Bekijk het origineel

Ziekenverpleegsters.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Ziekenverpleegsters.

10 minuten leestijd

Gaarne voldoen wij aan het verzoek van het Moderamen der Gereformeerde Ziekenverpleging om onderstaand schrijven, aan de Dienaren des Woords gezonden, ook in de Heraut, een plaats te verkenen.

Een woord tot de Dienaren des Woords!

Geliefde Broeders in onzen Heere lezws Christus !

Het is het Moderamen der Gereformeerde Ziekenverzorging een dringende behoefte des harten, vooral ook met het oog op den arbeid dien het voorstaat en zoekt te behartigen, een enkel woord te richten tot de Dienaren des Woords.

Wel weet het, dat het betoon der barmhartigheid vooral ligt op het terrein der Diakenen, die allereerst de Hoogepriesterlijke werkzaamheid van Jezus Cluistus bij hun doen en laten tot hun heerlijk voorbeeld te stellen hebben. Maar, waar toch ook ieder lid der gemeente heeft aan te doen de innerlijke bewegingen der barmhartigheid en goedertierenheid, is dit zeker allereerst de roeping van de Dienaren des Woords.

En nu is het een zeker niet te miskennen feit, dat van alle ambtsdragers de Dienaren des Woords den meesten invloed hebben en kunnen uitoefenen in het midden der gemeente. Zij komen met de leden der gemeente op allerlei wijze in persoonlijke aanraking. Zij geven onderwijs aan de jeugd en jongelingschap. Zij treden de woningen in dagen van rouw en krankheid binnen. Zij hebben van huis tot huis te gaan om het Woord te brengen, en in allerlei omstandigheden des levens raad en troost en hulpe te bieden.

Het is daarom, dat wij ons nu niet tot de Diakenen richten, hoewel wij erkennen moeten, dat het in de eerste plaats tot hun arbeidsveld behoort, maar tot de Dienaren des Woords, ten einde hun hulp en steun en invloed voor den arbeid onzer Vereeniging in te roepen.

Voor haar toch zou het van zoo groot belang zijn, wanneer de broeders Dienaren des Woords van haar bestaan en werkzaamheid zich wat méér op de hoogte stelden, en haar een goeden ingang in de gemeente zochten te doen verkrijgen.

Zij kunnen dit doen op zeer verschillende wijze. Allereerst en vooral door op hunne catechisatiën de jongedochters, die hun daarvoor geschikt voorkomen, op te wekken, zich voor de ziekenverpleging beschikbaar te stellen, en zich daartoe aan onze Vereeniging te verbinden. Uit haar korte historie blijkt het maar al te gedurig, dat onderscheidene van degenen, die zich aangaven, om als krankenverzorgsters.te worden opgeleid, daarvoor allerminst geschikt waren. Wij hebben al met allerlei ongelukken kennis gemaakt, die vele teleurstellingen aan de Vereeniging bereidden. En, waren het nog maar alleen teleurstellingen. Maar ook de financieele schadeposten werden daardoor veroorzaakt. Indien nu echter de Dienaren des Woords van hun belangstelling in het werk der barmhartigheid eens deden blijken, door daarover ook te handelen bij het godsdienstonderwijs, en in de Catechetiek er op te wijzen, welk een heerlijke levensroeping de jongedochter daarin vinden kan, om dan voorts degenen, die zij daartoe bekwaam en begaafd achten, op te wekken zich daaraan te geven, welk een krachtige steun zou onze arbeid daarin al reeds geboden zijn! Alle hout is geen timmerhout. Vooral hier niet. Dat ervaart het hoofdbestuur telkens, wanneer het adspiranten of proefkweekelingen voor „Salem" als onbekwaam en ongeschikt moet afkeuren of wegzenden. E: n Dienaar des Woords echter is in den regel spoedig genoeg in staat om te oordeelen, of er onder zijne catechisanten zijn, die tot den arbeid der barmhartigheid konden worden opgeleid. Welnu! Dat hij deze jongedochters dan daartoe prikkele door zijn woord en door haar te wijzen op het hoog belang der zaak, die daardoor gebaat wordt. En welk een heerlijke roeping daarin voor de jongedochter is weggelegd, om alzoo Christus te mogen dienen in de verzorging zijner kranken. Daarbij kunnen zij dit nu te gemakkelijker doen, dewijl de opleiding door onze Vereeniging, aan daartoe bijzonder geschikt gebleken adspiranten, geheel kosteloos geschiedt, zoo zij onvermogend zijn die zelf te betalen.

Voorts zouden wij de Dienaren des Woords er wel in 't bijzonder toe willen opwekken, toch goed toe te zien, dat ^eene jongedochters van Gereformeerden huize zich aan den arbeid der barmhartigheid gaan wijden in stichtingen, of gasthuizen, of diaconessenhuizen, die geheel liggen buiten de lijn der Gereformeerde beginselen. Meer dan men wel denkt, bevinden zich nog zulke jonge meisjes in dergelijke stichtingen. Voor hoevelen is dit echter niet hoogst gevaarlijk gebleken! Wanneer ze komen in stichtingen die met alle geloof braken, is voor haar de verleiding o zoo sterk, om eveneens door den stroom van het ongeloof te worden meegevoerd. En de Christelijke diakonessenhuizen, waarvoor verreweg het meerendeel de Ethische beginselen den toon aangeven, — op welk een voortreffelijke leest ook overigens geschoeid — dulden geen Gereformeerde belijdenis in haar midden, en trachten dan ook eene Gereformeerde belijderes zoo spoedig mogelijk in een Ethische om te scheppen. Trouwens! Alles moet wel daartoe lijden. Zij hooren altoos Ethische predikatie's. Zij volgen altoos Ethische cursussen. Zij komen voortdurend met Ethische predikanten in aanraking. Hoe kan het dan ook anders, of, waar het niet te eeniger tijd kwam tot een breken met dezen kring, daar wordt de belijdenis der Gereformeerde beginselen ten slotte opgelost in de voorstelling der waarheid, die zij zoo gedurig hooren. Want over het geheel zijn zij niet bestand, om daaraan weerstand te bieden, en daarenboven op een leeftijd, waarin zij zeer vatbaar zijn voor allerlei indrukken. Is het dan echter niet de plicht van ae Dienaren des Woords, te waken, dat de jongedochters, aan hunne zorgen toevertrouwd, niet aan zulk een kring worden overgegeven, of, zoo dit reeds geschiedde, al hunne pogingen in te spannen, om ze daarvan weer los te maken, en onder te brengen in Stichtingen, waar het werk der barmhartigheid naar de Gereformeerde beginselen wordt beoefend?

Ook en vooral kunnen de Dienaren des Woords zooveel doen om er de gemeente op te wijzen, hoe zij het werk der barmhartigheid heeft te steunen met woord en daad. Zij is tot het verrichten daarvan zelve geroepen. Waar nu echter de Kerken van Gereform. belijdenis hebben gemeend, tot dien arbeid nog niet te moeten ingaan, maar de plaats daarvoor vrij lieten aan eene Vereeniging, blijft het hare roeping, deze te steunen ,

Hoe echter zal zij dit kunnen doen, indien zij niet voordurend, ook in den dienst des Woords, op hare roeping te dien aanzien worde gewezen; en het is daartoe dat wij ons tot u wenden, geliefde Broeders, die in dat werk bezig zijt. De gemeente des Heeren heeft eene taak ten opzichte van hare kranken, en die taak moet haar ook worden herinnerd, wanneer de Dienaar voor haar het Woord opent. Het bevel van Christus: „Geneest de kranken" moet tot haar gebracht worden, en haar gedurig voor oogen gesteld. Het mag voor haar geen ijdele klank blijven. Evenals de sociale en maatschappelijke nooden, zoo moet ook zeker in onze dagen het werk der barmhartigheid telkens in de prediking een plaais beslaan. De eisch daartoe moet aan de gemeente des Heeren gebracht worden. Zij dient op te waken tot de roeping, die zij ook daarin heeft te ver vullen, en daarbij telkens te worden bepaald. En daartoe Broeders in den dienst des Woords werkzaam, neemt onze Vereeniging de vrijheid, u met deze regelen op te roepen.

Of daarvoor ook reden is?

Laat ons, om u daarvan te overtuigen, maar eens een en ander uit de praktijk, waarmee wij zoo telkens in aanraking komen, mogen mededeelen.

Volgens de Statuten onzer Vereenieing heeft zij de oprichting van ziekenhuizen te bevorderen. Tot heden echter kwam het daartoe nog niet, dewijl daarvoor hare kracht te klein was. De Amsterdamsche Gereformeerde Ziekenverpleging bezit alleen een eigen ziekenhuis. Maar zij werkt alleen plaatselijk voor de hoofdstad, zoodat onze Vereeniging zelve nog geen eigen ziekenhuis bezit, waar hare proefzusters en proefkweekelingen worden opgeleid. Tengevolge daarvan moesten we in verschillende Christe lijke gestichten aankloppen, om onze leerlingen verder gevormd en praktisch opgeleid te krij gen, maar vonden, behalve bij „Eudokia, " of de deur gesloten, of den eisch gesteld, dat onze leerlingen zich aan het kerkelijk standpunt dier Stichtingen zouden onderwerpen, en de godsdienstoefeningen van het Ned. Herv. kerkgenootschap, waartoe zij gemeenlijk behooren, zouden bijwonen. Ook al wilden we het vereischte kost-en leergeld betalen, zoo werden toch niettemin onze proefzusters gedwongen, geregeld de kerkdiensten in de Ned. Herv. kerk bij te wonen. Zij mochten den dienst des Woords in eene Gereformeerde kerk niet bezoeken. Nu versta men ons wel. Wij klagen over deze voorwaarden niet, waarop men alleen onze leerlingen ter opleiding in die Stichtingen wilde aannemen. Het is wellicht een noodzakelijk uitvloeisel van het recht bestaan van die Stichtingen zelf. Wij deelen dit alleen maar als feit mede, en om tevens duidelijk te doen uitkomen, waarom zij ter opleiding voor onze kweekelingen onbruikbaar waren.

Erger echter is, wat in zeker Diakonessenbuis plaats greep. Eene der proef/; usters, die tot heden tot het Ned. Herv. kerkgenootschap behoord had, ging uit overtuiging over tot de Geref. kerk. Zoodra dit geschied was, lag nu echter haar paspoort geteekend en kon zij in dat Diakonessenbuis niet langer blijven, hoe gaarne zij dit ook zelve gewild had. Zij was aan dat huis gehecht. Verscheiden jaren mocht zij daar werkzaam zijn. Met de Directrice en de andere zusters ^aarvan stond zij op den besten voet. Er bestond een onderlinge band van vriendschap en liefde. Zoodra zij echter was overgegaan tot de Geref. kerk, werd en was elke betrekking met het Diakonessenbuis doorgesneden, en gaf men haar zonder vorm van proces haar afscheid binnen den kortst mogelijken tijd, en dat terwijl de Statuten van dat huis het veroorloven daarin Diakonessen van verschillende kerkgenootschappen op te nemen. Alleen tot de Gereformeerde Kerk schijnt men niet te mogen behooren. Zij is ook daar, gelijk op zoovele plaatsen elders, de secte, die overal wordt tegengesproken. Natuurlijk heeft ons bestuur deze zuster, die om den wille van hare Gereformeerde belijdenis werd aan den dijk gezet door het bestuur van dat Diakonessenbuis, aan den dienst van onze Vereeniging verbonden, en werd deze door dit wonderlijk exclusivisme eene uitnemende verpleegster rijker, die reeds zeer gewaardeerde diensten aan onze Vereeniging bewees.

Wij meenen, geliefde broeders, u deze feiten te moeten mededeelen, om u toch op te wekken onze Vereeniging en haar arbeid krachtig te willen steunen. Het kan u daaruit duidelijk worden, hoe aan een of meer Gereformeerde ziekenhuizen dringend behoefte is. Ook aan Gereformeerde ziekenverpleging voor kranken en bij de krankbedden. Wij gereformeerden hebben ons eigen hooger en lager onderwijs, onze eigene Kerken en scholen, onze eigene gestichten voor barmhartigheid. Hoeveel te meer roept dan niet de behoefte om een eigen ziekenverpleging om vervulling. Welnu dan: onze Vereeniging zoekt op allerlei wijze dat doel te bevorderen. Tot heden nog slechts alleen door het vormen en uitzenden van krankenverzorgsters, die de ziekenverpleging, naar lichaam en ziel, overeenkomstig den Woorde Gods begeeren te verrichten. Onthoudt ons dan uwe hulp niet. Maar wilt ons toch allerwegen steunen met uw woord, uw invloed en uw gebed, opdat onze Vereeniging althans aan onze kranken behoorlijk gevormde ziekenverpleegsters kan aanbieden, die in alles haar arbeid naar Gods Woord wensphen te verrichten. Bevordert ook vooral in de gemeente de lezing en verspreiding van Bethesda, het maandblad waarin allé arbeid onzer Geref. Vereenigingen zijn orgaan vindt, en zich bekend maakt onder ons Christenvolk. Wilt dan ook de vragen en wenken, die wij zoo vrij waren in dit schrijven tot u te richten, in overweging nemen en opvolgen, opdat onze Vereeniging, alzoo door u gesteund, steeds meer aan bloei en invloed onder ons volk toeneme.

Wij verblijven met hoogachting en heilbede,

Uw dw. medebroeders in Christus, Het Moderamen der Geref. Ziekenverzorging,

R, MULDER, Voorzitter.

G. J. BARGER, ie Socretaris.

W. H. VAN SCHAIK, Penningm.

Dr. J. H. A. VAN DALE.

J. TEVES TzN., 2e Secretaris.

De bede, in dit schrijven geuit, steunen wij van harte.

Voor de vrouw ligt op het"gebied der barmhartigheid een heerlijke roeping.

En als die roeping gevoeld wordt, niet als een tijdelijke opwelling van medelijden, ftiaar om zich geheel aan dit werk te geven en God daarin te dienen, dan is het de aangewezen weg, dat onze jongedochters haar krachten wijden aan die inrichtingen, waar het Gereformeerde beginsel-beleden wordt. ': ^'SW'W'-i3S#.%j

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 29 september 1901

De Heraut | 4 Pagina's

Ziekenverpleegsters.

Bekijk de hele uitgave van zondag 29 september 1901

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken