniggeboren Zoon die in den schoot des 'Vaders is, en die heef Hem ons verklaard.

Die Zone Gods kwam met eene openbaring. En nu ligt het punt van uitgang niet in onze waar-*neming, noph in onze ervaring, maar in die openbaring, die het God den Heere beliefd heeft naar Zijne vrijmacht en welbehagen door Christus ons te schenken.

Niet de wereld der religieuse verschijnselen, niet wat er omgaat in de harten, maar het Woord des Heeren, de Openbaring onzes Gods, is in de eerste plaats en voor alle dingen voorwerp van ons Godgeleerd onderzoek

Maar nu laat de Heiland in het gesprek met Nicodemus er nog een uiterst gewichtig woord aan vooraf gaan. Hij zeide wel, dat niemand ten hemel was opgevaren, en dat niemand ooit dien God gezien had, die een ontoegankelijk licht bewoont. Hij zeide ook, dat er daarom, krachtens de innerlijke noodzakelijkheid der openbaring, één uit den hemel was nedergekomen, die in den schoot des 'V'aders was om Hem ons te verklaren. Maar voegde er aan toe, en dat is de wonderspreuk, die de wereld nooit zal verstaan : «tenzij dat iemand wederom geboren wordt, kan hij het Koninkrijk Gods niet zien.« En wederom weer: «Zoo iemand niet geboren wordt uit water en Geest, hij kan in het Koninkrijk Gods niet ingaan.«

Die openbaring Gods is er dus. Maar de menschheid gaat ten opzichte dier Goddelijke openbaring in tweeën uiteen. Het ééne deel der menscheid gelooft aan die openbaring, en aanvaardt haar als Gods getuigenis. Maar het andere deel der menschheid gelooft er niet aan, en verwerpt haar beslist. Het zaligmakend geloof en de natuurlijke rede staan hier als vuur en water tegenover elkander. En dit onderscheid hangt van de wedergeboorte af. Waar God het bewustzijn verlichtte en een geopend oog gaf, vergezeld gaande met het innerlijk getuigenis des H. Geestes, daar wordt dat Koninkrijk der hemelen gezien. Maar waar God het niet gaf, daar kan men het ook niet zien, en tast men als een blinde in het donker.

Het is dus het feit der wedergeboorte, dat een ondempbare klove maakt tusschen de twee deelender menschheid.

Wij, die gelooven, vragen niet in de eerste plaats naar de religieuse verschijnselen, maar naar de openbaring des Heeren.

Niet de empirie, maar de revelatie is ons uitgangspunt. Wij vragen niet voor alle dingen naar wat er in ons hart omgaat, maar naar het Woord onzes Gods, wat dat openbaart. Zij het ook, dat deze empirie in ander opzicht van niet te onderschatten beteekenis zij te achten, het Woord onzes Gods blijft van het begin af tot het einde toe on beginsel en uitgangspunt. Dat Woord des Heeren is voor ons maatstaf en richtsnoer, om te beoor deelen of eenig verscjiijnsel al dan niet religieus is, of wat in de harten omgaat goed is of slecht.

Het menschelijk hart, met wat daarin omgaat, kan en nag het beginsel en uitgangspunt niet zijn.

Want arglistig is het hart, meer dan eenig ding. ja doodelijk is het, wie zal het kennen? (Jeremia 17 : 9).

Ook niet het terrein der menschelijke ervaring en waarneming. Want dan klimt niemand ten hemel op. Maar God komt ir Zijn Woord ons openbaren wat geen oog gezien heeft, geen oor gehoord heeft en in geen 's menschen hart is opgeklommen. (Jesaia 64 : 4).

En dat Woord des Heeren verwerpt al die Ritschliaansche idééën, het Iaat er niets van staan. Het noemt het een dwaasheid der menschen, die zich stelt tegenover A.e.wijsheid GoA%. De gemeente des Heeren zij daarom dubbel op hare hoede. Want Ritschl gaat als een wolf rond, maar die in-schaapskleederen is gehuld. Hij spreekt in een taal, die o. zoo verleidelijk is, en met woorden, die dubbelzinnig zijn, misleidt hij de schare.

Daarom houde men onwrikbaar vast aan de grondwaarheden van Gods Woord. De eeuwige schuld is een ontzettende werkelijkheid. God is wel barmhartig, maar ook rechtvaardig. Sion zal door recht verlost worden.

De eeuwige schuld moet betaald worden, of door ons zelven, of door een ander.

Schuld is er, straf wordt geëischt Evenwel, de eeuwige Wijsheid Gods denkt den borgtocht uit. En het bloed van Jezus Christus wordt het bloed der verzoening, de losprijs der zonde.

Treffend is het op te merken, hoe Ritschl eerst alle schuld uit de religie wilde bannen, als zijnde iets ? iat7!urlij/cs. En nu Lombroso ook alle schuld zelfs uit het natuurlijke komt wegnemen en den' misdadiger voor niet toerekenbaar wil verkkren.

Het zijn de grondwaarheden van onze Christelijke belijdenis, die aldus aangerand worden, door de priesters van den afgod der Ervaring, dcor Ritschl en zijn school.

God de Heere zegt: «Gij zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben, dus ook niet den afgod der ervaring en waarneming, om daarop al uw betrouwen te zetten, om daarbij te zweren".

De empirie is de afgod dezer eeuw, waar duizenden voor buigen. Maar de Kerke Gods heeft alleen te vragen naar den Heere, naar Zijne sterkte, naar Zijn Woord en Getuigenis. Daar staat geschreven, was het wapen, dat Jezus aan zijn Kerk in handen heeft gegeven.

Dies laat de Kerk Ritschl evenals Lombroso den nek zien, en niet het aangezicht. En als God spreekt in Zijn Openbaring, dan luistert zij met diep ontzag, en gelooft in Zijn onfeilbaar Woord.

Vooral ter waarschuwing was het goed gezien, om ook onze kerken ten deze voor te lichten.

Hier en daar hebben we ons enkele correctiën veroorloofd. Een goed corrector schijnt op de drukkerij van de Friese he Kerkbode nog steeds te ontbreken.

Wat jammer is.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 23 juni 1901

De Heraut | 4 Pagina's

Uit de Pers.

Bekijk de hele uitgave van zondag 23 juni 1901

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken