Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Buitenland.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Buitenland.

10 minuten leestijd

Duitschlaod. De vrije Evangelische gereformeerde Gemeente van Ober planit z.

Hoe moeilijk het in Duitschland is, om als Gereformeerde Kerk erkend te worden, blijkt uit het volgende, dat in het koninkrijk Saksen geschied is. Wij lezen daaromtrent in de „Reformirte Kirchenzeitung" het volgende:

„Al vier jaar lang ontbreekt de gemeente van Oberplanitz, die schoon van oorsprong methodistisch, den Heidelbergen Cathechismus heeft aangenomen, alle verband met andere kerken terwijl zij ook niet door den Staat wordt erkend. Het koninklijk ministetium grondde de weigering om haar te erkennen, op het vermoeden, dat de gemeente zich niet zou kunnen staande houden. Toen aan het ministerie werd medegedeeld, dat haar bestaan verzekerd was door ondersteuningen, verwees de Regeering de supplianten naar het Evangelisch-Gereformeerde Consistorie te Leipzig, ten einde daardoor in verband gezet te worden met de Gereformeerde Kerk van het land. Volgens dit schrijven werd, schoon na lange aarzeling, gehandeld, zoodat den 6 en October 1900, genoemd Consistorie verzocht werd, de gemeente in het verband van den door den staat erkende Gereformeerde Landskerk op te nemen. Het antwoord van het Consistorie luidde, dat, wanneer men begeerde tot de Gereformeerde Kerk van Saksen te behooren, dit beleekende, dat men zich wilde aan sluiten bij de Gereformeerde Kerk van Leipzig. Voorts werd nog meegedeeld, dat de predikant Funk onmogelijk een zelfstandige Gemeente kon stichten, daar hij de examens, die noodig zijn voor het vervullen van een kerkelijk ambt in de landskerken, niet gedaan had. Daar de ge meente overtuigd was, dat haar toestand door aansluiting aan de Kerk van Leipzig niet in het reine zou komen, (omdat de gemeente alleen door den predikant Funk wilde bediend worden) zagen zich de adressanten opnieuw genood zaakt, zich tot het Ministerie te wenden. Het antwoord luidde nu, dat de staat alleen zulke Godsdienstige gemeenschappen erkennen kon, die een bijzonderen, d. i. een van de landskerken afwijkenden Cultus uitoefenen wilden. Hierop besloot de Gemeente den naam van „vrije evangelisch gereformeerde gemeente" [aan te nemen.

— Twee moedige getuigenissen.

Het doet ons genoegen te kunnen mededeelen, dat ten man in Duitschland is opgestaan om uit te spreken, dat hetgeen de Duitsche Keizer in zijn bekenden brief aan den admiraal Hollmann beleed, niet in overeenstemming is met de belijdenis der Luthersche Kerk. Zoowel het Luthersche orgaan de Allgemeine Evangelisch Liitherische Kirchenzeitung als de „Reformirte Kirchenzeitung", waarvan de redactiën toch een rechtzinnig standpunt innemen, namen met ingenomenheid den brief des Keizers over, terwijl zij niet schenen te kunnen inzien, dat het schrijven van den hoogstgeplaatste in Duitschland koren op den molen is van mannen als Harnack, die geheel met de belijdenis der Christelijke Kerk gebroken hebben. Het feit is te meer bedroevend, omdat de Duitsche Keizer te gelijk in zijn qualiteit van Koning van Pruissen, de opperste bisschop (sum-episcopus) der Evangelische landskerk in genoemd land is. Dat de Keizer deze waardigheid niet als een sinecure opvat, ja er veel aan hecht, blijkt uit het feit, dat hij zijn hofprediker, den grijzen Stöcker, ontslag gaf, omdat deze beweerd had dat, om de vrije ontwikkeling der Evangelische landskerk mogelijk te maken, het noodig was dat het suraepiscopaat van den Pruisisschen koning verviel en dat aan die keik meer vrijheid en zelfstandigheid gegeven werd. Stöcker, hoe verdienstelijk hij zich ook door zijn ijveren voor de Berlijnsche stadszending maakte en hoe hij ook op sociaal gebied den Duitschen v/erkman zocht te leiden in christelijke banen, bleef bij den Keizer in ongenade.

Die ongenade zal nu ook wel op het hoold nederdalen van den Amtsgerichtsrat Brandt, te Stolbergen, die in den Stolberger Anzeiger het volgende stuk inzond: „Als lezer van de Stolberger Anzeiger moet ik op grond van de Heilige Schrift en de belijdenisschriften der Evangelisch-Luthersche kerk tegen de in het artikel van 25 Febr. 1903 getiteld „Babel, Bijbel en de Keizer" geprezene houding van Zijne Majesteit, onze Keizerlijken heer, tegenover de belijdenis, om des gewetenswil protesteeren, wijl zij den Christus der Schrift niet tot inhoud heeft.

De Reformirte Kirchenzeitung merkt hierbij spijtig op : In elk geval heeft de brief van den Keiser eene betere werking gehad dan het protest van den Heer „Amtsgerichtsrat". Nu, wij weten niet of de Redactie der Reformirte wel in deze juist oordeelt. Wanneer men door het woord van den Heer Brandt er toe komt om hetgeen de Keizer aan zijn admiraal schreef, eens nauwkeurig te toetsen aan hetgeen én de Gereformeerde én de Luthersche belijdenis leert omtrent de Heilige Schrift, dan kan dit nog een gezegend resultaat opleveren I Gelijk de zaken thans staan, blijkt het, dat het meerendeel der Duitsche theologen, doordat zij de Vermittelungs-theologie aankleven, dwaallicht voor sterren aanziet. Wij vinden het beschamend voor hen, dat een Amtsgerichtsrat toont, scherper blik te hebben dan zij.

De grijze predikant Calaminus van Elberfeld behoort tot hen, die niet met den grooten stroom zijn afgedreven. Dit bleek dezer dagen op de jaarvergadering, van de afdeeling van den Gereformeerden bond, die den 22sten Febr. 11. te Elberfeld gehouden werd.

In een toespraak over 1 Pctr. i, 3—12 wees deze leeraar er op, dat de aanvallen, die tegenwoordig op de Heilige Schrift gedaan worden, haar evenmin zouden doen wankelen als de vroegere. Wat tegenwoordig in het midden gebracht wordt, is reeds vroeger door Romeinsche en Grieksche wijsgeeren verkondigd. In dit opzicht kon niet veel nieuws in het midden gebracht worden. En is daarom geen oorzaak om het oude geloof, dat de Heilige Schrift van God ingegeven is, te laten varen.

Frankrijk. Strijd tegen de congregatie.

De Fransche regeering heeft zich, tot groote ergernis van vele socialistische en radicale elementen, uitgesproken voor de handhaving van het concordaat; dat wil zeggen, voor het uitbetalen van landstractementen aan de dienaren der Roomsche kerk. De eerste minister Combes, bekend geworden door de vervolging van de kloosterorden, verkondigde in de Kamer van afgevaardigden de stelling, dat de Staat wel moest voortgaan om de bedienaren der Roomsche kerk te salarieeren, omdat de groote menigte niet buiten de religie kon. Evenwel zet dezelfde minister den oorlog tegen de congregatiën met verdubbelde kracht voort. Denkelijk zal hij het er wel weder door krijgen, dat de Kamer weigert de geestelijke orden te erkennen die om erkenning vragen. Om gemakkelijker dien slag te kunnen slaan, zullen de aanvragen om erkenning door den Staat, en bloc, en niet één voor één behandeld worden. De minister beschikt over een volgzame meerderheid in beide Kamers van volksvertegenwoordiging, zoodat weldra te verwachten is, dat een aantal geestelijke vereeenigingen, waaronder ook dezulke die zich toeleggen op het geven van onderwijs, evenals zij, die zich wijden aan werken van barmhartigheid, en in de eerste plaats zij, die een bedrijf uitoefenen, het land zullen moeten ruimen. De minister redeneert aldus: „De staat moet onderwijs geven en daarom hebben wij geestelijke broeders of zusters, die inrichtingen van onderwijs besturen, niet noodig. Kloosterorden die industrie drijven, behoeven wij nog minder, daar zij aan niet geestelijke Fransche burgers maar concurrentie aandoen!" Men ziet het, dat de partij die tegenwoordig aan het roer is, het met de vrijheid niet nauw neemt.

Ook dreigt een conflict van de regeering met den paus. In het concordaat is bepaald, dat de Fransche regeering de bisschoppen benoemt, terwijl den paus het recht wordt toegestaan om die benoemingen te approbeeren. In de practijk was het juist andersom geworden. De paus benoemde de bisschoppen, en die benoeming werd dan door de regeering geapprobeerd. De regeering die thans aan het roer is, wil daarin verandering brengen; zij wil de bisschoppen benoe men, en het recht van approbatie naar de bepalingen van het concordaat, aan den paus overlaten. De paus is daarmede wel niet ingenomen, doch de 'oepalingen van het concordaat zijn te duidelijk, zoodat twijfel omtrent de bedoeling uitgesloten is. Napoleon 1 heeft dan ook het concordaat niet gesloten om de Roomsche kerk ter wille te zijn, maar om haar te knechten!

Mozes en Hammurabi.

De steenen beginnen hoe langer hoe meer te spreken. In December 1901 tot Januari 1902, werd de veel besproken gedenksteen van Ham-

murabi gevonden. Dit is geschied door J. de Morgan, den leider van de Fransche expeditie voor opgravingen in het Oosten. De Fransche Dominicaner monnik P. Scheil heeft er voor gezorgd, dat eene vertaling van hetgeen in den gedenksteen geschreven staat, spoedig het licht zag. Op de zuil vindt men in relief eene af beelding van den koning, gelijk hij van den Zonnegod Samas onderwijs ontvangt in hel recht. Op 44 loodrecht loopende bladen, vindt men de rechtsspreuken van den grooten koning. Na 1600 jaren liet Asurbanipel voor zijn bibliotheek afschriften van die spreuken maken, den codex van deze afschriften werd de naam gegeven van Enumailu sim „toen de verheven God" naar de eerste woorden.

Hammurabi heeft ongeveer 2250 vóór Christus geleefd. Uit de oud-Babylonische litteratuur was hij reeds bekend als een krachtige, geniale persoonlijkheid, die op heerschen aangelegd was. Door de jongste vondst blijkt het, dat hij ook verdienste heeft verworven op het gebied van het recht en van de bevordering van de welvaart van het volk. Van een rechtssysteem is in de wetten van Hammurabi geen spoor te vinden. Men treft daarin ordeningen aan voor huisgezin, eigendom, akkerbouw, handel en wandel. Privaat en strafrecht zijn niet van elkander gescheiden. Zeer merkwaardig is het, dat de codex van Hammurabi punten van overeenkomst met de wet van Mozes vertoont. Men heeft in dien codex niet minder dan 24 bepalingen die met het z. g. „Bondsboek" overeenstemmen, welke alle in Exodus 21—23 te vinden zijn. Ook vindt men er analogieën met Deut. 12—26 en Leviticus 17—26 in.

Uit den codex Hammurabi blijkt zonneklaar, dat de vijf boeken van Mozes eenig zijn in hunne beteekenis. In eerstgenoemd geschrift is niet eene godsdienstige gedachte te ontdekken. Er wordt daarin wel gehandeld over den eigendom van den tempel, over de tempelmaagden over het ongeloof, doch over'niets anders. Het gaat uit van de gedachte, dat demenschelijke natuur wreed en zelfzuchtig is en dat de zwakke voor den sterke [het onderspit delven moet. Ofschoon Hammurabi voor zijn volk „als een vader, een opvoeder" zijn wilde, heeft hij dezen toestand zoo goed als niet kunnen verbeteren. Tegenover menschlievende bepalingen, als bijv. dat iemand zijn schuld heeft betaald wanneer hij drie jaren zijn schuldeischer als slaaf heeft gediend, dat men bij misgewas zijn pacht niet behoeft te voldoen, staan ruwen wreedheden, die de vijf boeken van Mozes in het geheel niet toelaten. Opmerkelijk is het, dat bij Hammurabi de bloedwraak niet vermeld wordt. Als wij verstaan welk een geestelijke beteekenis de ordinantie Gods omtrent de bloedwraak en de vrijsteden heeft, dan zal men dit niet vreemd vinden.

Van groote beteekenis is het feit, dat er 1000 jaren vóór Mozes reeds een geschreven recht bestond.

Wellhausen, de man van de afbrekende critiek op het Oude Testament, zal niet meer durven schrijven: „Mozes is zoo min de man die de wet gegeven heeft, als onze Heere Jezus Christus de stichter van de Neder-Hessische kerkenordening kan genoemd worden." De stel ling van de school van Kuenen-Wellhausen, dat •vdór de negende eeuw vóór Christus de vijf boeken van Mozes niet kunnen geschreven zijn, •wordt door de vondst te Susa weersproken. De stelling dat Mozes niet alleen Rechter en wetgever, maar ook codificator van de wet geweest zijn kan, krijgt hierdoor nieuwen grond.

In elk geval blijkt ook hier weder, dat de geloofwaardigheid van Gods Woord door de getuigenissen van oude gedenksteenen bevestigd wordt. Wij weten zeer wel, dat de kerk des Heeren de Heilige Schrift niet gelooft omdat de opgegraven steenen haren inhoud bevestigen. De kerk belijdt de geloofwaardigheid der Schiift op grond van de getuigenis des Heiligen Geestes in de harten der geloovigen. Die getuigenis is onwraakbaar. Maar wij verblijden er ons in, •wanneer de getuigenissen van de grijze oudheid zoo krachtig zijn, dat de mond der ongeloovigen en der Schriftbestrijders er door gestopt wordt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 29 maart 1903

De Heraut | 4 Pagina's

Buitenland.

Bekijk de hele uitgave van zondag 29 maart 1903

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken