Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Dan’s  Neeren Ordinantiën.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Dan’s Neeren Ordinantiën.

22 minuten leestijd

IX.

Ziet, dezen zijn goddeloos, nochtans hebben zij rust in de wereld, zij vermenigvuldigen het vermogen.

Immers heb ik te vergeefs mijn hart gezuiverd, en mijne handen in onschuld gewasschen!

Dewijl ik den ganschen dag geplaagd ben en mijne straffing is er alle morgens. Psalm 73 : 12— 14.

De vastheid der zedelijke wereldorde of liever van 's Heeren ordinantiën voor Zijn zedelijke schepselen bleek ons in drieërlei opzicht.

In de eerste plaats ten aanzien van wat die schepselen, engelen en menschen onderscheidt van de natuurwezens, hun geest-zijn, hun geestelijk leven, dat zich openbaart in die werkingen van het hoogere zieleleven welke wij denken en willen noemen. Ook daarin heerscht, als gevolg van Gods bestel en inwerking, vastheid. Later, als de antithetische behandeling van ons onderwerp zal zijn ten einde gebracht, hopen wij door de vermelding van de wetten die heel ons zieleleven beheerschen, dus ook van de wetten voor ons denken en voor ons willen en tevens van die voor ons schoonheidsbesef, dit nog meer in het bijzonder aan te wijzen. Het is het geheel van deze ordinantiën des Heeren, dat men de zedelijke wereldorde in ruimer zin, of ook wel de geestelij k-zedelijke wereldorde noemt.

Vervolgens bleek ons die vastheid evenzeer te bestaan bij wat men noemt de zedelijke wereldorde in enger zin, en waarbij wij dan denken aan 's Heeren ordinantiën voor de hoedanigheid van het willen en zijn der geestelijke wezens. Korter gezegd, de zedewet. De tien geboden, maar deze dan verstaan als een organisch geheel waarvan de liefde de ziel is.

Bij deze zedelijke wereldorde nu bleek ons die vastheid, aanvankelijk reeds, op tweeërlei wijze.

Allereerst, dat die geboden maar niet toevallig zijn, doch hun diepsten grond hebben in Gods idee van den mensch welke, wijl Hij de heilige is, niet anders zijn kan dan de idee van den heiligen mensch, dien Hij schiep naar Zijn beeld. Een vastheid, die zich dan ook hierin openbaart, dat de gevallen mensch, de zondaar, het bewustzijn in zich omdraagt, dat hij aan die geboden, ook al wil hij het niet, toch gehoorzamen moet; dat hij het besef van gebondenheid aan die zedewet, als een onvoorwaardelijk gebod, een Gij zult in zijn binnenste vindt.

Heeft dus een nog maar aanvankelijk bezien van de zedewet, — dat later, naar wij hopen, in onze artikelenreeks door een meer breedvoerige uiteenzetting zal worden gevolgd, — waartoe wij geleid werden door de ordinantiën des Heeren ook in betrekking tot Zijn zedelijke deugden te beschouwen, ons haar vastheid doen kennen, in de tweede plaats bleek ons de vastheid dier zedewet, toen wij bij het licht dezer deugden Gods zagen hoe Hij in Zijn goedheid, en deze dan bepaaldelijk als heihgheid en gerechtigheid gedacht, haar handhaaft. Handhaaft in Zijn vergeldende gerechtigheid, die in loon of straf over u brengt wat u toekomt. Het goede of het kwade al naar dat uw zijn en willen goed is of slecht. Een vergeldende gerechtigheid die haar uitdrukking vindt in het woord uit Galaten 6: '] : Zoo wat de mensch zaait, dat zal hij ook maaien.

Alvorens nu verder te gaan, staan wij hier voor bezwaren, die eerst onder de oogen dienen gezien, en v/aarop in ons, vorig artikel reeds werd gezinspeeld, toen wij spraken van verbijsterende raadselen.

Dat toch de Heere het slechte met het kwaad en het goede met het goed vergeldt, gelooft een kind des Heeren. Maar toch, als hij om zich heen ziet in de menschenwereld is er zoo veel, dat hem doet twijfelen in dit zijn geloof en de bange Azaf-stemming van psalm drie-en-zeventig over zijn ziel brengt. Zulk een stemming nu, hoe verklaarbaar ook, mag nooit een blijvend karakter dragen, want zij is verderfelijk voor het rechtsbesef.

Het is daarom dan ook, dat wij, zonder op de vergelding of wat wij kunnen noemen: de wet van het zedelijk leven, reeds nu d'ep in te gaan, zonder m. a. w. reeds nu in alle bijzonderheden aan te wijzen, hoe de Heere een waarmaker is van dit Zijn woord: Zoo wat de mensch zaait, zal hij ook maaien — de bezwaren die er zich tegen opdoen dat'^Qzz wet in de zedelijke wereld geldt, willen ondervangen.

En die bezwaren tegen de vergeldende gerechtigheid, welke niet slechts bij ernstige kinderen der wereld, maar ook bij menig kind des Heeren, al of niet uitgesproken, in het harte leven, zijn terug te brengen tot een tweetal, die in den meest algemeenen vorm aldus zijn te omschrijven: i**. he geluk der slechten en het ongeluk der goeden en 2". het ongeluk der kinderen om de slechtheid der vaderen.

Het is toch niet te sterk gesproken, dat als gij op deze feiten ziet, die ieder in zijn omgeving kan waarnemen, het den schijn heeft, alsof de wet der vergelding niet altijd doorgaat.

Vooral wat we in de tweede plaats noemden: het ongeluk der kinderen om de slechtheid der vaderen, is een feit waar thans in onze dagen zeer sterk op gezien wordt. Op gezien, ook door menschen die met het Schriftgeloof hebben gebroken en van ons dogma der erfschuld en erfzonde niet weten willen. Toch spreken zij van „erfelijke belasting" en van „atavisme", naar het Latijnsche woord atavus of voorvader, en denken daarbij aan de wet der erfelijkheid van lichamelijke vorming en geestelijke eigenschappen. Zonder de waarheid die in deze wet der erfelijkheid ligt, ook maar eenigszins te miskennen, moeten wij Gereformeerden toch met alle beslistheid ingaan tegen het gebruik, dat men van deze waarheid heeft gemaakt, om er zekere theorieën, voor het onbekeerde hart van machtige bekoring, mee op te bouwen over : verantivoordelijkheid, schuld en straf, die vlak ingaan tegen wat Gods Woord ons daaromtrent leert. Theorieën, die niet slechts door een wetenschap welke met dat Woord jiiet rekent, maar ook door gevierde tooneelspeldichters en romanschrijvers in onze dagen telkens worden verkondigd. Verderfelijke theorieën, omdat zij het rechtsbesef vergiftigen en het zedelijk bewustzijn loswringen. Straks bij de anti-thetische behandeling van ons onderwerp hopen wij ook deze theoriën, tegelijk met Slatius' Gepraedestineerden dief, te bespreken en te bestrijden.

Dan, om dit laatste met goed gevolg te kunnen doen, moet eerst bij het rijke Hcht, dat de Schrift, voor wie maar zien wil, over „de erfelijkheid" werpt, het probleem van: het ongeluk der kinderen om de slechtheid der vaderen in verband met de vergeldende gerechtigheid, voor uw denken tot een bevredigende oplossing zijn gebracht.

Daarover een volgend maal.

Thans bepalen wij ons alleen tot het eerste der twee genoemde problemen: Het geluk der slechten en het ongeluk der goeden in verband met de vergeldende gerechtigheid.

Vast staat dan aan de eene zijde de vergeldende gerechtigheid.

Zij is het doen Gods waarin Hij handhaaft Zijn heilig Recht. Waardoor Hij den mensch recht doet. Hem geeft wat hem toekomt, wat hij geldt, wat hij waardig is. Waardig naar den maatstaf van de zedewet, van 's Heeren ordinantiën voor de hoedanigheid van zijn willen en handelen. Hem geeft loon of straf al naar zijn willen en handelen goed of slecht zijn.

En deze gedachte der vergelding vinden wij telkens terug in de Schrift; denk slechts aan het begrip van zegen en vloek. Aan het: ervloekt zij, die de woorden dezer wet niet zal bevestigen, doende dezelve! van Deuteronomium 27 : 26, maar ook aan het: l deze zegeningen zullen over u komen en u aantreffen, wanneer gij de stem des Heeren uws Gods zult gehoorzamen, van hoofdstuk 28 : 2. Aan het slot van psalm 62 : En de goedertierenheid, o Heere! is Uwe; want Gij zult een iegelijk vergelden naar zijn werk. Maar ook aan Romeinen 2 : 6, waar Jezus' heilige Apostel van God zegt: elke een iegelijk zal vergelden naar zijne werken. Aan i Corinthe 3 : 8 waar wel van een bijzonder geval sprake is, namelijk van den arbeid in het evangelie, tnaar waar de gedachte: n die plant en die nat maakt zijn één, maar een iegelijk zal zijn loon ontvangen naar zijnen arbeid, — toch wortelt in de algemeene gedachte van vergelding. Ook het begrip van overeenstemming dat in hit begrip der vergelding ligt opgesloten, wordt duidelijk in de Schrift geleerd. En dat niet slechts in de plaats uit Galaten: oo wat de mensch zaait dat zal hij ook maaien (6:7) maar wij vinden die overeenstemming tusschen de daad en haar vrucht ook op andere plaatsen der Schriftuur. Zoo bij Jeremia waar God zegt: k, de Heere, doorgrond het hart, en proef de nieren; en dat, om een iegelijk te geven naar zijne wegen, naar de vrucht zijner handelingen (17 : io), terwijl ook de profeet zelf in zijn gebed tot den Heere zegt: root van raad en machtig van daad; want Uwe oogen zijn open over alle wegen der menschenkinderen, om een iegelijk te geven naar zijne wegen, en naar de vrucht zijner handelingen, 31 : 19. Ook het bekende spreekwoord van: ind zaaien en storm oogsten, vindt gij reeds terug in Hoséa's woord: ant zji hebben wind t gezaaid en zullen een wervelwind maaien (8 : 7). En dezelfde gedachte ontmoet gij in het: ie ondeugd ploegen en moeite zaaien, - zullen ze ook maaien, uit Job. 4 : 8; in het: ie onrecht zaait zal moeite maaien, uit Spreuken 22 : 8.

Deze gedachte der vergeldende gerechtigheid met haar vast verband tusschen daad en vrucht is zelfs niet uitsluitend gevolg van Gods bijzondere openbaring ons geschonken in de Schrift, maar zij is een algemeen menschelijke. Op datzelfde verband tusschen zaaien en oogsten doelt een Grieksch wijsgeer wanneer hij, handelend over de kunst van den redenaar, vraagt: elke vrucht zij zal oogsten wanneer zij de menigte overreedt om het slechte te doen inplaats van hët goede. Doelt in de latere Joodsche hteratuur een Jezus Sirach wanneer hij zegt: ijn zoon ! zaai niet in de voren der ongerechtigheid, en gij zult niet zevenvoudig haar oogsten (7 : 3). Ook in het Indische denken met name in het Buddhisme, vindt gij haar terug in de leer van het Karma of „doen". Een uitdrukking-die vandaar is overgegaan in de Theosophische kringen van onzen tijd. Men verstaat onder dit Karma, dat als een mensch kommer, teleurstelling of pijn oogst, hij zelf, en geen ander, te eeniger tijd dwaasheid, dwaling of zonde moet gezaaid hebben, zoo niet in dit dan, zooals men meent, in een vroeger bestaan.

Met de bovengenoemde Schriftuurplaatsen en de algemeen menschelijke gedachte aan vergeldende gerechtigheid voor ons, gaat het niet aan, de vergelding te beperken tot het hiernamaals.

Ongetwijfeld is er ook een vergelding na het sterven. "Ook hierop wijst ons de Schrift. Zij spreekt ons van een rechterstoel van Christus, waarvoor wij allen moeten geopenbaard worden (2 Cor. 5 : 10); van een komst van den Zoon des menschen in de heerlijkheid Zijns Vaders, met Zijne engelen, wanneer Hij een iegelijk vergelden zal naar zijn doen (Matth. 16:27); en op haar laatste bladzijde bericht zij ons het woord van den verheerlijkten Heiland: n zie. Ik kom haastiglijk; en Mijn loon is met Mij, om een iegelijk te vergelden, gelijk zijn werk zal zijn (Openbaring 22 : 12).

Op grond van wat de Schrift hier leert belijdt de Kerk van Christus dan ook in hare Katholiek-Christelijke belijdenis : Van waar Hij komen zal om te oordeelen de levenden en de dooden.

En niet alleen weer de Schrift, maar ook het algemeen menschelijk bewustzijn spreekt in de geloofsvoorstellingen van een oordeel, een hemel en hel, voorstellingen, die men ook buiten, het Christendom vindt, — de gedachte aan een vergelding in het hiernamaals uit.

Toch, wij herhalen het, gaat het niet aan haar alleen daartoe te beperken. De Schrift doet dat niet en ook het algemeen menschelijk besef van een zedelijke wereldorde, die zich handhaaft in loon en straf, openbaart zich niet slechts in den eisch van straf voor den schuldige in het hiernamaals, maar wel degelijk ook in dit aardsche leven.

Dan hier nu ligt het probleem.

Uit het begrip der vergeldende gerechtigheid volgt het ongeluk der slechten en het geluk der goeden, maar vlak hiermede in strijd vinden wij in de ervaring, dat wel niet altijd, maar dan toch zeer dikwijls de slechten gelukkig en de goeden ongelukkig zijn.

Met opzet spreken wij hier van goeden en slechten, en niet van vromen en goddeloozen of van geloovigen en ongeloovigen, en wel, omdat het vraagstuk voor alles een zedelijk karakter draagt en de twee laatste tegenstellingen daarbij onder de eerste vervat zijn. Ook toch waar men de twee andere tegenstellingen neemt, wordt daarbij aan het zedelij k-goede in den vrome en het zedelij k-slechte in den goddelooze gedacht. Natuurlijk dient hierbij wel in het oog gehouden, dat niet van een volstrekt, maar slechts van een betrekkelijk goed-zijn sprake kan zijn. Onder zondige menschen toch is in absoluten of volstrekten zin niemand goed. Hier geldt nog altijd het woord van Job : Wie zal een reine geven uit den onreine.' Niet. één (14 : 4). En alleen Jezus kon vragen: ie van u overtuigt mij van zonde.' (Joh. 8 : 46). Denkt men daarentegen alleen aan de volstrekte verdorvenheid der menschelijke natuur, dan zou het probleem althans voor de eene helft niet bestaan, want dan zijn er geen goeden. Toch blijft dan nog altijd de andere helft: aarom, als a^Ien slecht zijn, zij ook niet allen ongelukkig, maar sommige slechten zoo bijzonder voorspoedig zijn ? Dan, waar de denkende geesten zich met ons probleem hebben bezig gehouden, heeft men nooit aan het absolute of volstrekte, maar altijd aan het relatieve of betrekkelijke goed-en slecht-zijn gedacht. En dat laatste is ook een zuiver schriftuurlijke gedachte. Want wel spreekt de Schrift duidelijk uit, dat niemand in volstrekten zin, sedert Adams val, voor God goed is; denk slechts aan het: r is niemand rechtvaardig, ook niet één (Rom. 3 : 10); maar evenzeer leert zij ons dat er gradatie in de zonde is. Die Mij aan u heeft overgeleverd, heeft grooter zonde, zegt Jezus tot Pilatus (Joh. 19 : 11). En gelijk eenzelfde mensch klein is in betrekking tot een reus maar groot in betrekking tot een dwerg, zoo ook kan er wel degelijk sprake wezen van een relatief goed-zijn. Wij hebben daarbij nog niet eens te zien op wat de bijzondere genade in Gods uitverkorenen werkt, tegenover datgene wat zij vrij machtig aan de andere onthoudt. Reeds op het gebied der gemeene Gratie komt de tegenstelling uit, als gevolg van een meerdere of mindere stuiting van de zonde. Zoo zal men b. v. den Engelschen wijsgeer Francis Bacon, die zijn weldoener veraaadt, in betrekking tot Keizer Nero goed, maar in betrekking tot een man als Plato slecht noemen.

In dien betrekkelijken zin moet dan ook de tegensteUing tusschen goeden en slechten worden verstaan, waar wij haar terugvinden in sommige Psalmen, zooals de 73ste, de 37ste, dg 49ste en de 92ste, en vooral in het boek Job. De wijzen in Israël, die zich daar bezig houden met ons probleem, storten in hun zangen uit wat er omging in hun ziel bij *de bange worsteling tusschen hun geloof aan de vergeldende gerechtigheid, en hun ervaring van het lijden der vromen en den voorspoed der goddeloozen.

Met name in Psalm 73 : 12—14 wordt die tegenstelling uitgesproken. Eerst teekent Asaf, trouw naar de natuur, in vs. 4—11 het beeld van den slechten maar voorspoedigen mensch.

Hij doet het met die klassieke trekken, welke gij altijd en overal terug vindt.

Zie den mensch.

Den gelukkige met zijn bloeiende gezondheid • en welgedaan lichaam, vrij van 's levens moeiten en zorgen, die het meerendeel der stervelingen zoo zwaar drukken. Optredend, met den kop in den nek, niets en niemand ontziend en daarom zijn hoogmoed als een halsketen en zijn brutaliteit als een kleed met welgevallen ten toon spreidend. Uit het brute, vette gezicht puilend de oogen en uit den mond stroomend de woorden, waarin het hoogvoelend hart zijn overvloed van inbeelding lucht geeft. Woorden, hoonend voor den naaste en van een onverholen heerschzucht getuigend, die in het besef van machtig kunnen, neerdrukt met ijzeren vuist. Sprekend uit de hoogte van een zich ver boven anderen voelen. Tartend met zijn mond den hemel, lasterend ook het hoogste en heiligste ; op aarde met de tong bedrijvig gebiedend. Overweldigend een troep zwakkelingen, die in stomme bewondering zijn wijsheid indrinken als water. En het zijn deze misleiden, die onder de bekoring van het succes van den goddelooze, hun twijfel uitspreken aan het bestaan van een alwetend God.

En dat zien van den voorspoedigen goddelooze heeft Asaf zelf doen wankelen in zijn geloof aan de Goddelijke vergelding. Want niet alleen, dat het den slechten wel gaat, maar den vrome treft het lijden.

Ziet, zoo roept hij uit, zoo zijn de boozen en toch altijd zonder zorg en steeds welvarender. Daarentegen, als hij ziet op de vromen, als hij ziet op zichzelf, strevend naar reinheid des harten, zich onthoudend van al wat zedelijk bevlekt, dan schijnt dat alles vergeefsch. Immers voor hem heel een dag van plagen en lederen morgen nieuwe tuchtiging (12—14).

Dat is de Asaf-stemming.

Twijfel aan de zedelijke wereldorde, aan het: zoo wat de mensch zaait, dat zal hij ook maaien; twijfel aan de rechtvaardige vergelding.

Maar, die stemming wordt hier in den psalm onderdrukt.

Asaf. wordt niet trouweloos aah het geslacht van Gods kinderen. Hij is ingegaan in Gods heiligdommen. Hebben wij daarbij te denken aan den tempel.' Het is niet zeker. Doch zooveel is wel duidelijk, dat hij spreekt van een gemeenschap zoeken met God. En toen is, door het zien op het einde der goddeloozen, op het ongeluk dat in dit leven hen ten slotte treft, zijn twijfel overwonnen.

Op eenzelfde wijze wordt Gods doen ook elders in de Schrift gerechtvaardigd. Zoo b.v, waar het heet: Let op den vrome, en zie naar den oprechte; want het einde van dien man zal vrede zijn. Maar de overtreders worden tezamen verdelgd; het einde der goddeloozen wordt uitgeroeid (Ps. 37 VS. 37 en 38).

Vooral met betrekking tot het lijden van den vrome wordt het doen Gods besproken in het boek Job. Dat alle lijden een straf is voor de zonde, wordt daar als onhoudbaar voorgesteld. Zeker, is er ook een lijden dat straf is voor de zonde en waarmee God de goddeloozen bezoekt. Het zijn Elifaz, Bildad enZofardie hierop wijzen en waartegenover Job zijn zaaksgerechtigheid verdedigt. Maar daarnaast spreekt Elifaz ook van een lijden als tuchtiging Gods, dat allen zoowel vromen als goddeloozen treft, en niet zoo zeer vergelding dan wel verbetering bedoelt. Dan komt Elihu en spreekt van een lijden ter beproeving en loutering van den vrome alleen, dat bedoelt hem van hoogmoed te reinigen. En ten slotte kent het boek Job nog een lijden, dat dient om de zegepraal van het geloof en de getrouwheid van den rechtvaardige aan het licht te brengen.

Zoo valt dan reeds uit wat wij in het boek Job vinden, een troostrijk licht op het lijden der goeden. Niet alle lijden is straf. Zeker is er een lijden dat gevolg is van Gods vergeldende gerechtigheid, een lijden der straf. Wij zullen straks zien hoe Gods kind daarvan echter voor eeuwig is ontheven en toch aan die gerechtigheid is voldaan. Doch ook waar God het lijden over den goede brengt in het ontnemen van wat voor hem een goed of een deel van zijn zinnelijk levensgeluk was, het lijden der tuchtiging, der beproeving en loutering, leert reeds het boek Job dat dit lijden tot het genieten van geestelijk en daarom hooger levensgeluk strekt. En ook reeds de Spreukdichter zag, wat de schrijver van den Hebreën-brief in hoofdstuk 12 : vs. 5—11, bij het Ucht van de nieuwe bedeeling, voor ons zooveel heerlijker ontwikkelt, in zulk lijden de liefde van een vader voor zijn kind. Immers in Spreuken 3:11 en 12 leest gij: ijn zoon! verwerp de tucht des Heeren niet en weeS niet verdrietig over Zijne kastijding; want de Heere kastijdt dengene dien Hij lief heeft, ja gelijk een vader den zoon in welken hij een welbehagen heeft.

En zoo blijkt dan, dat reeds voor den zedelijken mensch het lijden geen kwaad maar een goed kan zijn. Iets wat in nog dieper en hoóger zin geldt van Gods toegebrachte uitverkorenen, die in hun beste oogenbhkken, van zulk lijden, met Paulus zullen getuigen : Wij .weten, dat dengenen, die God liefhebben, alle dingen medewerken. ten goede, namelijk dengenen, die naar Zijn voornemen geroepen zijn (Rom. 8 : 28).

En eindelijk, zoo leert reeds het boek Job, is er een lijden waarin de mensch zijn geloof door trouw en standvastigheid tegenover de wereld kan verheerlijken. En het is dat lijden waarover een kind des Heeren, met Christus Apostelen, zich zelfs verblijdt waardig geacht te worden om Zijns naams wil smaadheid te lijden. (Hand. 5 : 41). De vreugde van den martelaar.

Dan, wij hebban ook de andere helft van het probleem te bezien.

Zoo wat de mensch zaait, dat zal hij maaien.

Het slechte vindt zijn vrucht in het kwaad, en het goede in het goed.

Daar is een zedelijke wereldorde, die God handhaaft omdat Hij Rechter is.

Omdat Hij niet slechts als wetgever Zijn ordinantiën geeft, maar ze ook als Rechter handhaaft.

En daarom moet thans ook het • oog worden gevestigd op het geluk van de slechten.

Is goed, in tegenstelling met kwaad, hetzelfde wat wij geluk noemen, en geluk de harmonie tusschen toestand en behoefte, daaruit volgt, dat geluk een zeer relatief, een zeer betrekkelijk begrip schijnt. Het hangt zoo af van wat een mensch meent noodig te hebben. De zinnelijke mensch zal zich gelukkig voelen, als zijn dierlijke behoeften volkomen bevrediging vinden, en een maatschappij waarin dat alleen aan allen gegund is, noemde reeds Plato, de Grieksche wijsgeer, niet onaardig: een zwijnenstaat. De eerzuchtige stelt reeds hoogere eischen en de man van edeler zin zoekt zijn geluk in de bevrediging van zijn schoonheidsbesef en zijn dorst naar kennis, in kunst en wetenschap. Dit alles nu is te bereiken ook door den on-zedelij ken mensch.

De oppervlakkige noemt, waar dit bereikt is, den slechte gelukkig.

Toch is het er verre van daan, dat de zedelijke wereldorde hierdoor zou verbroken zijn.

De slechte is niet gelukkig. De godde-

loozen hebben geen vrede, zegt de Heere. Jcsaia 48 : 22).

Wij behoeven met Asaf nog niet eens te zien op het einde der goddelozen. De wet der vergelding, de vaste wet van het zedelijk leven openbaart zich ook op andere wijzen.

Wij hebben dit later in bijzonderheden te bespreken.

Toch dient reeds hier gewezen op wat zoowel het uit-en inwendig leven van den slechte te aanschouwen geeft.

En dan ontdekt gij de vergelding in de ondermijnde gezondheid van den wellustige; in de armoede van den verkwister. Maar ook bij het onderling verkeer, wanneer de onbarmhartige het medelijden, de oneerlijke het vertrouwen, de leugenaar de achting van zijn medemenschen heeft verloren.

En nog sterker komt de eeuwige waarheid van het: oo wat de mensch zaait dat zal hij maaien, uit in wat zich openbaart van het innerlijk leven van den slechte. Hier ontdekt gij dan de vergelding in wat men minder juist wel eens noemt, dat God zonde met zonde straft, maar wat in werkelijkheid niet anders is, dan dat de Heere zijn gemeene Gratie al meer terugtrekt en de doorwerking der zonde in verstokking, verharding en overgeven toelaat. Maar ook ontdekt gij haar in die onrust, angst en wroeging van de kwade consciëntie. En niet het minst treedt zij naar buiten in die ziekelijke en alle actie verlammende levensbeschouwing, welke juist in onze dagen door zoovelen gekoesterd wordt, voor welke het leven éen kwaad en deze wereld de meest slechte is die men zich denken kan. Een pessimisme dat de Spreukendichter in zijn ontstaan en eigenlijk bedoelen zoo juist teekent: e dwaasheid der menschen zal zijn weg verkeeren en zijn hart zal zich tegen den Heere vergrammen. (Spr. 19 : 3).

En zoo blijkt dan, dat het geluk van den slechte niet is het geluk van den mensch.

Van den mensch.

Want vragen wij, waarin de mensch zijn geluk vindt, dan is dat, krachtens zijnoorspronkelijken aanleg, met God in de eeuwige zaligheid te leven.

Zeker God de Heere schenkt in zijn gemeene Gratie reeds aan de daad van den betrekkelijk goede, van wat wij den zedelijken mensch noemen, belooning. Zelfs aan het houden zijner ordinantiën, zij het ook niet uit het beginsel der heiige liefde bindt Hij zegen. Immers gij ontdekt de vergelding van de arbeidzaamheid en de matigheid in den gezonde; van de spaarzaamheid in den welstand. Van de vriendelijkheid in de sympathie; van de eerlijkheid in het vertrouwen; van den waarheidzin in de achting, die, ook op het terrein dier gemeene Gratie, de mensch van zijn medemenschen ondervindt.

En meer zelfs nog.

God vergeldt reeds dit houden zijner ordinantiën met een inbinding van de zonde, een goed geweten, een gezonde ' evensbeschouwing.

Maar toch is dit alles niet het geluk va n mensch.

Dat geluk, dat in het Paradijs verloren ging, heeft Christus als een onverliesbaar goed voor al Zijn volk verworven. Verworven door voor en in plaats van dat volk aan Gods vergeldende gerechtigheid te voldoen.

Zie den mensch.

Den met doornen gekroonde en met een kleed der bespotting omhangene, den met riemen geslagene, den Man van smarten, den zachtmoedige en nederige van hart.

Hier hebt gij het ongeluk, het kwaad van den volstrekt goede.

Straks op het Kruis van Golgotha in Zijn diepste ellende.

Maar dan ook juist daar de volkomen voldoening aan Gods gerechtigheid.

Zoo wat de mensch zaait, dat zal hij maaien.

Deze wet van het zedelijk leven vindt ook bij het Kruis haar bevestiging in Jezus eigen woord van het tarwegraan, dat in de aarde valt en sterft en veel vrucht voortbrengt. (Joh. 12 : 24).

En die vrucht van Jezus' Kruisdood is het eeuwige leven voor al 's Heeren uitverkorenen.

Zoo verstaan wij, hoe Gods kind van zijn straf voor eeuwig is ontheven.

En reeds de gedachte aan dat eeuwig leven, doet Gods kind met den Apostel instemmen: ant ik houd het daarvoor, dat het lijden dezes tegenwoordigen tij ds, niet is te waardeeren tegen de heerlijkheid, die aan ons zal geopenbaard worden (Rom. 8:18).

De heerlijkheid van het eeuwige leven. Een heerlijkheid veelvormig als van Gods Paradijs. Lager en hooger stand van heerlijkheid, in den voor allen gelijken staat van zaligheid. En, men vergete het niet, ook in die hoogere heerlijkheid, waarmee eens, als genadeloon de goede werken in de eeuwigheid zullen worden beloond, gaat de wet der vergelding door.

Bij den rechterstoel van Christus zal Gods vergeldende gerechtigheid, nu vaak betwijfeld, voor heel de wereld uitschitteren.

Dat is de dag des gerichts waarop reeds de Heere bij Maleachi heenwijst: an zult gijlieden wederom zien het onderscheid tusschen den rechtvaardige en den goddelooze, tusschen dien, die God dient, en dien, die Hem niet dient (Mal. 3 : 18).

Dit artikel werd u aangeboden door: Vrije Universiteit Amsterdam

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 10 november 1901

De Heraut | 4 Pagina's

Dan’s  Neeren Ordinantiën.

Bekijk de hele uitgave van zondag 10 november 1901

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken