Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De Evolutie in nieuwe banen.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

De Evolutie in nieuwe banen.

9 minuten leestijd

II.

De voorstelling, die Prof. Hubrecht in zijn oratie gaf, alsof Dr. Kuyper het grondbeginsel der Evolutie had aanvaard, bleek op een misvatting te rusten.

Het grondbeginsel der Evolutie is, dat de verschillende thans bestaande soorten van schepselen, in de wereld om ons heen, niet van den aanvang af naast elkaar hebben bestaan, ijiaar alle uit eenzelfde organische grondstof zijn voortgekomen. Planten, vissehen en vogels, de dieren en de mensch, ze zijn niet afzonderlijik geschapen, maar ze zijn vanzelf volgens de wet der evolutie uit deze grondstof, het levende protoplasma, ontstaan. Uit het lagere organisme heeft het hoogere zich allengs ontwikkeld. Deze ontwikkeling heeft duizenden, wellicht miljoenen vaji jaren geduurd. En haar resultaat is, dat uit deze eenvormige grondstof, die aan alle levende organismen ten grondslag ligt, deze rijke verscheidenheid van plant en dier, die de natuur thans ons doet aanschouwen, js te voorschijn gekomen, Dat is het grondbegiijsel van de Evolutietheorie, zooals het door al haar voorstanders wordt geleerd.

Dat grondbeginsel nu, daargelaten of men aanneemt, dat de organische grondstof, het levende protoplasma van zelf, door chemische verbinding uit de organische stof is ontstaan, of door God Almachtig evenals de ziellooze materie uit niet is gesehapeo, vloekt met de Openbaring, die God in de Schrift ons gaf. De Schrift leert toch in Genesis f zoo beslist en duidelijk mogelijk, dat God de onders.cheidene soorten, de planten, de vissehen en vogeleii, de dieren en den mensch sphiep, elk nqqr zijn aard. Ze zijn dus niet door eindeloos lange ontwikkeling uit elkaar voortgekomen, maar ze hebben van meet af naast elkaar bestaan. Daarom is er geen andere keuze mogelijk. Of men gelooft wat de Schrift ons zegt, omdat God, de Schepper van hemel en aarde, alleen ons de wording aller dingen verklaren kan; maar dan kan men met de Evolutie geen vrede sluiten. Of wel, men buigt voor het dogma der Evolutie ; maar al mag men het scheppingsverhaal, gelijk Haeckel doet, dan nog hoogschatten als symbolische inkleeding van wat Mozes zich omtrent den oorsprong der dingen dacht, een Goddelijke openbaring is het dan voor ons niet.

Reeds hieruit blijkt, hoe onjuist de voorstelling is, alsof de Evolutie-theorie niet als een dogma zou bestempeld mogen worden dat lijnrecht tegenover het dogma der kerk staat, gelijk Prof. Hubrecht meent.

Wanneer men onder dogma een geloofsartikel verstaat, waaraan de zaligheid der ziel hangt, dan heeft Prof Hubrecht volkomen gelijk met die qualificatie der Evolutie te wraken. De meeste voorstanders der Evolutie gelooven niet aan een „hiernamaals". De onsterflijkheid der ziel is voor hen een even groote dwaasheid als een eeuwige vergelding. Wie in de ziel niets anders ziet dan een organische functie van het lichaam, die met dat lichaam ontstaat en te gronde gaat, heeft er geen behoefte aan, zijn geloof aan anderen op te dringen onder bedreiging, dat men anders voor eeuwig verloren gaat. In dien zin is het woord dogma door Dr. Kuyper dan ook niet bedoeld.

Maar het woord dogma wordt ook in geheel anderen zin gebruikt. Een dogma is een stelling, die men ah waarheid aanneemt ; die men eischt, dat ieder redelijk mensch erkennen zal, en die men nochtans niet bewijzen kan. Een dogma is datgene e wat men niet bewijst, maar wat men gelooft, aanneemt op gezag als onomstootelijk e vaststaande en dat daarom heel ons denken beheerscht.

In dien zin nu kan wel degelijk van het dogma der Evolutie gesproken worden. De Evolutie-theorie kan niet bewezen worden ; ze is niets anders dan een hypothese, een onderstelling, om het ontstaan der verschillende soorten te verklaren. Prof. Hubrecht zelf zegt, dat tot dusverre alle experimenteel bewijs voor de Evolutie-theorie ontbrak. Gesteld al, dat het thans gelukt was door de waarneming van Prof. de Vries, het ontstaan van een nieuwe soort onder de planten te constateeren, dan zou uit dit eene feit toch nooit te concludeeren zijn, dat alle soorten op dezelfde wijze ontstaan waren. Volgens de voorstanders der Evolutie is de mensch de laatste schalm in de ontwikkelingsketen. Hij zelf kan dus nooit getuige zijn geweest van het ontstaan der soorten. Zoover de historie der menschheid reikt, zijn alle soorten gebleven die ze waren, zooals uit de oudste ons bewaarde afbeeldingen en uit de namen der dieren blijkt. En evenmin kan voor de Evolutie bewijs geput uit de praehistorische vondsten. Het reuzenkerkhof der voorwereldlijke dieren, dat in de aardlagen gevonden is — Prof. Hubrecht erkent het ten volle — bevestigt de Evolutie-theorie niet. De noodige overgangsvormen tusschen de verschillende soorten, die de Evolutie onderstelt, zijn niet gevonden. Er heeft vroeger een geheel andere planten-en dierenwereld bestaan dan thans; maar deze planten en dieren staan niet beneden, maar boven de thans levende soorten. Onze grootste dieren, de olifant, het nijlpaard, de giraf, zijn dwergen, vergeleken bij de reusachtige monsters, wier beenderen gevonden zijn. Er zou meer reden zijn om van degeneratie, dan van evolutie te spreken.

Waar het afdoende bewijs, dat alle soorten door evolutie ontstaan zijn, dus niet geleverd is en niet te leveren val f, daar kan de Evolutie niet anders dan een hypothese, een onderstelling heeten. Indien haar voorstanders haar als zoodanig hadden aangediend, dan zou niemand hiertegen bezwaar hebben ingebracht. Ieder geleerde heeft het recht zulke onderstellingen te maken, mits hij anderen maar niet dwingen wil, zulk een onderstelling als vaststaande waarheid aan te nemen op straffe van anders niet als wetenschappelijk man te gelden.

Juist dat is de grief, die Dr. Kuyper tegen de voorstanders der Evolutie heeft ingediend. Prof. Hubrecht weet evengoed als wij, hoe in wetenschappelijke uiteenzettingen en populaire handboeken de voorstanders der Evolutie-theorie de Evolutie mei als een hypothese, maar als een vaststaand feit hebben voorgesteld. De wetenschap, d. w. z. Darwin, Haeckel e. a., had uitspraak gedaan. Wie voor die uitspraak niet wilde buigen, telde op wetenschappelijk gebied niet meer mee. De Evolutie was een geloofsartikel der wetenschap geworden, en wie djt credo niet pndej-schrëef, werd wel niet ujt de kerk gebannen, maar in den tetjipel der wetenschap was voor hem geen plaats. Wat wil dit anders zeggen, dan dat de Evolutie voor haar aanhangers een dogma geworden was?

Het zou niet moeilijk vallen, aan te toonen, hoe ook bij dit dogma de crpdenda de agenda beheersehten en de evolutie niet alleen een abstract wetenschappelijk stelsel bleef om de soortvorming te verklaren, maar straks kaar invloed op heel het tpeijschelijk leven gevoelen deed en dit naar haar w}l te vervormen zocht. Indien hiervoor bewijs noodig was, de oratie van Prof. Hubrecht zelf zou het ons bieden. Nauwelijks heeft Prof. De Vries de nieuwe theorie ontdekt om het ontstaan der soorten te verklaren, of Prof. Hubrecht haast zich om daaruit de consequenties af te leiden voor het sociale leven. Een dogma rust nooit, voordat het heel het menschelijk leven beheerscht.

Afgescheiden echter van de vraag, of de Evolutie zich als hypothese aandient of als dogma met dwingend gezag heerschen wil, yijft ze met het Christelijk geloof in onverzoe^lijken strijd. Prof. Hubrecht moge al verzgkpren, dat reserves van subjectieven aard volkomen geoorloofd zijn, rnits men het grondbeginsel der Evolutie ii]iaar aanneemt, het moet al een argeloos yogelke zijn, dat door dit zoet gefluit, ziph verschalken laat. Wanneer Prof. Hubrecht terstond er op volgen laat, dat de beoefenaars der natuurwetenschap niet te vragen hebben naar eenigerlei traditie, na.ir eenigerlei woorschrift, hoe eerwaardig ook, dan komt onder de lammerenvacht de wolfsklauw al te voorschijn. Met die traditie is toch niet bedoeld het dogma der Kerk alleen, dat altijd feilbaar blijft, maar ook de Schrift, het Woord van God. De natuurwetenschap moet voll l d S e h h v n w omen autonoom zijn. Zelfs bij het grootste n moeilijkste probleem, dat van alle eeuwen f de diepste denkers heeft bezig gehouden: oe alle dingen geworden zijn, mag de atuuronderzoeker zelfs niet vragen, wat od ons daaromtrent geopenbaard heeft. iever een hypothese, die door niets beezen is, dan te buigen voor Gods Woord.

Het is op dit punt, dat de niet-Christeijke wetenschap en de Christelijke wetenchap nooit accoord kunnen gaan. Wanneer e natuurwetenschap alleen feiten constaeerde en uit deze feiten wettige gevolgrekkingen afleidde, dan zou er geen strijd kunnen zijn. Feiten, die zuiver zijn waargenomen, en conclusiën, die daaruit logisch zijn afgeleid, kan niemand met gezonde zinnen weerspreken. Maar wanneer de ongste beoefenaar der Psychologie. Prof. Hermann Ebbinghaus, hoogleeraar in de hilosophic aan de Universiteit te Breslau, erst een reeks Thatsachen constateert en an op grond van deze Thatsachen conludeert, dat de menschelijke ziel geen afzonderlijk bestaan heeft, niets anders is dan en functie van de hersenen — dan zal Prof. Hubrecht ons toch toestemmen, dat men en mensch van gezonde zinnen kan zijn, ook al loochent men de juistheid dezer feiten en de daarop gebouwde conclusiën. Wat de wetenschap dicteert, is niet hetzelfde als wat Prof. Ebbinghaus of welk hoogleeraar ook voor wetenschap houdt.

Bovendien; en dat heeft Prof. Hubrecht vergeten; de wetenschap, zelfs in absolute'n zin genomen, kan nooit verder gaan dan het bestaande. Ze kan constateeren wat geschiedt, maar niet wat geschied is, eer een mensch op aarde bestond om het waar te nemen. Daarom kan de wetenschap geen uitspraak doen over de vraag, hoe de dingen geworden zijn. Ze staat hier voor een mysterie, dat ze niet oplossen kan. Zelfs het paleaontologisch onderzoek van de overblijfselen van planten en dieren in de verschillende aardlagen, kan hier geen licht verspreiden, omdat het wel toonen lean welke planten en dieren in een bepaald tijdvak bestaan hebben, maar niet, hoe deze planten en dieren ontstaan zijn. Prof Hubrecht erkent zelf, dat het wel altijd onmogelijk zal blijven, de nieuwe theorie van Prof. De Vries zoo te verifieeren, dat daardoor het ontstaan van alle soorten proefondervindelijk bewezen wordt.

Daarom, indien het geloof hier geen zekerheid bieden mag, dan kan de wetenschap niet verder komen dan een Ignorabimus. Wij weten het niet en zullen het ook nooit weten.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 20 april 1902

De Heraut | 4 Pagina's

De Evolutie in nieuwe banen.

Bekijk de hele uitgave van zondag 20 april 1902

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken