Bekijk het origineel

„Hoemel gij Mij niet kent.”

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

„Hoemel gij Mij niet kent.”

8 minuten leestijd

Ik ben de Heere, en niemand meer, buiten Mij is er geen God; Ik zal u gorden, hoewel gij Mij niet kent. Jesaja 45 : 5.

Wat God de Heere voor ons is en doef, en hetgeen zelfs zijn trouwste kinderen er van opmerken en verstaan, verschilt als zon en maan in glans en grootte.

Ons denken aan, ons verkeeren mei God, neemt in ons leven een zoo kleine plaats in.

Er zijn kleine werktuigen, die bij het maken van marschen vanzelf aangeven, hoe vele mijlen rnen in zekeren tijd heeft afgelegd. Kon men in dien zin een zelf registreerend werktuig bij zich dragen, dat aan het eind van eiken dag haarfijn aangaf, hoevele minuten onze ziel dien dag met haar God was bezig geweest, en hoevele uren ons bewustzijnsleven buiten onzen God was omgegaan, hoe zouden we niet schrikken van de geringe afmetingen onzer vroomheid.

Zeker, er zou aanmerkelijk verschil zijn.

Zulk een chronometer van ons zielsleven zou, om ons nu enkel tot de bekeerde personen te bepalen, verschillen aanwijzen als van één tot tien en meer. Maar zelfs als deze ziels-chrono meter het hoogste cijfer aanwrees, hoe laag zou dan niet nog altijd het aantal oogenblikken . met onzen God doorleefd, afsteken bij dat andere aantal oogenblikken, waarin we aan onzen God zelfs niet gedacht hadden, of waarin, ook buiten onze gedachtenwereld, de drang onzes gemoeds vreemd aan onzen God was gebleven.

Stellig is die verhouding in vroeger tijd, toen het leven minder druk en zenuwachtig was, gunstiger geweest.

Vooral wie als man van zaken door den stormwind van het leven als een gekronkeld herfstblad voort wordt gedreven, vindt in dat wereld-leven voor den omgang met zijn God zoo weinig steun.

De vrouw is in haar stillen werkkring ten deze meer begunstigd dan de man. De man van studie meer dan de man te midden van het practische leven. Ook is het den één meer dan den ander gegeven, te midden van wat aftrekt en verstrooit, zijn hart wat de berijmde Psalm noemt, „saam te voegen tot de vreeze van 's Heeren naam." De één laat zich meer gaan, zooals het leven hem trekt, de ander weet meer zichzelf te beheerschen, en zich in zijn eigen ziel te verzamelen.

Maar echte vroomheid eischt dan toch, dat we, als de stroom des levens die ons van God aftrekt, sterker wordt, tegen dien stroom zullen inworstelen, om ons niet van onzen God te laten vervreemden.

Waar het gevaar, om van onzen God af te raken, klimt, stelt dat gevaar zelf ons den eisch, om op ernstiger voorzorgsmaatregelen bedacht te zijn.

Om veilig te staan, moet er in tijden als wij doorleven, opzettelijk wilskracht worden geoefend, om het rechtstreeks denken aan God en roepen tot God ook te midden van het drukke leven te vermenigvuldigen.

Rekenschap aan onszelven geven van eiken doorleefden dag, om te onderzoeken, hoevele, of laat ons liever zeggen, hoe weinige de oogenblikken waren, dat onze ziel met God in gemeenschap was, doet op dien beteren weg de eerste schrede zetten.

Wie dat volhoudt, komt vooruit en vordert.

En daar wint ons geheele leven bij. Óf is het niet zoo, dat bij elke gemeenschapsoefening met onzen God, hoe vluchtig ook, een heilige ademtocht heel onze existentie doorwaait, ons bezielt en opheft ?

Nu is de sterkste prikkel, die hierbij v/erkt, de vergelijking tusschen hetgeen God ten deze voor ons is en hetgeen wij voor onzen God zijn.

Niet één uur, niet ééne minuut, niet ééne seconde, dat de Heere niet om ons denkt; terwijl halve dagen voorbij kunnen gaan, zonder dat onze ziel dacht aan haar God.

Als we in den omgang onder menschen ontwaren, dat een ander aan óns heeft gedacht, terwijl wij hem ganschelijk vergeten hadden, dan beschaamt dit ons, en bieden we hem onze verontschuldiging aan.

En zoo ook treft het de beschaamde ziel, als ze, na lange uren haar God vergeten te hebben, tast en voelt, hoe die vergeten God harer al die uren in trouwe liefde gedacht heeft.

Teedere liefde is kiesch door innigheid. En als ze dan merkt, hoe die heilige God, die ons niet noodig heeft, toch van oogenblik tot oogenblik onzer indachtig was, ons droeg en voor ons zorgde, dan doet het ons zelfbeschaming over dé ziel trekken, zoo we Hem zoo telkens, en zoo lange uren, konden vergeten.

Vrede heeft de ziel, die God lief heeft, dan alleen, zoo de belofte vervuld wordt: „Ik zal dan gedurig bij u zijn". En als het dan juist omgekeerd uitkomt, en men zich, als de dag om is, bijna niet weet te herinneren, dat men „bij zijn God geweest is", dan heeft de liefde hier pijn van, en de zelfbeschaming drijft onwillekeurig meer en krachtiger naar de gemeenschap des Heeren uit.

Wat de Heere bij Jesaia tot Koreszegt: „Ik zal u gorden, hoewel gij mij niet kenf\ was de profetie over een Heiden. En als er vlak voorafgaat: „Ja, Ik riep u bij uw naam, en Ik noemde u toe, hoewel gif Mij niet kendef', dan roept dit Christen en Heiden saam terug naar wat achter het eerste opwaken van ons bewuste leven ligt, toen de zorge Gods ons leven bestelde, zonder dat wij van die zorge nog •wisten.

Dat gaat tot in de eeuwigheid, tot in het Besluit, tot in onze uitverkiezing terug. Toen zijn we door God genoemd, en in dien naam, waarmee God ons noemde, - wtxA heel ons wezen, heel onze persoon uitgedrukt, en uit dit noemen Gods is de bepaling voor heel ons leven voortgekomen.

In zooverre ligt dus in dat eerste: „Hoewel gij Mij niet kendef', verwijt noch aanklacht.

Dat gold de eeuwige liefde Gods, die we nog niet konden kennen.

Maar anders wordt het, als het in de tweede laats heet: „Ik zal u gorden, hoewel gij Mij niet kent."

Hier is de aanklacht tegen den Heidenschen koning, die door eigen zonde, en door de zonde van zijn volk, geheel van zijn God vervreemd is. Een aanklacht, die ook ons zegt, dat ook voor ons, zoodra we tot bewust leven ontwaakt zijn, het niet kennen van onzen God in zijn zorge voor ons, iets Heidensch in ons wordt; bij ons, omdat we onder het geklank van het Evangelie geboren zijn, nog minder dan bij den Heiden te verschoonen.

In het oogenblik van onze bekeering gevoelen we dit dan ook.

Op ons leven, dat achter onze bekeering ligt, terug ziende, springt dan tweeërlei ons in het oog. Ten eerste hoe God de Heere van onze geboorte af het op ons heil toelegde. En ten andere, hoe God de Heere dit al die jaren deed, zonder dat wij hem in zijne liefde gekend hebben, ja, in die liefde Hem hebben weerstaan.

De ziel ontwaart dan, hoe ze, in weerwil van den Heiligen Doop, als gevolg van haar opkomen in zonde en dood, jarenlang Heidensch voor haar God geleefd heeft; en de hooge vreugde, die in het oogenblik der bekeering het hart doortintelt, jubelt juist in de zalige ervaring, dat nu dat Heidensche wegvalt, en het merkteeken van het kindschap zich vertoont.

Maar zelfbedrog was de waan, alsot alle gemeenschap tusschen onze ziel en dat Heidensche bestaan daarmee voorgoed van ons was geweken.

Wel staat van dat oogenblik de zekerheid vast, dat Gods trouwe Vaderzorge zijn kind niet begeeft, en telkens klimt weer de toon van dank en aanbidding omhoog, dat die trouwe Vader ons in den strijd niet bezwijken liet, in verzoeking ons staande hield, uit nood en dood ons redde, en ons aangordde voor onze levenstaak.

Maar die dank vloeit uit de ziel, als het geschied is en de uitwerking van de liefde Gods is genoten. En als we dit dan indenken, is het of de stemme Gods ook ons gedurig toefluistert: Aldus heb Ik u behoed en beveiligd, hoewel gij Mij in mijn zorge voor u niet gekend hebt.

En dit nu juist moet ons ten prikkel worden, om die vele oogenblikken dat we onzen God niet kennen, te doen inkrimpen.

De gewone gang is meest, dat we vooraf in den gebede ons door het afsnieeken van Gods hulpe sterken, en na afloop onzen trouwen God danken voor zijn hulpe.

Zoo, kennen we dan God vooraf en daarna. Vooraf is ons gebed, en daarna is onze dankzegging.

Maar wat, we zeggen niet altoos, maar toch in den regel, al te zeer ontbreekt, is het kennen van God tusschen ons gebed en onze dankzegging in, bij de zaak zelve, als juist de liefde Gods heiligend en reddend en steunend op onze levensomstandigheden inwerkt.

En toch, dat moet het wezen of worden.

God kennen ook op het oogenblik zelf, als de strijd spant en de hulpe Gods uitgaat.

Niet alleen als God ons zal gorden, of aangegord heeft, maar onder de daad zelve, als we feitelijk onder de bewerking van onzen God zijn, en zijn kracht zich in onze zwakheid verheerlijkt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 22 september 1901

De Heraut | 4 Pagina's

„Hoemel gij Mij niet kent.”

Bekijk de hele uitgave van zondag 22 september 1901

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken