Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Onze kleeding.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Onze kleeding.

11 minuten leestijd

IV.

De mensch in den staat der rechtheid droeg geen kleed. Omdat er geen zondige begeerte in hem woonde, behoefde hij het lichaam niet te bedekken. Dat leert ons

Gods Woord. En geheel in overeenstemming daarmede, toont ons de wetenschap der hygiëne, dat het menschelijk hchaam er op is aangelegd, om ongekleed te blijven, en elke bekleeding een belemmering is voor de normale werking der huid.

Toch is hiermede niet genoeg gezegd. De dwaze voorstelling, alsof de mensch in half dierlijken toestand naakt zou hebben geloopen en daardoor juist zijn afkomst van het dier bewijzen zou, kan niet beter weerlegd worden, dan door op het sterk sprekende feit te wijzen, dat juist het dier van nature een kleed draagt en de heerlijkheid van den mensch daarin uitkomt, dat hij geen kleed behoeft.

Al wat dier is, toont het lichaam niet, maar verbergt het achter een kleed. De viscli draagt een kleed van schubben. De vogel een donzig vederen gewaad. Het viervoetig gedierte een zachte vacht. En de heerlijkheid van het dier schuilt juist in die zilveren schubben, in die rijke vederen pracht, in die fluweelen vacht. Ontneem het dier dit natuurlijk kleed, toon het in zijn naakte vormen, en alle sieraad is weg Het kuiken, dat pas uit het ei kroop, het. jong van het konijn, dat noch geen haren heeft, zijn wanstaltig voor het oog. En het schoonste dier, waarvan ge de vacht hebt afgenomen of de veeren hebben uitgeplukt, heeft daarmede al zijn pracht verloren. De schoonheid van het dier zit niet in het naakte lijf, maar in het kleed, dat het van nature draagt. Het naakte dier is leelijk.

Bij den mensch daarentegen is juist het naakte lichaam het schoonste sieraad, dat God hem schenkt. Het behoeft geen zilveren schubbenpantser, geen in alle kleuren van den regenboog prijkende vederendos, geen als satijn zoo zachte harige pels. De schoonheid van het menschelijke lichaam schuilt in die doorschijnende huid, die de blauwe aderen en het roode bloed laat doorschemeren door het transparante wit; die al de vormen en omtrekken van het lichaam in hun sierlijke ronding doet uitkomen; die niet dient om te verbergen maar juist om de pracht en weelde van het menschelijk lichaam aan ons oog te openbaren.

Wilt ge, dan heeft God aan het dier het kleed geschonken om de armoede van het lichaam te bedekken. Het hchaam van het dier is niet het volmaaktste kunststuk van de schepping Gods. Bij het dier is vleesch en been nog niet tot een harmonisch geheel geworden; het evenwicht en de symmetrische vormen ontbreken; het vleesch heeft de overhand en is nog geen instrument geworden van den geest. Daarom verbergt God xleze in zich zelf onvolmaakte en onschoone vormen achter een kleed, en het is juist in dat kleed, dat het dier zijn sieraad ontvangt. Waar dat sieraad bij het dier ontbreekt, zooals bij het nijlpaard en het varken, daar staat het onder de dieren in schoonheid het laagst.

Eerst in het menschelijk hchaam heeft God de Heere het volmaakte kunststuk zijner schepping geformeerd. De wondere rijkdom aan tinten van de menschelijke huid is zoo groot, dit de schilders op hun palet schier geen verwen kunnen vinden om het blanke, doorschijnende van de huid na te bootsen; slechts enkelen van de beroemdste schilders, zooals Rubens, zijn er in geslaagd met hun penseel die vluchtige en telkens wisselende kleurschakeeringen van de menschelijke huid te grijpen en weer te geven op het doek. En niet alleen wat den rijkdom aan kleur aangaat, maar evenzeer v/at het symmetrische en het harmonieuse van den vorm betreft, staat het menschelijk lichaam onder alle schepselep bovenaan De kunstkenners beweren, dat er geen schoonheidslijn of vorm in heel de schepping te vinden is, die niet in het menschelijk hchaam haar hoogste uiting vindt. De zuiverste symmetrie bestaat tusschen de beide helften van het lichaam. De gulden snede, die de harmonie der proporties beheerscht, ligt aan heel het menschelijke hchaam in zijn verhoudingen ten grondslag. Het slank opgerichte lichaam is gelijk aan een zuil en het kegelvormige hoofd is de kroon, die het lichaam draagt. De zacht gewelfde lijnen van borst en heup zijn een genot voor het aesthetisch ontwikkeld oog. En wat bovenal aan het menschelijk lichaam zijn onovertrefbare schoonheid verleent is, dat hier het vleesch zoozeer instrument van den geest is geworden, dat door de stof heen als door een albasten lamp de ziel u tegenschittert Het menschelijk gelaat, het sprekend oog, het teekenend gebaar van de hand, dat alles is spiegelbeeld der ziel.

Die wondere schoonheid van het menschelijke lichaam heeft God geschapen, opdat we daarin zijn scheppingskunst bewonderen zouden. Daarom verborg God die schoonheid niet, maar stalde ze zonder kleed uit voor het menschelijke oog. Alle andere sieraad van schub of veer, van dons of vacht zou hier slechts een vermindering van schoonheid zijn geweest. Het menschelijk lichaam werd naakt geschapen, omdat het geen ander sieraad dan zijn eigen schoonheid noodig had.

Wanneer dan ook enkele natuuronderzoekers gemeend hebben, dat de mensch oorspronkelijk evenals het dier met een kleed van haar overdekt was, dan is dit niets dan een onderstelling, die door geen enkel feit wordt bewezen. Wel zijn enkele menschen ruiger dan anderen en vindt men ook nu nog naast de gladde Jacobs de harige Ezau's. Zelfs kan in enkele gevallen die harigheid zoo sterk worden tot op het gelaat toe, dat het menschelijke schier weg gaat en het dierlijke de overhand neemt, zoodat men zulke abnormale menschen dan ook „hondmenschen" noemt. Maar niets geeft recht om daaruit af te leiden, dat de mensch oorspronkelijk zulk een haarkleed zou hebben gedragen. Reeds het eenvoudige feit, dat bij de zoogenaamde natuurvolkeren de haarontwikkehng juist uiterst gering is en zelfs bij den man de baard nauwelijks tot ontwikkeling komt, is hier­ tegen het meest afdoende bewijs. Reeds lang hebben nauwkeuriger onderzoekers er op gewezen, dat ieder menschelijk lichaam geheel overdekt is met bijna onmerkbare haartjes, die voor de goede functie van de huid noodig zijn. Niet alleen het ruwe gelaat van den matroos, maar evengoed het blanke armpje van het pas geboren wicht is met die haren bedekt. Juist daardoor ontstaat die zachte donzige tint, die aan het waas van den perzik herinnert. In enkele abnormale gevallen kan deze haargroei nu zoo toenemen, dat heel het gelaat en de borst ermede overdekt worden, maar deze haargroei heeft altijd haar eigenaardige kenmerken waardoor ze van den haargroei van het dier onderscheiden blijft. De beroemdste anthropologen erkennen dan ook, dat uit deze abnormale verschijnselen allerminst mag worden afgeleid, dat de mensch in zijn oorspronkelijken toestand evenals het dier met een harige huid zou zijn bedekt geweest. Voorzoover het historisch onderzoek reikt en men overblijfselen van menschen van duizend jaren her heeft gevonden, valt er geen spoor van te ontdekken, dat de mensch vroeger meer behaard zou zijn geweest dan thans. Het menschelijk lichaam bleef al deze eeuwen zichzelf volkomen gelijk.

Heeft men alzoó helder ingezien, waarom bij den mensch in den staat der rechtheid het kleed niet hoort, omdat het menschelijk lichaam als het schoonste meesterwerk van den Schepper geen ander sieraad behoeft, dan zal het ook begrijpelijk worden, waaron de Schrift in zoo rijke taal de schoonheid van het lichaam van den mensch ons voor oogen stelt en waarom onze schilders en beeldhouwers geen hooger ideaal kennen, dan het menschelijk lichaam af te beelden.

In Salomo's Hooglied wordt beurtelings door den Bruidegom en de Bruid een schildering gegeven van de schoonheid van het menschelijk lichaam, die slechts dan aanstoot kan geven, wanneer men daarin een prikkehng vanzinnelijken lust meent te beluisteren. Maar wie verstaat, dat God het menschelijk lichaam schiep om daarin de hoogste schoonheid ons voor oogen te stellen, opdat de mensch in dit kunststuk den Schepper bewonderen zou, die zal de heerlijke gedachte ook van dit gedeelte van het Hooglied begrijpen. Het is de Heilige Geest, die door Salomo de schoonheid van het lichaam beschrijft, zooals Adam en Eva in het Paradijs het alleen rein en heihg hadden kunnen aanschouwen, niet om daarmede den mensch te verheerlijken, maar om in het werk Gods zich te verlustigen. Zooals de kunstenaar zich vermeit in het beeld, dat hij geboetseerd heeft, omdat het beantwoordt aan zijn ideaal.

Natuurlijk wordt hiermede niet ontkend, dat deze beschrijving van de schoonheid van de Bruid en den Bruidegom ook een geestelijke beteekenis heeft. Heel het Hooglied is heilige symboliek. Maar bij de meeste uitleggers is juist dit de fout, dat zij evenals bij de gelijkenissen van Christus elke trek van het beeld geestelijk willen overbrengen, en vergeten, dat het symboliesche alleen dan tot ons spreekt, wanneer het in zijn eenheid ^evat wordt. Wie bij de beschrijving van den Bruidegom vraagt wat in geestelijken zin beteekent, dat zijn hoofd van het fijnste goud is, zijn haarlokken gekruld en zwart als een raaf, zijn oogen als die der duiven, gewasschen met melk, zijn wangen a's v/elriekende specerijen, zijn lippen als leliën, druppende van vloeiende mirre; zijn handen als gouden ringen, gevuld met turkoois; zijn buik als blinkend elpenbeen overtogen met saffieren; zijn schenkelen als marmeren pilaren, gegrond op voeten van het dichtste goud, en zijn gestalte als de Libanon, uitverkoren als de cederen, — die lost het ééne beeld op in tal van mozaiekstukken en pijnigt zich vruchteloos af om voor elk dezer trekken een geestelijke beteekenis te vinden. Maar wanneer men verstaat, hoe hier in de rijkste taal en met de schitterendste beelden de schoonheid van het menschelijk lichaam bezongen wordt, zooals het uit de handen Gods voortkwam, dan begrijpt men, hoe alleen dit beeld van het schoonste wat God op aarde schiep, dienst kon doen om het beeld te teekenen van Hem, die de schoonste is onder de menschenkinderen, omdat genade op zijn lippen is uitgestort. Daarom valt hier als in het Paradijs het kleed weg, dat anders deze schoonheid verbergen moet. Alleen omdat het zoo hoogheilig is bedoeld, mocht dit in Salomo's Hooglied geschieden.

Dat ook onze kunstenaars, die in de wereld van het schoon leven, het liefst het menschelijk hchaam afbeelden, hetzij in marmer gehouwen of gepenseeld op het doek, is daarom op zich zelf niet af te keuren. Ook zou men hun onrecht aandoen, wanneer men hierin niets anders zag dan een speculecren op den zinnelijken lust van den mensch. Hoe schrikkelijk ook op dit gebied gezondigd is en wordt, niet het minst door de Fransche kunstenaars, toch staat een schilder als Michael Angelo, die de fresco's van den Oordeelsdag schilderde voor de Sixtijnsche kapel te Rome, en een beeldhouwer als Thorwaldsen te hoog, dan dat dit lagere motief hen kon geleid hebben. Neen, in het hart dezer kunstenaars leefde wel degelijk de bewondering voor het schoone, dat God in het menschelijke hchaam geschapen had, en daarom dorstten zij er naar om het ideaal dier schoonheid weer te geven zoo rein als het eens in het Paradijs bestond.

Dat de kunst hierbij schier altoos te ver ging en het kleed geheel weg vallen liet, wordt door ons niet vergoelijkt. Elke afbeelding van het menschelijke lichaam naar het naakt model is in strijd met Gods Woord en leidt tot onzedelijkheid. Geen eerbare vrouw zal voor den kunstenaar het kleed afleggen, dat haar schaamte dekt. Wat in het Paradijs kon, omdat de mensch zonder zonde was, mag na den val in zonde niet. God zelf hetft om de schoon­ heid van het lichaam een kleed gelegd, en niemand, ook de kunstenaar niet, ' hreft het recht om dat kleed weg te nemen. Wanneer de Gereformeerden dan ook steeds alle kunst naar het naakt model hebben veroordeeld, dan hadden zij hierin volkomen gelijk. Niet Gods Woord heeft voor de kunst, maar de kunst voor Gods Woord te buigen.

Maar hoe streng wij dit gebod ook handhaven, en wel van harte zouden wenschen, dat de gereformeerde ouders hieraan ernstiger de hand hielden ook tegenover de afbeeldingen en voorstellingen, die onze jongelieden onder den naam van kunstschoon vaak in huis brengen, toch vergete men nooit, dat dit gebod alleen om der zonde wil gegeven is en het alzoo van den aanvang niet is geweest.

Wanneer de uitnemendste kunstenaars alle eeuwen door geen hooger roem hebben gekend dan om het menschelijk lichaam af te beelden zooals God het schiep, dan ligt hierin het getuigenis, dat in de wereld van het schoon het menschelijk lichaam de kroon spant. En dan verstaan we, waarom zelfs het rijkste en schitterendste kleed, dat de mensch als sieraad thans zich omhangt, toch altoos een vernedering is.

God schiep den mensch zonder kleed, juist omdat in hem het beeld Gods werd gevonden en daarom de volkomenste schoonheid ook over zijn Hchaam lag uitgespreid.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 7 december 1902

De Heraut | 4 Pagina's

Onze kleeding.

Bekijk de hele uitgave van zondag 7 december 1902

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken