Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Onze kleeding.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Onze kleeding.

9 minuten leestijd

IX.

Het schaamtegevoel, dat de eerste wrange vrucht der zonde is, wordt door Augustinus verstaan van de schaamte over de naaktheid des lichaams. Volkomen terecht wijst Augustinus er op (de Civitate Dei 1. XIV. Cap. 17), dat dit schaamtegevoel nog bij alle volkeren gevonden wordt; niet alleen bij de zoogenaamde beschaafde volkeren, maar ook bij de barbaren. Zelfs deze gingen niet in een openbare badplaats baden, zonder althans een deel van het lichaam te bedekken. Dit schaamtegevoel toch raakt niet het geheele lichaam, maar alleen die deelen, die den zinnelijken lust kunnen prikkelen, en die den apostel Paulus noemt „de minst eervolle leden des lichaams." (i Cor. I8 : 23).

Intusschen is met deze verwijzing naar het schaamtegevoel, dat ieder mensch aangeboren is, niet genoeg gezegd, Hoe sterk dit algemeen menschelijk verschijnsel ook het Paradijs-verhaal bevestigt, het verklaart ons niet hoe dit schaamtegevoel ontstaan is. Indien Adam en Eva in het Paradijs hun lichaam naakt hebben kunnen aanschouwen, zonder dat de schaamteblos op hun wangen kwam, welke verandering heeft er dan plaats gevonden, da*: dit na den zondeval niet meer geschieden kon.'

Op deze vraag geeft Augustinus ten antwoord, dat door het eten van de verboden vrucht bij den mensch de prikkel van den zinnelijken lust is ontstaan. Augustinus bedoelt hiermede niet, gelijk enkele latere theosophen leerden, dat de verboden vrucht zelf een vergif bevatte, dat bij wijze van toovermiddel de zonde van den wellust zou hebben opgewekt. Niet het eten van de verboden vrucht, maar de zonde daarmede tegen God begaan, was de oorzaak van dit kwaad. Het was zoo als Augustinus het uitdrukt, de volkomen gerechte straf Gods. Omdat de mensch in opstand was gekomen tegen God, zijn wettigen souverein, daarom hield hij op meester te zijn over zijn lichaam, begeerde het vleesch tegen den geest en werd in de leden des lichaams een macht openbaar, die strijd voerde tegen de 'wet zijns gemoeds. (Rom. 7 : 23). Inzonderheid toonde zich dit kwaad daarin, dat terstond na den val, bij den mensch ontstond de libido of concupiscentia, gelijk Augustinus het noemt; dat is de begeerlijkheid des vleesches, de lust tot onkuischheid, de zonde van den wellust. Door het opkomen van die begeerte, die voor den val onbekend was, ontwaakte het schaamtegevoel en daarom hadden Adam en Eva naar een kleed gezocht, niet alleen om zich voor elkander te bedekken, maar ook om dien zondigen prikkel te matigen. Of wil men het met de woorden van Augustinus zelf: toen de genade was weggenomen, is daarop gevolgd, opdat de ongehoorzaamheid gestraft zou worden met een even gelijke vergelding, dat er in de beweging huns lichaams een nieuwe werking ontstond, die schandelijk was, en vandaar werd hunne naaktheid een naaktheid die onbetamelijk was."

Deze opvatting van Augustinus staat in het nauv/ste verband met zijn beschouwing van de zonde en de strenge ascese die reeds in dien tijd de overhand had.

Augustinus ging zeker niet mee met de dwaling der Manicheërs, dfe den oorsprong der zonde in de zinnelijkheid des menschen zochten. Veeleer heeft hij tegenover deze ketterij met kracht de leer der Schrift gehandhaafd, dat de oorsprong der zonde ligt op geestelijk gebied. Maar dit neemt niet weg, dat Augustinus in den zinnelijken lust toch de eerste en sterkste vrucht der zonde zag en dat het vaak den schijn heeft, alsof volgens hem de zonde in dien zinnelijken lust haar hoofdzetel heeft. Het sterkst komt dit uit in Augustinus' beschouwing over de vqqrtplanting der erfzonde. De erfzonde zelf heet bij heni concupiscentia, begeerlijkheid, en haar ontstaan verklaart hij uit het feit, dat juist door den zinnelijken lust, die bij de voortplanting van het geslacht een hoofdrol

speelt, de zondige neiging overerft van vader en moeder op het kind. Het woord van David: in zonde heeft mij mijne moeder ontvangen, wordt door hem in letterlijken zin opgevat. De geslachtsdrift blijft bij Augustinus, zelfs in het huwelijk, een kwaad. Ter wille van het goede doel moet dit kwaad geduld worden; het huwelijk mag niet worden afgeschaft, omdat dan het menschelijk geslacht zou uitsterven; maar wie de gave der onthouding bezit en daarom niet in het huwelijk treedt, staat veel hooger van God.

Augustinus ontkende daarom niet, dat het huwelijli. door God reeds voor den val was ingesteld. Ook beschouwde hij het huwelijk in het Paradijs niet als een soort platonischen liefdeband, want God had bij de instelling van het huwelijk tot den mensch gezegd: „Weest vruchtbaar en vermenigvuldigt en vervult de aarde." Maar de wijze, waarop deze voortplanting zou hebben plaats gevonden, zou bij den reinen mensch een geheel andere zijn geweest dan bij ons. Eerst ten gevolge van de zonde is in den mensch de zinnelijke lust opgekomen, en daarom is deze lust zelfs in het huwelijk een kwaad, zij het dan ook een kwaad, dat God de Heere door zijn wijs bestel aan hooger doel ondergeschikt heeft gemaakt.

Ook al heeft Augustinus dus het goed recht van het huwelijk gehandhaafd, en zelfs tegenover de gnostieke secten in zijn dagen, die het geheele huwelijksleven als zondig veroordeelden, in een afzonderlijk geschrift het huwelijk aangeprezen; toch kan het niet ontkend worden, dat deze beschouwing aan het huwelijk kwaad heeft gedaan. Het huwelijk wordt zoodoende een noodzakelijk kwaad; het kan niet gemist worden, omdat zonder het huwelijk de kerk niet zou worden voortgeplant; maar wie het huwelijk ontberen kon, deed beter met niet te rouwen.

Augustinus st^at in deze opvatting niet alleen; het is de geest van zijn tijd, die uit hem spreekt. Bijna alle kerkvaders hebben op gelijke wijze gesproken. Hun schriften zijn vol van lofredenen op de mannen en vrouwen, die kuisch bleven en niet huw den. En zelfs waar men gehuwd was, was het een teeken van rijkere genade, wanneer man en vrouw als „broeder en zuster" saam leefden. Het huwelijk van Jozef en Maria gold als het heerlijkste voorbeeld. Wanneer Paulus zegt, dat de apostel Petrus een zuster met zich omleidde, dan wilde dit zeggen, dat Petrus wel gehuwd was, maar met zijn vrouw als zuster leefde. Zulk een huwelijk werd als een „huwelijk van engelen" geroemd, en de mensch die daartoe kwam, stond op een hoogeren trap van geestelijk leven.

Wel hebben enkelen als Jovinianus tegen deze verheerlijking van den ongehuwden staat hun stem verheven, maar in de Roomsche kerk vond dit geen weerklank. Straks werd den priester het coelibaat als plicht opgelegd. En de monniken en nonnen, die de gelofte van kuischheid aflegden, deden daarmede een verdienstelijk werk. Zij waren de „maagden, " van welke de apostel Johannes spreekt, die zich niet met vrouwen bevlekt hadden en daarom hooger loon van God zouden ontvangen.

Plet huwelijk werd daarom door de Roomsche kerk niet afgekeurd; ze nam het zelfs onder haar sacramenten op. Maar het huwelijk bleef toch iets van lager orde; wie in het huwelijk trad, toonde daarmede een mensch te zijn van zinnelijke neiging. Verre boven het huwelijk stond de „staat der maagdelijkheid." En wie zich geheel aan God wilde wijden, moest niet huwen of den reeds gesloten band van het huwelijk feitelijk verbreken. Had niet Paulus gezegd: „het is een mensch goed geen vrouw aan te raken" en van de ongetrouwde vrouwen verklaard, dat „zij zich bekommeren om de dingen des Heeren, opdat zij heilig zijn beide aan lichaam en aan geest.''"

Tot wat diep zedelijk bederf juist deze hoog-ideale opvatting in de Middeleeuwen geleid heeft, behoeft hier niet uiteen te worden gezet. Men dweepte niet de maagd Maria.; men verhief de onthouding van heiligen en martelaren; men zocht in kloostercel en priesterstand hun kuischheid na te volgen. En het gevolg was juist, dat door deze onthouding van het huwelijk de verregaandste zedeloosheid zich openbaarde en de kloosters holen werden van ontucht. De ordinantie Gods kan niet straffeloos worden geschonden.

Eerst in verband met deze geheele opvatting van de openbaring en overerving der zonde, van het huwelijksleven en den maagdelij ken staat, kan Augustinus gevoelen over het schaamtegevoel na den val worden verstaan. Maar juist daardoor zal het dan ook duidelijk zijn geworden, waarom de Reformatoren en met name Calvijn deze opvatting bestreden. Tegenover de Roomsche ascese voerden zij het pleit voor het goed recht van het huwelijksleven Het huwelijk was volgens hen niet iets lagers, iets wat uit het vleesch opkwam en met zondigen lust bevlekt was. Het is den mensch goed, zoo had God in het Paradijs gesproken, dat hij niet alleen zij, en God zelf had hem een vrouw geschonken, geformeerd uit zijn ribbe, opdat deze twee tot één vleesch zouden zijn. Na den val was deze scheppingsordinantie niet verbroken, want God had tot de vrouw gezegd, dat haar begeerte tot den man zou zijn en dat ze met smarte kinderen zou baren. Al de patriarchen onder het Oude Verbond hadden in den huwelijken staat geleefd en Christus zelf had de scheppingordinantie van het huwelijk tegenover de Pharizeën herhaald en bevestigd. Al mocht Paulus met het oog op de bijzondere omstandigheden in zijn dagen het huwelijk ontraden aan wie de gave der onthouding had, het bed was volgens dienzelfden Paulus eerbaar en onbevlekt, en het huwelijk zelf een afbeelding van de liefde tusschen Christus en Zijne gemeente. Het huwelijk was daarom na den val niet iets van lager orde, maar was en bleef, gelijk onze Catechismus het noemt, een „heilige staat". Een hooger heiligheid aan den „maagdelijken staat" toe te schrijven, kwam bij hen niet op. Heilig was juist het .huwelijk, en.wie niet huwde stelde zich aan allerlei gevaren bloot.

Het was deze strijd over de heiligheid van het huwelijk, die Calvijn en de andere Gereformeerde uitleggers tot een geheel andere oplossing van het probleem bracht. Het was volkomen waar, zoo zeiden zij, dat wie een vrouw aanziet om haar te begeeren zonde doet, en dat niets sterker dan het zien van het naakte lichaam die zondige begeerte opwekt en prikkelt. Indien Adam en Eva dan ook als vreemden tegenover elkander hadden [gestaan, dan zou de opvatting van Augustinus recht hebben gehad. Maar Adam en Eva waren wettig gehuwd, zij waren man en vrouw; de begeerte tot elkan-ter was dus bij hen geen zonde en behoefde niet door schaamtegevoel te worden gevolgd. Nog daargelaten, dat de Schrift van een dergelijke zinnelijke begeerte na den val met geen enkel woord rept en het psychologisch ook zeer onwaarschijnlijk moet geacht, dat de eerste vrucht der zonde zich juist op deze wijze zou hebben geopenbaard.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 15 februari 1903

De Heraut | 4 Pagina's

Onze kleeding.

Bekijk de hele uitgave van zondag 15 februari 1903

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken