Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Onze kleeding.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Onze kleeding.

8 minuten leestijd

lIl.

Hoe hooge beteekenis de Schrift ook aan het kleed toekent, toch leert ons Gods Woord klaar en duidelijk, dat het kleed bij het menschelijk lichaam eigenlijk niet hoort; dat naar de oorspronkelijke Scheppingsordinantie de mensch zonder kleed zou hebben gewandeld, en dat de eenige oorzaak van onze kieeding schuilt in het feit van onzen val in zonde en de gevolgen, die daaruit voor den mensch zijn voortgevloeid.

Vóór den val lezen wij in Genesis 2: En zij waren beiden naakt, Adam en zijne vrouw, en zij schaamden zich niet. En als eerste gevolg van de overtreding van Gods gebod staat er opgeteekend: Toen werden hun beider oogen geopend en zij werden gewaar, dat zij naakt waren; en zij hechtten vijgebladeren samen en maakten zich schorten.

In welk verband dit schaamtegevoelen deze behoefte aan kleeding staat met den zondeval, zal later door ons besproken worden. Thans is het er ons alleen om te doen, dat klaar en helder worde ingezien, dat de mensch uit Gods scheppende hand zonder kleed is voortgekomen; dat ook toen Eva naast' Adam geschapen werd en de mensch dus niet meer alleen was, de behoefte aan kleeding niet werd gevoeld, en dat eerst ten gevolge van de zonde het kleed is ontstaan.

Reeds hierin staat de Schrift lijnrecht tegenover hetgeen de geleerden onzer dagen beweren. Volgens hen is het kleed ontstaan uit den lust van den mensch om het lichaam te versieren. Bij de laagst ontwikkelde volkeren, die dan gewoonlijk als de oorspronkelijke type van den mensch worden genomen, is er nog geen kleed, dat de schaamte dekt. Man en vrouw kennen het schaamtegevoel niet; hun oogen zij nog niet geopend voor hun naaktheid; zij loopen rond zooals zij geboren zijn uit moeders schoot, en zij verwonderen er zich over, wanneer ze vreemdelingen zien, die het lichaam wel hebben bedekt. Maar wel vindt men bij deze volkeren toch een zekere be­ g, geerte om zich te versieren, door schitterende veeren in het haar te steken, door snoeren van gekleurde schelpen om den hals te dragen, door oor-en neusringen van glinsterend metaal. Eerst bij de hooger staande volkeren zou het schaamtegevoel zich ontwikkeld hebben; het sexueele verschil tot meerdere bewustheid zijn gekomen en daardoor man en vrouw een gordel of schort om de lendenen hebben geslagen. Terwijl eindelijk als derde motief voor de kleeding hierbij kwam de koude van het klimaat, de stormen en guurheid van hët weder en daarom voqral bij die volkeren, die meer noordelijk woonden, in de vacht van het dier bescherming tegen den snijdenden wind en de koude van den winter zijn gezocht.

Hoeveel licht nu deze onderzoekingen ook hebben geworpen over de verdere ontwikkeling van het kleed, toch gaan ze van eea principieel verkeerd standpunt uit. De laagst ontwikkelde volkeren in het binnenland van Afrika en op da eilanden der Zuidzee gelden als de type van den oorspronkelijken mensch. Omdat zij op de ladder van de beschaving het laagst staan, vindt men bij hen nog de meeste overblijfselen van den natuurstaat des menschen, de nawerking van den oorsprong uit het dier. Even als bij het dier^geen schaamtegevoel wordt gevonden en het dier daarom geen kleed draagt ter bedekking, zoo zou ook de oorspronkelijke mensch het schaamtegevoel niet hebben gekend en naakt hebben gegaan. In deze „natuurvolkeren" zou de mensch dus nog een beeld hebben van wat hij zelf, voordat de cultuur hem op een hooger standpunt bracht, was geweest. Het naakt-zijn is dan de laagste trap en in de kleeding openbaart zich, hoe de mensch zich allengs boven het dier verheft, van schaamtegevoel zich bewust wordt en naar beschutting tegen den invloed van het klimaat en naar versiering van het lichaam zoekt.

De fout dezer redeneering is reeds lang, ook door de mannen der wetenschap, ingezien. De zoogenaamde natuurvolkeren geven ons niet het beeld van den oorspronkelijken mensch; ze toonen niet, hoe de mensch uit een bijna dierlijken toestand allengs is opgeklommen tot een hoogeren trap van beschaving, maar ze stellen ons voor oogen, hoe diep de mensch beneden het peil der menschelijke natuur zinken kan. Voorzoover de geschiedenis van het menschelijk geslacht ook buiten de Schrift om vervolgd kan worden, ziet men steeds, dat twee stroomingen naast elkander loopen, Aan de eene zijde een reeks van volkeren, die tot in het diepste verleden een trap van ontwikkeling en beschaving bereikten, waarin krachtig uitkomt de rijke aanleg der menschelijke natuur, zooals God die schiep en door zijn gemeene gratie nog in stand hield. En daarnaast een andere reeks van volkeren, bij wie het geen vooruitgang, maar achteruitgang is; die losraken Van den stam van het menschelijk geslacht; bij wie door hun isolement het erfgoed van de oorspronkelijke menschelijke traditie teloor gaat; die insteê van zich te ontwikkelen, al dieper in geestelijke en zedelijke verdorvenheid wegzinken en almeer naderen tot het dier.

Wanneer dan ook bij deze laagst staande volkeren .het kleed, dat de schaamte bedekt, ontbreekt, dan mag dit niet op één lijn worden gesteld met het naakt zijn van Adam en Eva in het Paradijs, alsof de Schrift in een symbolisch verhaal ons wilde leeren, hoe de mensch door te „eten van den boom der kennis", d. w, z, door tot rijkere ontwikkeling van zijn geestelijk leven te komen, zich allengs boven de naaktheid van den diermensch verheven had. Juist daarin staat de beschouwing der Schrift principieel tegenover deze evolutionistische theorie, dat het den mensch zonder kleed, den mensch in zijn schuldelooze naaktheid h& t hoogste stelt; en dat het motief voor het kleed niet gezocht wordt in de zucht om zich te versieren of in een zich bewust worden van het schaamtegevoel als vrucht van het ethisch leven, maar 'ladenvaldesmenschen, in de zonde, die ziel en lichaam met haar verdervende macht aantastte, en in de gevolgen, die de zonde had ook in de natuur om ons heen.

Geheel in overeenstemming m.et hetgeen de Schrift ons leert, toont ons dan ook de hygiene, dat het kleed niet normaal, maar abnormaal is. Afgedacht nog van het zedelijk motief, heeft de mensch thans een kleed noodig om zich te beschutten tegen de zengende hitte van de Oostersche zon en de snerpende koude van het Noordsche klimaat. Alleen in de gematigde zone zou de mensch zonder gevaar voor zijn gezondheid het kleed kunnen ontberen. Maar hoewel het kleed dus eenerzijds noodig is om ons te beschutten en te verwarmen, is het kleed toch anderzijds een beslist nadeel voor het, menschelijk lichaam. De menschelijke huid is het wonderbaar orgaan door God ons geschonken, om het warmteevenwicht in het lichaam te bewaren en het vochtgehalte der weefsels op eenzelfde peil te houden. Elk kleed, hoe dun ook, belemmert deze functie van de huid, en vandaar dat de hygiëne er op uit is om door allerlei poreuze weefsels zooveel mogelijk dit nadeel der kleeding te voorkomen. In de natuur-geneeskunde nemen dan ook de zoogenaamde zon-en luchtbaden, waarbij het lichaam geheel onbedekt aan den invloed van de zon en de lucht wordt blootgesteld, een hoofdplaats in. Allerlei krankheid en stoornis in het menschelijk lichaam is juist een gevolg daarvan, dat het lichaam door een kleed moet worden bedekt.

Denkt men zich dan ook den toestand ia van den mensch, zooals hij vóór den zondeval was, dan is het kleed niet alleen overbodig, maar zelfs in strijd met de scheppingsordinantie Gods. Eerst ten gegevolge van de zonde is die verzwakking van het menschelijk lichaam ingetreden en die verandering in de natuur om ons heen, waardoor het kleed als beschutting noodzakelijk werd. Het menschelijk lichaam is niet op het kleed aangelegd, maar is bestemd om juist zonder kleed zijn normale functiën te verrichten. Ligt dus eenerzijds in het kleed een genade, gelijk in de artikelen over de gemeene gratie is aangetoond, omdat God de Heere ons daarin een verweermiddel schonk tegen de vernielende macht der natuur, tegelijkertijd predikt het kleed ons, dat de mensch ujt zijn normalen stand is uitgevallen en daarom een hulpmiddel behoeft, dat met den aanleg van zijn menschelijke natuur in strijd is.

En zoo zal dan ook het onderscheid duidelijk worden tusschen het onbekleed zijn van den mensch in het Paradijs en het naaktloopen der wilde volkeren, In het Paradijs, waar geen zonde het zedelijk leven gestoord had, waar de natuur in volkomen harmonie was met ons lichaam, waar dit lichaam zelf nog in ongerepte levenskracht bloeide, was het kleed ondenkbaar. Het zou een hindernis voor den mensch zijn geweest. Maar nu door den val de harmonie verbroken werd tusschen ons lichaam en de natuur; nu de zonde van het vleesch de begeerlijkheid opwekte en daardoor het schaamtegevoel ontstond, nu is het kleed noodzakelijk geworden en hoort het bij den gevallen mensch. Waar de gevallen mensch het kleed aflegt en naakt loopt, is dit geen terugkeer naar den schuldeloozen toestand van het Paradijs, maar een wegzinken beneden het normale peil, een verwerpen van hetgeen God uit genade schonk, een uitblusschen van het menschelijk gevoel om tot het dierlijk leven te naderen. En zoodra zulk een diepgezonken volk met de beschaafde volkeren in aanraking komt en het hooger menschelijk gevoel weer ontwaakt, is heteerste verschijnsel juist, dat het schaamtebesef begint te werken en het kleed wordt omgelegd.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 30 november 1902

De Heraut | 4 Pagina's

Onze kleeding.

Bekijk de hele uitgave van zondag 30 november 1902

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken