Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

„Niet een haar.”

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

„Niet een haar.”

10 minuten leestijd

Doch niet een haar uit uw hoofd zal verloi-en gaan. Luc. 21 : i8.

Meer nog dan ten onzent, en in onze dagen, trok in het Oosten, in de dagen toen de Openbaring tot Israël kwam, de haarkroon, die het hoofd des menschen siert, de opmerkzaamheid.

Tijd en geld en moeite besteedt men thans aan het hoofdhaar veel meer. Onder Israël, in het Oosten, wies het haar veel krachtiger, was veel vaster van tint, en sierlijker in zijn kronkeling, terwijl onder ons Westerlingen ons hoofdhaar spoediger verkleurt en uitvalt, en dies, om niet onoogeüjk te worden, veel vroeger verzorging eischt.

Wat de kroon van den Nazireër was, kon alleen wie den haardos in het Oosten kent, verstaan En als Jezus ons zegt, dat „al de haren onzes hoofds van God geteld zijn", maakt dit op velen onzer lang niet meer den indruk, dien het op de schare bij Genesareth maakte, omdat er bij velen onzer niet zooveel meer te tellen is.

Dit echter is het doorloopend verschil tusschen wat we over ons hoofdhaar in de Schrift lezen, en bij de ijdelheid onzer dagen waarnemen, dat de ijdelheid zich hopeloos inspant, om zelf door kunstmatig gesierden haardos te schitteren, terwijl in de Schrift ook in de haren onzes hoofd het werk Gods wordt gezien, en ook wat boven onzen schedel kroeselt, opleidt tot hooger, en aanleiding wordt om ons hart te doen rusten in de trouwe onzes Gods.

Niet, alsof niet ook onder Israël de ijdelheid rondsloop. De „vlechtingen des haars", hadden ook de gerusten in Sion verleid, en reeds de apostel waarschuwde er de vrouwen van Christelijken huize tegen. Maar naast die pronkzucht der ijdelheid stond toch van oudsher onder Israël de hoogere opvatting. Toen Saul Jonathan als offer wilde doen vallen, riep al het volk hiertegen, onder ecdzwering betuigende dat geen haar van Jonathan's hoofd vallen zou, en in de eere van het Nazireërschap was de haardos van meet af Gode gewijd. En die toon nu, die heel de Schrift doorgaat, en in Jezus' woord zijn hoogste uitdrukking vond, is aan ónze samenleving geheel vreemd geworden. Wat het Christenvolk nog in dien toon betuigt, is meest letterlijk uit de Schrift overgenomen; en uit onze eigen saamleving komt niet anders op, dan óf de slordige veronachtzaming van de kroon onzes hoofds, óf de ijdele bemoeiing, om ook in ons hoofdhaar niet God, maar ons zelven te verheerlijken.

Wat Jezus betuigde: „Gij kant niet éen haar wit of zwart maken", poogt men thans te logenstraffen door ijdele kunstmiddelen, zonder ooit iets anders te bereiken, dan dat men zich aan den schijn vergaapt.

Zelfs tegenover ons hoofdhaar staan we machteloos. God schiep het, ^God bepaalde er voor een iegelijk onzer het aantal, de lengte en de tint van. En dan eerst staan We, voor wat de kroon onzes hoofds aangaat, gelijk we er voor staan moeten, indien we, gelijk heel onze existentie, en gelijk alle stukken en organen van ons lichaam, zoo ook het haar onzes hoofds niet anders bezitten en bewonderen als ^en uitdenksel, een vindsel, een wondere schepping Gods.

Hierin, en hierin alleen ligt de waarborg tegen tweeërlei, zoowel tegen de slordigheid der verwaarloozing, als tegen de pronkzucht der ijdelheid. Tot zelfs in ons hoofdhaar Gode alleen de eerc!

Ook hierin heeft de wetenschap op taal en toon der Schrift het zegel gedrukt. In de dagen toen de Schrift opkwam, had nog niemand het wezen, den oorsprong, den groei en het verloop van ons hoofdhaar nauwkeurig onderzocht. Eerst de microscoop heeft dit mogelijk gemaakt. En dank ^'J deze onderzoekingen, is men thans tot öe ontdekking gekomen, dat één enkel hoofdhaar, niet ongelijk aan eik of ceder, een geheele wereld van wonderen in zich sluit; ^at ook in deze haarwereld wetten en onderscheidingen heerschen; dat het haar on-2es hoofds van andere natuur is, en aan andere wetten gehoorzaamt, dan het haar van oog of kin; dat het haar van den '«ensch in aard en groei van het haar der X\\ verschilt; en dat alle menscheyke kunst, hoe hoog ook opgedreven, volstrekt onmachtig is, om één enkel haar des noofds, dat God niet geplant heeft, te voorschijn te brengen.

Natuurlijk gedoogt ons bestek en de aard van een meditatie niet, hierop in bijzonderheden in te gaan; maar wie zich de moeite gunt, om wat de wetenschap thans omtrent ons hoofdhaar aan het licht bracht, tot in het kleine en bijzondere na te gaan, staat verbaasd én over de almachtigheid Gods, die ons dit sieraad op den schedel schiep, én niet minder over de vaste hand, waarmee Gods Voorzienig bestel voor ieder ras, voor ieder volk, voor ieder mensch, ja tot voor het wicht in moeders schoot, nog eer het geboren is, den aard en de eigenaardigheid van het haar des hoofds bepaald heeft, en het strikt en stipt naar die bepaling doet voortbestaan, verkwijnen en te niet te gaan. Hoe meer ge dan ook die twee, de religieuse opvatting van de Heilige Schrift, en de nauwkeurige kennis, die de wetenschap u ten deze biedt, saamvoegt en in harmonie zet, hoe rijker uws geloofsleven tot in het kleine en in het kleinste wordt.

Als Jezus u zegt, dat al de haren uws hoofds geteld zijn, geteld bij ieder mensch, en bij elk kind, dan doet dit woord van Jezus reeds een onuitsprekelijk gevoel van rust en vertrouwen door uw ziel stroomen. Maar de glans van dat woord wordt nog voor u verhoogd, zoo ge straks, met den microscoop in die wondere wereld van uw hoofdhaar indringende, als voor oogen ziet, hoe niet één enkel haar er kwam of er is, tenzij God het als met zijn eigen Goddelijken vinger in den schedel plantte en het op den schedel in stand houdt.

Het is dan niet meer een tellen, als van den wandelaar die de boomen in het woud telt, maar een tellen als van den Goddelijken hovenier, die elk haarplantje met eigen hand geplant heeft, en eiken morgen en eiken avond besproeit en onderhoudt.

Doch dan leidt dit ook vanzelf hooger op. Er is toch op de haren uws hoofds tweeërlei blik. De ééne zoo ge uw haar in zijn schijnbare nietigheid vergelijkt met al het overige dat uw lichaam uitmaakt. De andere zoo ge het haar op zichzelf beziet als een kunstgewrocht uws Gods.

Bezien nu met dien eersten blik is uw haar als niets. Eiken dag vallen er haren van uw hoofd af, zonder dat ge het zelfs merkt. Trekt men ze u met geweld uit, dan voelt ge even pijn; maar het gewoon verlies van uitgevallen haren gaat geheel ongemerkt toe. Al behoort het haar tot uw lichaam, ge voelt het niet, als de schaar het doorknipt. Ook al schoor men u heel het hoofd kaal, het zou u niet deren. Het kleinste wondje in uw huid doet u pijn. Aan een enkele zenuw des aangezichts kunt ge nameloos lijden. Even op de teenen getrapt, kunt ge van pijn ineenkrimpen. Maar uw haar is voor u als een overgang tusschen uw schedel en uw hoofddeksel. Het hoort bij u, en toch voelt ge het nauwlijks als een deel van uw eigen wezen. Niemand heeft zelf ooit zijn eigen haar laten tellen. Het is voor velen of de zorge voor het haar huns hoofds hun de moeite nauwlijks waard is.

En juist daarom grijpt het dan zoo aan, zoo we hooren, dat er een Ander is, die met ons hoofdhaar zulk een alzijdige bemoeiing heeft; dat Hij de haren van ieders hoofd stuk voor stuk kent; en dat er zonder Diens wil niet één van die haren op ons hoofd van zijn wortel kan worden afgerukt; en dit verrassende gevoel stijgt tot verbazing en bewondering, zoo we dan nog nader hooren, dat die andere geen minder dan de Heere onze God is. Dat die groote en almachtige God, die de starren leidt langs haar banen, en de volkeren regeert en de natiën der wereld astn den teugel leidt, zoo tot in het kleine en schijnbaar nietige zich ook met u en met elk kind des menschen bezig houdt, dat niet maar uw lichaam en uw hoofd, maar elk haar op dat hoofd een voorwerp van zijn kennis en zijn zorge is, en dat, terwijl gij zelf uw eigen uitgevallen haar zorgeloos wegkamt en wegwerpt, elk haar dat uitviel, niet kon uitvallen dan door Gods wil.

En als dan de wetenschap u komt bevestigen, dat elk haar op uw hoofd een geboorte en een geschiedenis heeft, en dat het niet kon bestaan dan door een veelzijdige werldng van Gods kracht, dan openbaart zich tot in dat haar uws hoofds een schouwtooneel van Gods allesomvattende en alles-leidende Voorzienigheid, die u in aanbidding op de knieën brengt, en uw hart doet rusten met de ruste des vertrouwens in wat uw God over u gehengt.

Het is zoo, we mogen in dit kleine niet hangen blijven, en zelfs is het verklaarbaar, dat zoovelen er toe neigen, om „Gods werken" alleen, of althans bij voorkeur, in zijn machtige daden na te speuren. Er is plaats voor den uitroep: „Des Heeren werken zijn zeer groot; wie ooit daarin zijn lust genoot, doorzoekt die ijverig en bestendig."

Maar toch, die aanbidding van God in zijn machtige daden leidt u op het dwaalspoor, zoo ze u verleidt, om het kleine en nietige buiten zijn almachtig bestel en bestuur te sluiten.

Immers dieper gezien, valt voor God alle onderscheid tusschen wat groot en klein is weg, reeds uit de eenvoudige oorzaak, dat al het groote uit onnoembaar kleine deelen is saamgesteld. Een ceder op den Libanon imponeert veel sterker, dan een enkele veder in den vleugel van een dakmusch. Maar onderzoek en ontleed nu dien ceder, en wat anders vindt ge, dan dat zijn pracht in stam en lover de uitkomst is van een onnoemlijk aantal kleine cellen, die één voor één door God aldus besteld, aldus geplaatst en aldus in stand zijn gehouden, en die nu saam den ceder uitmaken.

En zoo is het ook in uw leven, en in het leven van uw volk en vaderland.

Het leven van heel uw volk is de uitkomst van het leven van alle burgers saam. Hun leven is het resultaat van wat er omgaat in ieders hart, in ieders hoofd, in ieders ziel en in ieders lichaam. En tot in dat lichaam is elk deelke en elk stukske weer van invloed op het geheel.

En hierin nu ligt juist het aanbiddelijke van het Goddelijk bestel en bestuur, dat niets niets, wat het ook zij, uit het onbekende voor God opduikt, opdat Hij het daarna besture, maar dat Hij zelf, als God, van binnen uit, alles, in het kleine der deelen en in het groote van het geheel, aldus uitdacht, aldus schiep en samenstelde, a'dus zich vervormen en ontwikkelen liet; en dat er niets, volstrekt niets, zelfs niet één enkel hoofdhaar, voor zijn Goddelijk plan onverschillig is, of buiten zijn Goddelijk bestel en bestuur omgaat.

En hierin is de rust van het hart dat gelooft.

Als zelfs niet één haar zonder Zijn wil ons van het hoofd kan vallen, hoe zouden we dan voor heel ons lichaam, voor heei onze ziel, voor heel ons gezin, voor heel onzen levenskring vertwijfelen aan zijn Almachtige hoede.""

Zoo. God zorgt voor één enkel haar onzes hoofds, wat moet dan niet Zijn Goddelijke zorge zijn voor de verloste ziel, waarvoor het bloed zijns lieven Zoons gevloeid heeft.?

Dit artikel werd u aangeboden door: Vrije Universiteit Amsterdam

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 4 augustus 1901

De Heraut | 2 Pagina's

„Niet een haar.”

Bekijk de hele uitgave van zondag 4 augustus 1901

De Heraut | 2 Pagina's

PDF Bekijken