Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Van ’s Heeren Ordinantiën.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Van ’s Heeren Ordinantiën.

19 minuten leestijd

XXXVII.

TWEEDE REEKS.

XIII.

O gij uitzinnige Galaten! wie heeft u betooverd ? Galaten 3:1.

Van onze bespreking der evolutie-hypothese in haar toepassing op het ontstaan der soorten in de eieren wereld brengt dit artikel het slot.

Wij hebben een vorig maal er op gewezen, hoe de evolutie voor velen onzer tijdgenooten een geloofsovertuiging is, die als uitgangspunt of beginsel hun denken en daarmee heel hun wereldbeschouwing beheerscht. Niet slechts op de natuurlijke, maar zelfs op de zedelijke wereld, deze laatste bedoeld in den ruimsten zin, wordt zij dan ook toegepast.

Dit beginsel nu staat vlak tegenover het Gereformeerde.

Waar wij aan „vóórverordineering" en „ordinantiën des Heeren" denken, spreken de voorstanders der evolutie van toeval of noodlot, van blindwerkende oorzaken, waarbij van doel geen sprake is.

Twee beginselen, die elkander uitsluiten. Als ja en neen tegenover elkander staan. Waarbij, tegelijk en in hetzelfde opzicht, door het eene wordt bevestigd wat het andere ontkent.

Waarbij het ten slotte gaat om de vraag, of gij óók in uw denken over de wereld al dan niet met den levenden God rekent.

Tegenover het echte staat hier voor ons het vahche geloof.

Nu leert de ervaring, dat van dit valsche geloof der evolutie een wat men v^o& mX fasciveercnde werking uitgaat. Evenals, naar men zegt, de blik van de slang het vogeltje verlamt, zoo vermag ook een mensch van krachtig willen, den zwakkere in wilskracht, zonder hem te overtuigen, door zijn spreken, zoo onder zijn macht te brengen, dat hij den ander als het ware geestelijk verlamt en deze, nu beheerscht door die vreemde macht, er ten slotte ook zijn denken door laat beheerschen.

Dergelijke booze werkingen zijn zelfs in de Christelijke wereld niet vreemd.

Men vindt er reeds een voorbeeld van in de eerste eeuw bij die Christenen in Galatië, die onder den invloed der Judaïsten waren gekomen en nu overgebracht werden tot „een ander evangelie." En als Paulus hun dan zijn brief schrijft, duidt hij dat doen der Judai'sten aan met een Grieksch woord, dat door het J.atijn heen, als fascineeren ook in onze taal is gekomen, en door onze bijbelvertalers met betooveren werd overgezet.

O gij uitzinnige Galaten! wie heeft u betooverd.? zoo toch leest gij in Galaten 3 : i.

Wie heeft u betooverd, schrijft de apostel in verwondering over de groote overmacht, waaraan zulk een verleiding had kunnen gelukken.

Zij waren gefascineerd.

Hun denken werd beheerscht door een hun vreemde, macht, door een anti-Christelijk beginsel. De Judaïsten hadden hen overgehaald, onder hun macht gebracht, en nu moesten zij tegen die booze macht ge waarschuwd, er van bevrijd. Zij moesten hun verstand weer vrij gaan gebruiken.

Van een dergelijke fascineerende werking en dat niet alleen door de evolutie zijn Chri-stenen, niet het minst de jongeren onder hen, ook in onzen tijd het slachtoffer geworden.

„O Gij uitzinnige Galaten, wie heeft u betooverd? " Het is een woord voor ruime toepassing vatbaar, op hen, die ook in onze dagen zijn overgebracht tot „een ander evangelie, " terwijl er toch geen ander is.

Gefascineerd door de „schoone woorden" van Multatuli, van Schopenhauer, van Von Hartmann en van Nietsche en overgebracht tot Imn evangelie. Gefascineerd door de „vreemde woorden, " •— overgenomen uit de taal van het Indische heidendom, — der theosophie en aan deze droomerijen van Indische heidenpriesters, geloovend als aan een evangelie.

„Goden dezer eeuw, " booze machten, die het verstand van velen in de Christenheid beheerschen en in zulk een roes brengen, dat hun slachtoffers zich zelf dan nog wel „vrijdenkers" noemen. Machten, die de kinderen van ons Christenvolk, en niet alleen de kinderen, bedreigen.

En daartegen is alleen redding in het gebed, bij het Kruis van Christus, bij de Schrift als opertharing van uw God, en ook bij een uzelf ernstig rekenschap geven van de vraag: Wat kunnen wij weten.

Wanneer ge menschen van gelijke beweging als gij, maar met .verwerping van de Schrift, als Gods openbaring, over het ontstaan en het wezen der wereld; over wat uw ziel is en haar toekomst zal zijn; over het wezen van God zelfs, hoort spreken, of ziet schrijven, dan kan — zoo al niet waar gij reeds „betooverd" zijt; maar dan toch op weg het te worden — de eenvoudige vraag: „Hoe kunnen die menschen dat zoo ivetenV' u ontnuchteren.

De gang der behandeling van ons onderwerp biedt als van zelf gelegenheid ditmaal tegen den fascineerenden invloed van ^^ evolutie te waarschuwen, en er zoo mogelijk, van te bevrijden. Indien het ons gegeven mag worden, de behandeling van ons onderwerp ten einde te brengen, zal zij zich ook vanzelf keeren tegen de fascineerende invloeden van de anti-Christelijke, wijl antischriftuurlijke wereld-en levensverklaringen, die sommige.eigen kenwaarde overschattende, wijsgeeren op de menschen van onzen tijd oefenen. Van een dergelijke overschatting biedt b.v. het stelsel van Schopenhauer, waarmee in wereldsche kringen vooral kunstenaars en dames dwepen, een merkwaardige proeve. En evenzeer zal die behandeling zich dan keeren tegen den betooverenden invloed van het valsche-religieus geloof waarmee men, o.a. in de theosophie, thans de zielen vermoordt.

Men zegge niet, dat dergelijke dingen ons Calvinisten niet raken. In de 17de eeuw dacht men daar onder de Gereformeerden wel anders over, en een rijke literatuur kan daarvoor ten bewijze strekken.

Uit haar noemen wij slechts de twee werken: Toetssteen der Waarheid en der Meyningen, van Henricus Brink, waarin niet slechts „seekere Cocceaansche", maar ook „Carteseaansche vraag-stukken, " worden behandeld en Het Vergift van de Cartesiaansche Philosopliie grondig ontdekt, door den bekenden predikant Jacobus Koelman in I672 uitgegeven.

De voorbeelden zouden gemakkelijk zijn te vermenigvuldigen.

En dat waren dan geen geleerde maar populaire werken, waarmee de schrijvers bedoelden het volk des Heeren te bewaren van in hun denken vergiftigd te worden door verkeerde beginselen,

En zulk een beginsel is voor ons thans ook de Evolutie.

„Onze negentiende eeuw sterft weg onder de hypnose van het Evolutie-dogma", zoo luidde het begin der akademische redeneering, waarmee in 1899 de toenmalige rector onzer Vrije Universiteit zijn waardigheid overdroeg. In een gelijksoortige oratie onder overeenkomstige omstandigheden ten jare 1902 aan de Utrechtsche Universiteit gehouden, werd met de zekerheid der geloofsovertuiging uitgesproken: „langzaam maar zeker wordt het menschdom, in geleidelijke evolutie, voorloopig naar hooger ontwikkelingstrap gevoerd.”

Waarlijk, wat noodig bleek in de 17e eeuw en een Brink, Koelman en anderen naar de pen deed grijpen, is ook in de 20ste niet overbodig.

In ons vorig artikel hebben wij in breede trekken een voorstelling trachten te geven van de beschouwing die de Evolutie-leer omtrent het ontstaan der soorten in de dierenwereld huldigt. Het beeld van den „stamboom", van een teekening waarop in den vorm van een stam met takken de namen der familieleden staan geschreven, is niet ongeschikt om die voorstelling te verduidelijken.

De Evolutionist nu gelooft dat het zoo is. Hij is er vast van overtuigd, al kan hij het ook aan allen niet bewijzen, dat de veelvormigheid der dierenwereld dus moet zijn ontstaan.

Dan, hij zoekt ook naar de oorzaken van dit gebeuren, die volgens hem niet anders dan „natuurlijke", d. i. blind werkende, mechanische mogen zijn.

Over de wijze waarop die oorzaken werken, moge onder de aanhangers van het evolutiedogma nog strijd bestaan, dit verandert niets aan de overtuiging, dat door deze oorzaken de evolutie der dierenwereld tot stand komt. „De ontwikkeling, zegt de zoöloog Weismann, heeft voor de wetenschap de waarde der feiten; slechts over haar terugvoering op hare natuurlijke oorzaken strijden wij nog."

En eindelijk, eenmaal overtuigd dat het zoo is, zoekt de evolutionist ook in wat hij waarneemt naar gronden, die deze zijne overtuiging moeten bevestigen en die hij natuurlijk ook vindt.

Nemen wij nu eerst kennis van de oorsaken, waaruit de ontwikkeling van de dierenwereld, zooals de soortbcstrijders zich die voorstellen en wij dat in ons vorig artikel beschreven, door hen wordt verklaard.

Als de twee voornaamstv moeten hier dan genoemd de variabiliteit of de veranderlijkheid, aan alle levende organismen eigen en de' erfelijkheid of het overgaan van de eigenschappen der ouders op hunne kinderen.

Op zich zelf is zoowel de variabiliteit als de erfelijkheid een ervaringsfeit, dat dan ook door niemand zal worden bestreden. De vraag, waar het hier alleen om gaat, is, of met deze feiten het ontstaan van de zoo veelsoortige dierenwereld, uit een of meer eerste protoplasmaklompjes als dragers van het leven, langs mechanischen weg werkelijk verklaard kan worden.

Ieder nu die niet gefascineerd is door de Evolutie, zal, gelijk wij zullen aanwijzen, moeten erkennen, dat dit tot dusver nog niet gelukt is.

Wij zullen dit eerst trachten aan te wijzen van de variabiliteit.

Dat een levend wezen zich wijzigt tengevolge van de uitwendige omstandigheden waarin het verkeert, is een feit. De vraag waar het bij de Evolutie echter om gaat, is, of deze variabiliteit zoo onbegrensd is, dat zij een der oorzaken kan wezen, waardoor b.v. sommige wormen achtereenvolgens zich wijzigen tot visschen, sauriërs, kruipende dieren, vogels en eindelijk, door vogel-en buideldieren heen, tot placentadieren.

Van zulk een oneindige variabiliteit leert de ervaring niets. Zoo iets heeft niemand ooit waargenomen. Wel het tegendeel. De gebalsemde dierenlijken van honden, katten, ossen, apen, krokodillen en vogels in de oude Egyptische graven gevonden, zijn duizenden jaren oud en vertoonen de grootste overeenstemming met de thans bestaande soorten. Wel weten wij, dat de Darwinisten voor dit argument niet uit den weg gaan, want de kleine variaties hebben, volgens hen, niet duizenden, maar miljoenen jaren noodig gehad, om zich door de volgende geslachten heen tot zeer groote en merkbare veranderingen op te hoopen — en in 1879 berekende lord Keivin, dat het leven op aarde minstens 24 miljoen jaren bestaat — maar op deze wijze wordt schier ieder bewijs, op de ervaring gegrond, onmogelijk.

Een ander bezwaar is, dat deze variaties, die de ontwikkeling van het hoogere uit het lagere veroorzaken, volgens de evolutionisten, wel een toevallig maar tevens altijd een, in den strijd om het bestaan, nuttig karakter dragen; iets wat reeds op zich zelf een tegenstrijdigheid biedt, maar die nog versterkt wordt, indien men ziet op den wonderen samenloop van toevallige omstandigheden, die men dan moet veronderstellen. Een voorbeeld moge dit verduidelijken. Thans onderscheidt zich de giraffe van alle andere zoogdieren door haar langen hals. Volgens de evolutionisten is dit echter aanvankelijk niet zoo geweest. Ook de giraffehals heeft haar „natuurlijke geschiedenis." Toen eens in de omgeving dezer dieren het lager groeiend loof ontbrak, waren er enkelen onder hen, met een toevallig ietwat langeren hals, maar die daardoor juist het hooger zittend boomblad konden bereiken. De mannetjes en wijfjes, die deze even toevallige als nuttige variatie bezaten, voelden zich tot elkander aangetrokken. Kozen en lieten zich kiezen tot teling. Terwijl hun natuurgenooten van honger omkwamen, bleven zij voortbestaan, en als een kostbaar erfgoed ging de ietwat verlengde hals op hun kinderen over. Om nu echter den giraffehals op de vereischte lengte te brengen, moet men wel aannemen, dat de strijd om het bestaan ook voor dat volgende geslacht voortduurde en dus het loof toevallig nog hooger ging zitten, en er even toevallig in de nieuwe generatie weer individuen waren, die met hun hals boven wat toen de gewone maat was, uitstaken.

Hiermede zijn wij reeds toegekomen aan wat boven als de tweede oorzaak van de evolutie werd genoemd: de erfelijkheid.

Dat de voor de hoogere ontwikkeling van het individu zoo nuttige wijzigingen of variaties van ouders op kinderen overerven, is, met het oog op het feit van de erfelijkheid, best mogelijk. De vraag, waar het bij de evolutie ook hier weer om gaat, is eèhter of deze erfelijkheid oorzaak kan wezen van het ontstaan der zoo groote veelsoortigheid in de dierenwereld.

Men beroept zich hier op de kunstteelt. Gelijk wij reeds in ons 17de artikel schreven, ging Darwin daarbij uit van wat hij gezien had bij het laten paren van duiven, welke hij om hun variaties daartoe had uitgekozen. De wijzigingen plantten zich versterkt, opgehoopt in volgende geslachten voort.

Maar dit beroep op de kunstteelt is minder dan een waarschijnlijkheidsbewijs. Het onderstelt zekere overeenkomst tusschen wat de mensch doet en wat de natuur zou doen. De mensch kiest uit de verschillende individuen de sterkste, de schoonste exemplaren en zoo ook zou er een natuur-keuze zijn. Gesteld nu, dat dit zoo ware, dan zou in de natuur overleg en doel zitten, wat voor de evolutionisten, met hun geloof aan blind werkende oorzaken, een ketterij is. Heel dat begrip van natuur keus, van natuurlijke uitverkiezing, is op dit standpunt dan ook een ongeoorloofde vermenschelijking van de natuur — lijnrecht in strijd met wat het „mechanisch monisme, " vroeger door ons beschreven, leert omtrent de mechaniek der atomen. — Wat de mensch hier.doet, naar een plan en met een doel, mag de evolutionist niet overbrengen op de natuur. Maar bovendien, ook wanneer men dit beroep op de kunstteelt als een waarschijnlijkheidsbewijs wil laten gelden, krijgt men juist het tegendeel van wat men bedoelt. Darwin's duiven bleven altijd „duiven.”

En ook de bastaardering, die men kunstmatig te voorschijn roept, is tot zekere gren-- zen beperkt. Bij zeer uiteenloopende soorten is zij onmogelijk, bij minder verwijderde zijn de bastaard-dieren zelf onvruchtbaar, bij nauw verwante echter, ZOO^X^& Q haasachtige knaagdieren b v. hazen en konijnen, planten de bastaarden zich wel voort, maar indien zij in den loop des tijds niet weer gekruist worden met een van de stamvormen, verdwijnt de variëteit.

Het groote bezwaar voor de soort-bestrijders is echter om de erfelijkheid zelf, die zij als oorzaak van de evolutie der dierenwereld onderstellen, te verklaren in haar karakter van blindwerkende, mechanische oorzaak. Zoolang men toch niet begrijpt wat erfelijkheid is, m. a. w. hoe dit overgaan van eigenschappen der ouders op hun kinderen toegaat, stelt men zich slechts tevreden met een woord. De Evolutionisten moeten daarbij kunnen aanwijzen, dat het bloot mechanisch toegaat, door druk en stoot van atomen. Tot dusver is dit echter nog niet op een bevredigende wijze gelukt.

Toch heeft men dit op verschillende wijzen beproefd, en er een vijf of zes-tal tegenstrijdige theorieën over opgebouwd. Het gaat hier niet aan, daaromtrent in bijzonderheden te treden, en wij zullen ons dan ook slechts bepalen tot het algemeene.

Reeds in ons 30ste artikel wezen wij in verband met de, door geen enkel goed waargenomen feit gestaafde, hypothese van de generatio spontanea, op de cel als het elementaire bestanddeel, waaruit ieder levend wezen is opgebouwd. Bij de geslachtelijke teling nu, vereenigen zich twee cellen met elkander, waaruit zich onder gunstige omstandigheden een gelijksoortig wezen als de ouders ontwikkelt, en wel doordat uit de bevruchte kiemcel nieuwe cellen ontstaan. In de zoo even genoemde theorieën ter verklaring van de erfelijkheid, denkt men zich nu de cel zelf als bestaande uit kleine niet meer waarneembare ^eenheden. Een enkele spermatozoïde of zaaddiertje b.v., wordt geacht miljoenen deeltjes te bevatten, en elk dier deeltjes met van de anderen verschillende hoedanigheden. Het zijn deze „levenseenheden" — in de bedoelde theorieën met onderscheidene namen genoemd — welke, naar men onderstelt, de bewerksters zouden zijn van de eigenschappen in de nieuwe individuen, //Ö^ dit echter geschiedt, is in geen enkele der bestaande en elkander bestrijdende theorieën tot dusver opgelost. Het feit der overerving langs mechanischen weg, d. i. als beweging van stofdeeltjes, te verklaren, is tot dusver niet gelukt. Zonder meer te zeggen, dan wij verantwoorden kunnen, mogen wij dan ook schrijven, dat zoowel de variabiliteit als de erfelijkheid, volgens de soortbestrijders, de twee groote oorzaken van de evolutie in de dierenwereld, tot heden een raadsel zijn.

Of men zich nu deze evolutie denkt in plaats van veroorzaakt door kleine wijzigingen der individuen —'• welke wijzigingen zich langs een denkbeeldige kromme lijn nu eens hooger dan weer lager zouden bewegen — m. - a. w. door schommelvariaties, dan wel als een plotselinge wijziging van de soort, als een sprongvariatie, gelijk, op grond van het door ons vroeger besproken geval met de Teunisbloemen, door sommigen thans wordt geleerd ^-de hierboven genoemde bezwaren worden er, naar het ons wil voorkomen, niet door weggenomen.

Te zeggen: de evolutie der dierenwereld wordt veroorzaakt door veranderlijkheid en erfelijkheid, kan toch moeielijk voor een verklaring gelden, zoolang deze twee oorzaken zelf nog raadsels zijn; en dat blijven zij, ook waar men bij de variatie aan — i het beeld is niet van ons, maar van den auteur der Evolutie in nieuwe banen — den voetzoeker denkt, „die nu eens rustig, dan weder met plotselinge plaatsverandering, zijn kruitvoorraad verbruikt.”

Komen wij thans tot de gronden, die de voorstanders van de evolutie der dierenwereld voor deze hun overtuiging hebben gezocht, en daarbij geleid door hun beginsel, hebben gevonden.

Deze gronden zijn drieërlei.

In de eerste plaats zijn zij ontleend aan de vergelijkende ontleedkunde; vervolgens aan de leer van de ongeboren vrucht en eindelijk aan & e palaeontologie oi& eXe& t éet „versteeningen.”

Bepalen wij ons vooraf tot de eenvoudige vermelding van enkele der voornaamste feiten, waar het hier op deze drie gebieden van menschelijk kennen om gaat.

In de eerste plaats heeft de vergelijkende ontleedkunde geleerd, dat tusschen sommige gedeelten van het geraamte van verschillende dieren merkwaardige overeenkomst bestaat. De voorste ledematen der amphibieën, kruipende dieren, vogels en zoogdieren, hoewel zij tot zwemmen, loopen, ^^ vliegen en grijpen dienen, hebben altijd dezelfde arm-en handwortelbeenderen. Dezelfde organen dus, maar op verschillende wijzen omgevormd. Daarnaast vindt men echter, dat andere organen hier wel ontwikkeld, daar niet ontwikkeld zijn. Zoo b.v. zijn de staartwervels der zoogdieren bij den mensch saamgegroeid; de voeten der amphibieën bij de blindslangen tot stompjes verkort; één vleugelpaar van de viervleugelige insecten bij de tweevleugeligen, zoo aLs muggen en vliegen, tot die knotsvormige lichaampjes samengeschrompeld, welke men de „kolfjes" noemt en die soms onder een paar schubbetjes zijn verscholen. Eindelijk zij hier nog gewezen op het hart, dat in de verschillende dierengroepen een hoogere organisatie vertoont. Bij de visschen één „kamer, " bij de amphibieën een nog onvolkomen scheiding in twee, bij de kruipende dieren twee met volkomen scheiding, bij de zoogdieren een rechter-en linkerboeaem of voorkamer en een rechter-en linkerkamer.

In de tweede plaats heeft de leer van de ongeboren vrucht, of de embryologie geleerd, dat de vrucht in het moederlijf een ontwikkeling doorloopt, waarbij zij zekere uitwendige overeenkomst vertoont met typen van lager orde. Zoo b. v. gaat zelfs de mensch in zijn embryonische ontwikkeling door toestanden, die in het algemeen aan visschen, amphibieën, vogels en lagere zoogdieren herinneren.

Merkwaardig is bovendien, wat hier omtrent de vorming van het hart is ontdekt.

Dat van de zoogdieren toch.is bij hun nog ongeboren vrucht eerst als het hart der visschen, dan als een amphibieënhart, b.v. van een kikvorsch, daarna als dat der kruipende dieren, b. v. van een krokodil, tot het eindelijk een zoogdierenhart wordt.

In de derde plaats de palaeontologie of de leer der versteeningen, in de verschillende aardlagen gevonden. Over haar hebben wij reeds gehandeld in ons 34ste artikel. Wij zagen toen, dat de resultaten, die zij voor de kennis van het ontstaan der dierenwereld biedt, nog zeer onbetrouwbaar zijn. Toch dient hier gewezen op het feit, waar de evolutieleer zich zoo gaarne op beroept, dat men in Amerika in de kaenozoïsche aardlagen, versteeningen heeft gevonden van paarden met 5 teenen, met 4 teenen en een z.g. rudiment met 4 teenen, met 3, met i hoofdteen en 2 neventeenen, met i teen.

Zien wij nu in de tweede plaats, hoe de „soort-bestrijders" aan deze feiten gronden ontleenen voor hun theorie. Hun denken, beheerscht door het beginsel der Evolutie, ziet in de overeenkomst der verschillende organen, de genetische afstamming van alle levende wezens uit één gemeenschappelijken stamvorm. Waar organen niet ontwikkeld zijn, spreken zij van „rudimenten" of „beginselen" die thans niet-dienstig of zonder beteekenis voor het leven, echter terug zouden wijzen op een tijd toen zij onder andere levensomstandigheden noodig waren. Met het verdwijnen dier omstandigheden bleven zij stilstaan in hun ontwikkeling.

Wat de embryologie leert, wordt door hun denken zóó geïnterpreteerd of uitgelegd, dat de ontwikkeling van het individu een verkorte en gewijzigde vorm is van die van den stam oï phyle.

Men heeft hier zelfs een wet van gemaakt, de z. g. „biogenetische grondwet" of die der „levenswording", volgens welke „de ontogonie of de wording van het individu een herhaling is van de phylogenie, ”

Toch is merkwaardig, dat op de vergaring van natuuronderzoekers ten vorigejare in Hamburg gehouden, Dr. Ziegler in zijn verhandeling over „de tegenwoordige stand der afstammingsleer in de zoölogie" zegt : „Ook de ontwikkelingsgeschiedenis der individuen, de ontogonie biedt menige verwijzing naar de stamontwikkeling, ook waar zij misschien niet alle ver v/achtingen bevredigd heeft welke men haar voor 30 jaar stelde." Merkwaardig, omdat uit die .woorden, zij het dan ook verholen, teleurstelling spreekt.

Eindelijk de palaeontologie. Nog niet zoo lang geleden moest zij vooral een grond voor de Evolutie leveren. Uit hare onderzoekingen, zoo beweerde men, was nu gebleken, dat hoe hooger in de voortschrijdende vorming der aarde, de ontwikkelingstoestanden werden, des te menigvuldiger en volkomener ook de bouw van planten en dieren, des te hooger de soorten. Ook hier heeft de uitkomst echter niet aan de verwachting beantwoord. Op dezelfde vergadering te Hamburg, verklaarde een vurig aanhanger der Evolutie, Dr. Koken van Tubingen, in zijn verhandeling over „palaeontologie en afstammingsleer": „de zuiver palaeontologische methode heeft ons verder van Darwin afgevoerd, dan in de eerste tientallen jaren na de verschijning van zijn werk, voor mogelijk kon gehouden worden.”

Zoo zien we dan, dat de gronden, door de soort-bestrijders voor hun theorie aan de feiten ontleend, deze noch proefondervindelijk bewijst, noch dat zij algemeen geldig zijn.

Die feiten toch kunnen evenzeer worden vertolkt door ons denken, dat zich door de Schrift laat beheerschen, als gronden voor het geloof aan een scheppingsplan; aan een door God gestelde praeformatie van het hoogere in het lagere. En met dit christelijk beginsel verliest de uit waarnemen en denken gevormde wetenschap niets van haar ernst en trouw. Alleen zij interpreteert dan de verschijnselen anders. Zij heeft daarbij niets wat de waarneming biedt, te „verdonkeremanen". Het bestaan van „rudimentaire organen" zal zij niet trachten te verduisteren, maar er of ideëele aanwijzingen van de meer ontwikkelden in zien, of gelijk bij den straks vermelden hoef van het paard — waarin voor haar waarlijk niets van den booze zit — volmondig erkennen, dat de variabiUteit binnen den kring van de soort grooter is dan men zich totdus ver gewoonlijk wel denkt.

Schepping of P> olutie.

Bij de vraag naar het „ontstaan van de soorten" in de dierenwereld zal het antwoord ten slotte afhangen van de omstandigheid, of gij door de Evolutie als hypothese van wereldverklaring zijt gefascineerd, dan wel door Gods Geest zijt overtuigd van de waarheid der Schrift, ook waar zij u het ontstaan der dingen door Schepping openbaart.

Alleen dan ziet gij, ook in die veelvormigheid der dierenwereld, 's Heeren eeuwige kracht en Goddelijkheid.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 22 juni 1902

De Heraut | 4 Pagina's

Van ’s Heeren Ordinantiën.

Bekijk de hele uitgave van zondag 22 juni 1902

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken