Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De Evolutie in nieuwe banen.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

De Evolutie in nieuwe banen.

7 minuten leestijd

IV.

De vraag of het nieuwe ontdekte teunisbloempje metterdaad een afdoend bewijs oplevert voor de evolutie-theorie, dat de soorten niet door God geschapen, maar door mutatie ontstaan zijn, hangt ten auwste saam met de vraag, wat men onder en soort verstaat.

Elders in ons blad wordt er reeds opgeezen, hoe zwevend het denkbeeld van oort is, hoe moeilijk het valt op dien grond et juiste verschil tusschen de onderscheiene soorten vast te stellen en hoe uiterst ewaagd het daarom is, reeds terstond van en nieuwe soortvorming te spreken, waneer hier of daar het dusver bekende type an een plant of dier eenige wijziging ndergaat.

Dat er binnen het soort variaties vooromen is reeds lang bekend, en de vraag s daarom juist, waar de grens tusschen het oort en de variatie ligt. Volgens Prof. ubrecht ligt dit verschil daarin, dat bij et soort de kenmerken constant, vast, zijn, bij elk nieuw geslacht zich weer evenals ij de andere voordoen, terwijl bij de ariaties dit constante kenmerk ontbreekt n zij daarom aan „schommeling" onderhevig zijn.

Zoo algemeen gesteld echter is deze definitie niet volledig, omdat zij geen rekenschap houdt met het onderscheid tusschen de accidenteele enjundamenteelee\geasc\\s, - p pen van elke soort. Grootte of kleinte is bijv. een accidenteele eigenschap, die tot het soortverschil niets afdoet. Niemand zal beweren, dat er een nieuw soort ontstaat, omdat in een bepaalde familie reuzenkinderen geboren worden en deze eigenschap erfelijk bleek. Evenmin beslist over het soortverschil de kleur, want roode en witte rozen zijn beide rozen; de koperkleurige Roodhuid en de okergele Chinees behooren beide tot het soort menschen. Geheel anders daarentegen staat het met de fundamenteele eigenschappen, die zóó het wezen der dingen raken, dat met verandering dezer eigenschappen de soort zelf ook verandert. Een zoogdier bijv., dat eieren b; gon te leggen, met veeren overdekt werd, vleugels kreeg en begon te vliegen, zou ophouden een zoogdier te zijn en werd een vogel.

Het feit, dat de accidenteele eigenschappen van de soort veranderen kunnen, was reeds lang bekend. De kunstteelt had op dat gebied wonderen yerricht. Alleen, de kunstteelt vermocht niet deze veranderingen vast te leggen. Zoodra de kunstmatige kweeking ophield trad verbastering in, of liever, het oorspronkelijke type trad weer op. Op dien grond noemde men deze afwijkende typen variaties. Gesteld echter, dat het al gelukte in de natuur waar te nemen, dat enkele dezer variaties een constant karakter droegen, dan zouden deze variaties toch nooit in den gewonen zin een nieuwe soort kunnen genoemd worden, zoolang de kenmerkende eigenschappen der grondsoort ook bij het nieuwe type aanwezig waren.

De definitie van Prof. Hubrecht blijkt dus feitelijk een petitio principJi te zijn. Om het ontstaan van nieuwe soorten te bewijzen, geeft hij eerst van het soort een bepaling, die zoo algemeen is, dat ze niet alleen het soort, maar ook de variëteit omvat. En als hij dan straks heeft aangetoond, dat volgens zijn definitie de nieuwe teunisbloem een nieuwe soort moet heeten, omdat de afwijkende kenmerken een constant karakter dragen, dan jubelt hij, dat de nieuwe soortv? orming bewezen is.

Dat we hier metterdaad met zulk een petitio principii te doen hebben, kan uit de rede van Prof. Hubrecht zelf worden aangetoond. Wij zullen ons daarbij niet op botanisch gebied begeven, en onderzoeken of de kenmerken, waardoor deze nieuwe soort zich van de oude onderscheidt, metterdaad „soortverschillend" zijn. Maar wel wijzen wij op hetgeen Prof. Hubrecht aan het slot zijner rede zegt omtrent het nemen van nieuwe proeven op dit gebied. De nieuwe soortvorming ook in de dierenwereld op heeterdaad te betrappen, acht hij voorloopig onmogelijk. Maar wel is al zijn hoop gevestigd op den mensch. Bij den mensch zijn toch binnen het historische tijdperk volgens hem nieuwe soorten ontstaan, d. w. z. nieuwe rassen, volkeren, menschentypen. Wellicht gelukt het dus hier, de herhaling van dit proces in de werkplaats der natuur gade te slaan. Na het teunisbloempje is dus de mensch aan de beurt om de evolutietheorie proefondervindelijk te demonstreeren. En als hier of daar een bepaalde menschengroep een nieuw kenmerk vertoonen gaat, bijv. een nieuwe huidskleur of eea anders gevormd gelaat, en dit kenmerk constant blijkt, dan zal daarmede het ontstaan van een nieuwe soort zijn geconstateerd.

Hier blijkt het duidelijkst de principieele fout dezer bewijsvoering. Een Fries en een Zeeuw, een Nederlander en een Spanjaard, een Europeaan en een Kaffer, hoe scherp geteekend het onderscheid ook moge zijn, vormen geen verschillende soorten, maar zijn rassen, onderafdeelingen van het ééne soort mensch. Hoe ver deze verschillende rassen ook van elkaar mogen afwijken, diep in ons menschelijk hart leeft het besef, dat wij in deze rassen te doen hebben met gelijksoortige wezens. Terwijl daarentegen ook bij alle uiterlijke overeenkomst tusschen de laagst gezonken volksstammen als de Hottentotten en de het meest met den mensch overeenkomende aapsoorten, datzelfde gevoel ons zegt, dat tusschen beide toch altijd de klove gaapt van het soortverschil.

Indien het nieuwe teunisbloempje in dezelfde verhouding staat tot het oude als een jood tot een Nederlander, en Prof. Hubrecht haalt zelf dit voorbeeld aan, dan mag de „Evolutie in nieuwe banen" van nieuwe soortvorming spreken, maar is dit dus niet dan een woorden-spel. Ze noemt dan de rassen en variëteiten soorten, en omdat zij den oorsprong eener variëteit ontdekt, meent zij den oorsprong é.ex soorten te hebben bewezen. Waarlijk indien deze proef de onmisbare 'schakel heeten moet in den Evolutieketen, \\ei fundament, waarop heel het gebouw rusten moet, dan is het met de soliditeit van dit gebouw nog aloos treurig gesteld.

En toch, dit is niet het eenige, wat deze ratie ons leert.

De ontdekking van Prof. de Vries, Prof. ubrecht erkent het zelf, bevestigt niet, aar stoot omver wat dusver het grondbeinsel der Evolutie was.

Dat grondbeginsel was omnium consensu, at er een geleidelijke ontwikkeling, een langame opklimming van lager naar hooger ad plaats gevonden door eindelooze variaties een. Heel de scala der levende schepselen, an het laagst ontwikkelde dier, een klompje evend protoplasma, tot het rijkst georganieerde wezen, de mensch, moest door de volutie worden verklaard.

En het eerste bewijs, dat men voor de volu'ie aanvoert, toont juist geen hoogere ntwikkeling, maar omgekeerd een achteritgang. „De naast elkaar optredende utaties (van de Teunisbloem) zegt Prof. ubrecht, kunnen geenszins gezegd worden ls verbeterde editie te mogen gelden. Inegendeel, er waren onder die soortvaste utatiën zoodanige, die ongetwijfeld als inder bedeelde, als ongunstige typen moesten elden, en aan welke dus, onder normale mstandigheden, geenerlei vooruitzicht op efinitieve overheersching mocht voorspeld worden."

Daarmede valt niet alleen het grondbeginsel der Evolutie, maar wordt ook alles . wat door Darwin en zijn navolgers was aangevoerd om de evolutie tvetenschappelijk te verklaren, omvergeworpen. Het is de wetenschap niet alleen om het feit te doen, maar om de wetten die de feiten beheerschen, en de oorzaken, waardoor de verschijnselen ontstaan. De wetenschappelijke verklaring, die Darwin voor de Evolutie meende gevonden te hebben was (ook hier geven wij aan Prof. Hubrecht het woord) „dat in den dagelijkschen en onophoudciijken strijd om licht, om licht en om voedsel, die door alle levende wezens — in de eerste plaats met hunne soortgenooten — gevoerd wordt, langzamerhand die variaties het overwicht verkrijgen, welke in dezen strijd de beste wapenen bezitten, of, meer in het algemeen, het best bij de levensomstandigheden passen — ook wanneer deze zich gaandeweg wijzigen. Er bestaat eene onmerkbare, zichzelf regelende uitverkiezing, eene selectie van datgene wat onder gegeven levensvoorwaarden beter en doelmatiger is. En dank zij deze door de natuur zelf bewerkte uitverkiezing, deze natuurkeus, ontstaan erfelijke wijzigingen, die, zoodra zij zekere maat overschrijden, door ons als soortwijzigingen worden bestempeld en die, eenmaal in hunne beteekenis erkend, ons tot den geheelen soortenrijkdom bij planten en dieren, tot de langzame evolutie van het leven op aarde den sleutel verschaffen."

De natuurkeus, de sleutel, die heel den rijkdom aan soorten bij planten en dieren verklaren moest, blijkt dus een valsche sleutel te zijn geweest. Hij past niet op de feiten, maar blijkt met de eerste proef, die men thans meent genomen te hebben, lijnrecht in strijd te zijn. Van selectie kan geen sprake zijn, waar de nieuwe soort juist „minder bedeelde en ongunstiger typen" opleverde.

Wanneer Prof. Hubrecht dan ook verklaart, dat de ontdekking van Prof. De Vries in „schijnbare tegenspraak" is met Darwin's leer, dan behoeft men alleen het woordje schijnbaar te schrappen, om dit oordeel ten volle te kunnen onderschrijven.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van Sunday 4 May 1902

De Heraut | 4 Pagina's

De Evolutie in nieuwe banen.

Bekijk de hele uitgave van Sunday 4 May 1902

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken