Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Diakonie en Overheid

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Diakonie en Overheid

12 minuten leestijd

Een vorig maal gaven wij de stellingen, die Ds. Sillevis Smitt op de Diaconale conferentie verdedigde. Ditmaal laten wij de toelichting volgen:

In „de verhouding tusschen Diakonie en Overheid" ziet de referent een vraagstuk, dat zich met steeds krachtiger eisch op den voorgrond dringt; een "raagstuk dat nauw samenhangt met dat andere „de verhouding tusschen Kerk en Staat", waarnaast het evenwel eene zelfstandige plaats inneemt.

Hij wenscht zijn onderwerp te bezien in het licht der historie, bij den eisch van het beginsel, een blik te werpen op den huidigen toestand en den weg aan te geven, waarin verbetering van den tegenwoordigen toestand is te verwachten.

De vraag, hoe armoede en ellende te voorkomen, te lenigen en af te wenden, is even oud als de zonde. De algemeenheid der ellende heeft het aanzijn geschonken aan eene menigte stelsels van armenzorg. Reeds bij de Heidenen. In het machtige Athene, waar eerst weinig armoede heerschte, kwamen later instellingen voor ouden van dagen en verminkten in den krijg, uitdeelingen van levensmiddelen en verdeeling van land.

In Rome had men de groote uitdeelingen van koren, waarbij evenwel veel de vrees voor een machtig pauperisme voorzat.

Wat Israël betreft, hoezeer zijne wetten voor de beginselen der diakonie van gewicht zijn, toeh vormen ze in de onderhavige kwestie geen punt van uitgang. De dienst der barmhartigheid komt eerst tot haar recht in de Kerk des Nieuwen Testaments. Los van alle wereldlijke macht, leeft er de dienst der barmhartigheid door eigen organen. Die barmhartigheid is spoedig ontaarj. De oefening bleef niet genade van Christus, maar verdienstelijk werk der eigen gerechtigheid.

De kerkvaders spreken van aalmoezen als iets verdienstelijks. Men oefende barmhartigheid, niet voor den ander, maar om zichzelf. En de armOvide werd hierdoor niet gestuit, maar gevoed. De Kerk stond ten laatste machteloos. De hulp der wereldlijke macht werd ingeroepen. Karel de Groote nam maatregelen om de bedelarij te stuiten. Karel V keerde zich niet alleen tegen de landlooperij, maar riep ook instellingen in het leven om armen te ondersteunen, eene algemeene kas, een denkbeeld van centralisatie, dat in onze dagen nog veelszins gehuldigd wordt.

Maar de dag der hervorming brak aan en de dienst der weldadigheid onderging wederom verandering. Alle instellingen, die een kerkelijk karakter droegen, alle kerkelijke gestichten werden geseculariseerd, de katholieke religie werd verboden. Maar katholieke en andere niet Gereformeerde armen moesten toch worden verzorgd. Tal van instellingen daartoe werden vanwege de Overheid in het leven geroepen. Uit die dagen dagteekent ook het domicilie van onderstand, de aanduiding van eene plaats, die den arme heeft te verzorgen, dat nog tot 1870 gehandhaafd bleef.

In de eerste jaren der republiek werden de Diakoniën belast met de uitdeeling van gaven aan niet-gereformeerden. De Diakonie kwam hierdoor in eene afhankelijke positie. Haar trof het verwijt van partijdigheid in het uitdeden. Er ontstonden neutrale commission naast haar: Aalmoezeniers, Huiszittenmeesters. Later deed de Overheid aan de Diakonieën vele goederen over, maar wilde dan ook toezicht oefenen. Dj Diakenen werden Staatsambtenaren. Zij kregen eene dubbele verantwoording, aan Kerk en O srer heid. Zoo luidt het in art. 26 D. K.;

„De Diakenen zullen ter plaatse waar Huiszittenmees'ers of andere Aalmoezeniers zijn, van deze begeeren, goede correspondentie met hen te willen houden, ten einde de aalmoezen te beter uitgekeerd mogen worden onder degenen, die meest gebrek hebben."

In den roes van vrijheid, gelijkheid en broederschap, werd in de Staatsregeling, die echter nimmer werd uitgevoerd, gezet, dat bij uitdrukkelijke wet het armbestuur over de geheele repu bli; k zoude worden geregeld.

In de grondwet van 1814—15 werd deze aangelegenheid van hoog belang geacht en de zaak van het armbestuur aan de zorg der regeering aanbevolen.

Eindelijk kwam de Armenwet van 1854.

Thorbecke had een ontwerp ingediend, waarbij de Wetgever geheel regelend optrad. De Diakonieën zouden aan handen en voeten gebonden worden; naar bepaalde regels zouden hare regie menten moeten worden herzien, desnoods zou met den sterken arm van alle boeken en bescheiden kunnen worden kennis genomen.

Reeds was van alle zijden dit ontwerp heftig aangevallen, toen Thorbecke viel en Van Reenen zijne plaats innam. Deze Minister bezorgde ons de Wet van 1854, Hij was veel milder in opvatting dan zijn voorganger. Hij rekende de weldadigheid tot het gebied der Kerk. Zij moest alle vrijheid hebben, die met de rechten en phchten van den Staav te vereenigen waren. O/eral moesten armbesturen worden opgericht om in de leemten te voorzien. Geen burgerlijk armbestuur mag onderstand verleenen, tenzij het zich verzekerd heeft, dat niet van kerkelijke zijde in den nood wordt voorzien, en dan bij volstrekte onvermijdelijkheid.

Hos schoon ook, het scherpziend oog van Groen van Prinsterer zag de gevaren in deze wet. Hij sprak zich aldus uit. Gij geeft ons Staatsarmenzorg en wij blijven in den ouden sleur. Het overlaten van armenzorg aan de Kerk met de betuiging: de Staat ondersteunt alleen bij volstrekte noodzakelijkheid. Maar uw beweren is in strijd met uw eigen handeling Gij geeft aan de kerkelijke en de bijzondere armenzorg een slaapdrank, houdt ze een lokaas voor, brengt ze in de voortdurende verzoeking cm met het oog op de armenzorg van den Staat, eigen roeping uit het oog te verliezen.

Binnen enkele jaren bleek het, dat de oppositie juist gezien had. Behalve de wijziging in het domicilie van onderstand leven wij nu nog onder dezelfde Armenwet. Ware Minister Borgesius aangebleven, dan zou het nog erger geworden zijn. Ook hij ontwierp eene wet, sterk riekende naar het ontwerp van Thorbecke. Ook die wet bleef in portefeuille. In dit jaar sprak de heer Borgesius het nog uit, weinig hoop te voeden, door het huidig Ministerie van de wet van 1854 te worden verlost, want de tegenwoordige Minister Kuyper beschouwt de liefdadigheid als eene familiezaak en op dat standpunt is geen goede armenwet tot stand te brengen.

Nu, wij hopen ook verlost te worden van de wet van '54, maar in tegenovergestelden zin, door handhaving van de kerkelijke barmhartigheid als heilige familiezaak.

Bezien wij nu den eisch van het beginsel, dan wijst men u in onze dagen als uitvloeisel van dieper liggende beginselen op drieërlei stelsel. Het eerste dat van de vrije, ongebreidelde liefdadigheid, die zich door gene regelen laat leiden of richten, het Pelagiaansche stelsel, dat ook in het geven vraagt naar den vrijen wil van den mensch. Het tweede, dat van de alles omvattende Staatsarmenzorg, als tak van het Staatsbestuur, volgens regelen door de wet gesteld en met beschikbare middelen, daarmede in overeenstemming. Het derde, dat van de vrijwillige armenverzorging door vereeniging van alle krachten en middelen, en waarbij niet een, ook de Kerk niet, op den voorgrond mag treden. Toch laat de kerkelijke barmhartigheid zich in dit laatste stelsel niet indeelen. Ze wordt gedragen door eigen beginselen. Zoo er in hare armenzorg regel ligt, is dit niet een menschelijke maar een goddelijke. Zoo er eenheid is, is die niet door menschen aangebracht, maar vloeit ze voort van den Heere in den hemel. Ze heeft een geestelijk middelpunt, dat is de barmhartigheid van Jezus Christus. In origine is ze zoo particulier mogelijk, alleen opkomende uit Christus, alleen door zijne Kerk uitgeoefend. In hare openbaring is ze zoo algemeen mogelijk; beginnende van de huisgenooten des geloofs strekt ze zich over alle menschen uit.

De Diakonie moet haar eenig leven en beginsel recht kennen. Ze treedt nooit anders op dan namens Christus. Wie aan de Diakonie geeft, geeft aan Christus, wie van haar ontvangt, ontvangt van Christus. De gave wordt op de tafel des Heeren gelegd als offer, ze wordt van de tafel des Heeren ontvangen als hemelgave. Waarom zou dan de gever zich verheffen of de arme zich schamen?

Het werk der Diakonie is een werk van Christus en daarom is alle concurrentie met haar niet alleen diep zondig, maar ook onbestaanbaar. Wie zal Christus vervangen als ontfermer? Hij alleen heeft èn mededoogen èn macht om te redden. Er moest maar éen stelsel van armenverzorging zijn, waarvan Christus het middelpunt is.

Van dwang is bij de barmhartigheid der Kerk geen sprake; als eene belasting kan ze niet worden opgelegd. Bedeeling mag ze niet heeten. Bedeelen doet de meerdere den mindere. Medcdeelen is het, het vrijwiUig. spontane, elkander dienen uit den schat - van Christus. Als zoodanig heeft de Ovrerheid de Kerk van Christus te ei kennen als een geheel eigen type. Er mag geen sprake wezen, dat de Overheid ooit den schennigen vinger naar het leven van Gods Kerk zou uitstrekken of hare vrijheden aanranden. Toch is er geen reden, waarom Kerk en Staat met elkander in botsing zouden komen, zoo zij maar elk uit eigen wortel leven.

Wat is nu de roeping van de Overheid? Om in den Naam des Heeren recht en gerechtigheid te oefenen.

Dat wil de revolutionaire Staat niet. De grenzen, door Gods Woord gesteld, zijn hem te eng. Hij schendt ze. Op schoolgebied, wasr de Overheid als zedemeesteresse, als leermeesteresse van Christelijke deugden optreedt, en op dit terrein waar de overheid weldoenster wil zijn. Gij kunt niet genoeg u wapenen tegen dat verderfelijk beginsel. In het liberalisme komt het nog fluweelachtig voor den dag, in Thorbecke en Borgesius werd het al duidelijker, in Socialisme en Communisme vindt het zijne voleinding.

Bezien wij bij het licht dezer beginselen den huidigen toestand. De statistiek leert, dat dè Overheid voor armenzorg meer uitgeeft dan de Kerk. Zij het ook, dat het verhoudingscijfer gunstiger geworden is, ook door de uitlichting van het domicilie van onderstand uit de wet in r87o. de Kerk van Christus ligt in oneere, zij versmaadt de subsidie van den Staat niet. Of is het niet bekend, dat voor krankzinnigen van Gereformeerden huize de Diakonie betaalt wat de verpleging in Gereformeerde stichtingen meer kost dan in de Staatsinrichtingen, maar dat ze

gretig de grootste som van de Overheid aanneemt ?

Is daarin verandering te brengen? Kunnen de Diaconieën zich zoo opwerken, dat zij dien steun niet behoeven, kunnen zij zooveel geven, dat Staatsarmenzorg geheel wordt afgeschaft? Ons antwoord luidt beslist, neen! in den huldigen toestand, nu de Diakonie onder uitermate zware lasten gebukt gaat, waarvan zij ontheven kan en moet worden. Maar dan is ons antwoord ook ja! vol vertrouwen op ons beginsel, indien in den rechten weg verademing komt. Thans wordt de Diakonie verlamd, gestremd in hare vlucht, heeft zij een zwaar blok aan den voet, dat haar verhindert eene schrede verder te doen, en dat haar hoe langer hoe meer dreigt te doen wegzinken. Dit is de wondeplek in het leven der Diakonie, waar drie jaren geleden iJ^-ÖVra? // op wees, dat hare meeste stoffelijke kracht, vooral in groote steden, wordt opgeteerd door de verzorging van ouden van dagen, weduwen en weezen. Of ze zich dan aan die zorg kan onttrekken? Geenszins. Zoolang zij daar staan, moet zij ze met liefde tegentreden en helpen voor zoover zij kan. Maar er zijn sociale misstanden, die moeten worden weggenoni'ên. Dat is niet de roeping van de Diakonie. Wat ze doen mag, is critiek oefenen.

Nog een enkel woord over den weg, die te bewandelen is om tot een beteren toestand te komen. Als eerste eisch geldt: dringt zelve irieer in met al uw geest en hart in de geestelijke beteekenis van uw heilig ambt, verstaat het, kent het, doorgrondt het, hebthet lief in al zijn diepte en breedte. En wordt, te midden van allen strijd en moeite, zelve gesterkt, opdat voor uw oog het onderscheid geteekend worde tusschen dezen heiligen dienst en wat zijn schijn op aarde vertoonen wil. Weest gijlieden volmaakt, gelijk uw Vader in de hemelen volmaakt is. Wie ter wille van de practijk dat ideaal liet dalen, zou daardoor de practijk bederven. Op dat ideaal ziende zal uwe hand huiverig worden om door den Staat Christus te laten helpen voor Zijne ellendigen. Wat ge nu als een staf beschouwt, zult ge dan als een gebroken rietstok schuwen.

Bij wijze van politiemaatregel zijn werkhuizen en inrichtingen als Frederiksoord en Veenhuizen te verdedigen. Maar niet als Koloniën van Weldadigheid, zooals ze genoemd worden. De barmhartigheid verblijve aan de Kerk. De Diakonie moet daarbij streng waken tegen vermenging. Borgesius kende in zijn ontwerp armenraden, waarin in iedere gemeente leden van verschillende armbesturen zitting zouden hebben. Dr. de Visser juicht dit toe in zijn referaat „Kerk en Staat inzake armenzorg." Maar Dr. de Visser blijft ook hier de man van de Staatskerk.

Maar de Diakenen kunnen in zulk een armenraad de eere van hun ambt niet handhaven.

Zij kunnen er de broeders en zusters niet met naam en geschiedenis van uit het heilig donker van het intieme familieleven van Christus' Kerk in het licht en den kring der wereld brengen.

Begrijpt de wereld ons niet, het zij zoo. Maar laat zij ons eerbiedigen.

Aan de andere zijde kan de Diakonie inwerken op de Overheid door verbetering van de sociale verhoudingen te bepleiten. Daarom juich ik toe het verzoekschrift door de Diakonie van Rotterdam B aan de Koningin gericht, en kunnen wij met stil vertrouwen op daden van het ministerie wachten. Ik geloot ook, dat dat vertrouwen sterk genoeg moet zijn om zonder tegenspraak die inlichtingen te geven, die deze regeering vraagt, ook al kan zij van hare bedoelingen niet nadere verklaring geven. Die gegevens zijn onmisbaar tot samenstelling van zulk eene armenwet, die aan het recht der kerk tekort doet.

Al is de Diakonie zelve niet geroepen, de sociale misstanden weg te nemen, toch staat haar arbeid ermee in nauw verband. Daarom zou het een groote zegen te achten zijn, wanneer enke len onder de broeders ernstig studie maakten van de sociale kwestie en het pauperisme. Van de andere zijde is het ook noodig, dat onze mannen in de Kamer of daarbuiten ernstig studie van het Diakonaat maken, opdat ze in 's lands raadzaal, in de pers en elders voor de rechten der Kerk mogen strijden en waken Weet wel, het Diakonaat zal steeds banger worsteling en' moeielijker en reusachtiger taak tegengaan. Evenwel, het Diakonaat zal niet de ellende van deze aarde wegnemen. Dat heeft God Almachtig zich voorbehouden door het vuur van den oordeelsdag en de wedergeboorte der aarde. Maar ze zal schrikkelijke afmetingen aannemen, naarmate het einde nadert. En dan zal ook die arbeid zelf gewogen, gekeurd en met vuur beproefd worden En zalig is die dienstknecht, welke zijn heer komende, zal vinden alzoo doende.

Het is uitnemend, dat dit onderwerp aan de orde is gesteld. AI mag van de tegenwoordige Regeering niet verwacht worden, dat zij de diakonie aan banden zou leggen, toch dient principieel het vraagstuk te worden bezien.

Vooral de breede historische grondslag en de zuivere afbakening der grenzen verkenen aan dit referaat waarde.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 20 juli 1902

De Heraut | 4 Pagina's

Diakonie en Overheid

Bekijk de hele uitgave van zondag 20 juli 1902

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken