Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Van ’s Heeren Ordinantiën.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Van ’s Heeren Ordinantiën.

18 minuten leestijd

LXXIV.

DERDE REEKS.

’s Heeren ordinantiën in de natuur.

TWEEDE DEEL.

X.

Want wij zijn ook zijn geslacht. Handelingen 17 : 28.

Toegekomen, bij ons onderzoek naar 'sHeeren ordinantiën, aan die voor de menschelijke ziel, bespraken wij in ons vorig artikel de niogelijkheid om haar wezen te leeren kennen. Er op wijzend, dat men weten kan wat iets is, als men het ö«/Jto«« er van kent, vonden wij, hoe God zelf ons in zijn Woord een openbaring geeft omtrent het oorspronkelijk ontstaan der ziel, bij de schepping van den eersten mensch.

Dit gegeven der openbaring hebben wij in Gene.sis 2 : 7, waar wij lezen: n de Ileere God had den mensch geformeerd uit het .stof der aarde, en in zijne neusgaten geblazen den adem des levens: lzoo werd de mensch tot een levende ziel.

Werd er reeds een vorig maal op gewezen, dat men bij de vraag naar het ontstaan der ziel onderscheiden moet tusschen haar oorspronkelijk ontstaan bij de schepping en haar nog telkens weer ontstaan wanneer nu, na de schepping, het menschelijk geslacht zich voortplant, — hieruit volgt, dat de volle omschrijving van het wezen der ziel eerst mogelijk zal zijn, wanneer ook met dit laatste ontstaan zal zijn gerekend.

Ontstaat nu een menschelijke ziel, zooal niet door, dan toch zeker ten gevolge van de voortplanting van het geslacht door 'n man en 'n vrouw, voor deze actie zijn, al gaat zij niet buiten hun zielen om, hun twee lichamen noodig.

Bloot geestelijke schepselen gelijk de engelen, zoowel de goede als de kwade, planten zich niet voort.

Engelen en duivelen hebben geen kinderen.

Het ontstaan der menschelijke ziel, gelijk dat thans plaats grijpt, valt mitsdien buiten dit tweede deel onzer bespreking van 'sHeeren ordinantiën in de natuur, dat niet van de lichamen, niet van de stoffelijke dingen, maar uitsluitend van de geestelijke .schep.selen handelt.

Toch is ook dit ontstaan natuurlijke in den zin van onafhankelijk van men.schclijk willen.

Er wordt geen kind geboren, en er ontstaat dus geen men.schelijke ziel, dan wanneer God het wil.

Ook daarover gaat zijn bestel, zijn voorbeschikking, zijn ordinantie.

Hier staan wij echter voor die wondere verbinding van het stoffelijke en het geestelijke, van het lichamelijke en het psychi-.sche, die wij onder al Gods schepselen alleen vinden in den mensch.

In den mensch als natuurwezen.

En zoo dient, aan ons onderzoek naar 'sHeeren ordinantiën in de natuur, om volledig te zijn; nog een derde of laatste deel toegevoegd, waarin — na de bespreking van 'sHeeren ordinantiën voor de zinnelijkstoffelijke i.i het eerste, en die voor de onzienlijk-geestelijke in het tweede deel — 'sHeeren ordinantiën voor den mensch, als *toffelijk-geestelijk wezen, als in zich vereenigend de zienlijke en de onzienlijke wereld, moeten worden nagespeurd.

Heeft de studie van den mensch als zinnelijk-geestelijk wezen, te allen tijde bij velen op grooter belangstelling dan zelfs die van de sterren en de daemonen kunnen rekenen, en wordt onder ons. Gereformeerden, de belangstelling in al wat verrijken kan de kennis van den mensch, slechts overtroffen door die, welke verrijkt de ons in natuur en Schriftuur geopenbaarde kennisse Gods, — wij twijfelen niet of ons derde deel van 'sHeeren ordinantiën in de natuur, waarin het dus bepaald en uitsluitend zal gaan over die voor den mensch, zal onze lezers althans niet minder welkom zijn dan ons eerste over die voor de stoffelijke en ons tweede over die voor de geestelijke wereld.

Van die tweede reeks brengt nu dit artikel het slot.

Want, al kan, gelijk boven gezegd werd, de volle omschrijving van het wezen der ziel eerst mogelijk zijn, wanneer ook rekening is gehouden, met haar ontstaan ten gevolge van de voortplanting, toch rest ons nog, zooals wij op het einde van ons vorig artikel schreven, uit wat God ons in Genesis 2 : 7, omtrent haar oorspronkelijk ontstaan bij de schepping openbaart, af te leiden wat daaruit volgt voor haar wezen, voor zvat sij is.

Wij hebben bij de verklaring van Genesis 2 : 7 aangewezen, dat daar sprake is van een tweeërlei actie Gods, en dat, voor zoover men bij den Eeuwige van „tijdelijk" kan .spreken, deze twee acties na elkaar plaats grijpen.

En wel eerst de. vorming van het lichaam uit het stof der aarde en daarna het in de neusgaten blazen van den adem des levens, door welke tweeërlei actie de mensch tot een levend wezen werd.

Wij hebben daarbij op grond van analogie, van overeenkomst, met wat wij weten omtrent-de wijze waarop nog heden een menschenlijf ont.staat, de onderstelling gewaagd, dat ook dit eerste menschelijk lichaam, uit het .stof der aarde gevormd, niet mechanisch ontstond, d. w. z. niet ontstond gelijk een beeld, wanneer het door 'n beeldhouwer uit leem geboetseerd of uit marmer gehouwen wordt, maar organisch, en wel doordat het door de werking van Gods kracht uit levende cellen is opgegroeid.

Legt men daarbij nadruk op de'woorden : „Alzoo werd de mensch tot een levende ziel, " men bedenke dan, dat hier niet anders bedoeld wordt dan : alzoo werd de mensch een levend wezen.

Dan, ook zoo kunnen deze woorden geen bezwaar opleveren tegen onze onderstelling, dat het door God uit de stof der aarde geformeerde lichaam niet maar een dood beeld was, doch wel degelijk, en dat nog voor de inblazing „van den adem des levens, " reeds leefde.

Ongetwijfeld werd ook Adam eer.st een levend wezen, nadat hem zijn ziel was inge schapen, want tot het wezen van den w^y/i'ir/^, dat is zoo als God - den mensch van eeuwigheid heeft gedacht en door dit zijn denken bepaald, behoort bij een menschelijk lichaam een menschelijke ziel.

Maar daarmee is volstrekt niet de mogelijkheid uitgesloten, dat er in dat nog onbezielde menschenlijf reeds leven en mitsdien groei was.

Er kan leven zijn — men denke slechts aan de cel en aan de microben en naar het ons wil voorkomen, ook aan de plant — zonder dat er nog een ziel is.

Er is in ons een vegetatief of groeiend, dat wij met de planten, en ook zelfs een sensitief of gevoelend leven, dat wij met de dieren gemeen hebben.

Reeds vroeger werd er door ons op gewezen, dat hoezeer zeker de evolutie of ontwikkeiingshypothese van het hoogere uit het lagere, van den mensch uit het dier, als anti-schriftuurlijk moet afgewezen, toch even zeker moet aangenomen een praeformatie van het hoogere in het lagere, van den mensch in het dier, in de plant.

De mensch is, om het wel veel gebruikte, maar toch zoo zuivere beeld nog eens te bezigen: De kroon van Gods schepping.

Wij meenen zelfs voor onze onderstelling, dat er ook in het eerste menschenlijf, nog voor er de menschelijke ziel was ingeschapen, leven was, ons tot op zekere hoogte altans, te mogen beroepen op de kantteekening onzer Statenvertaling, die wij vinden bij I Cor. 15 : 45.

Bij de daar te lezen woorden: de eerste mensch Adam is geworden tot eene levende ziel, " welke blijkbaar doelen op hetgeschrevene in Gen. 2 : 7, teekent toch onze StatenvertaHng aan: Dat is, nadat God zijn lichaam geschapen had uit het stof der aarde, heeft Hij hem een redelijke en onsterfelijke ziel ingeblazen, waardoor het lichaam levend is gemaakt, en bewogen wordt, en alzoo heeft hij boven het verstand, ook een dierlijk of natuurlijk leven, gelijk andere dieren, ontvangen."

Oppervlakkig gelezen, pleit deze kantteekening zeker eer tegen dan voor onze onderstelling. Door de inblazing toch van de onsterfelijke ziel werd, zoo wordt het daar voorgesteld, het lichaam eerst levend. Doch let men er nu op, dat daar tevens wordt gezegd, dat de mensch, behalve zijn verstand, ook een dierlijk of natuurlijk leven, gelijk andere dieren, heeft ontvangen, dan pleit deze kantteekening juist voor wat wij onderstellen. Dan maakt ook zij onderscheid tusschen het vegetatieve en sensitieve, of groeiende en gevoelige leven dat de mensch, zoo als zij zegt, gelijk andere dieren heeft ontvangen; tusschen het bloot animale leven dus, en het soortelijk daarvan onderscheiden hoogere .leven der hem van God ingeblazen redelijke en onsterlelijke ziel.

De kantteekenaar heeft blijkbaar het specifiek (Verschil tusschen dit animale leven en het specifiek menschelijke in den men.sch gevat.

Dit is de hoofdzaak waar het op aankomt.

Dat hij beiden tïpgelijk nu laat ontstaan; iets waartegen, zooals wij zien zullen in een volgend artikel waar van het ontstaan der ziel tengevol|; e van de vooitplanting zal worden gehandeld, groote bezwaren bestaan, vindt zijn oorza.ak hierin, dat het groeien ook van een menschenlichaam, uit levende cellen, hem nog onbekend was.

Ook Calvijn, die dit evenmin nog kon weten, stelt het in zijn verklaring op Gen. 2 : 7 voor, alsof het door God oorspronkelijk geformeerde lichaam aanvankelijk dood was. Maar toch doorzag ook deze diepzinnige denker, dat men onderscheiden moet tusschen tweeërlei leven in den mensch. Men moet, zegt Calvijn, in zijn commentaar op Genesis, drie trappen in de schepping van den mensch aanmerken. Dat het doode lichaam uit de aarde gevormd is; dat het begiftigd is met een ziel, van waar het zijn levensbeweging zou hebben; dat God in deze ziel zijn beeld heeft ingeprent, waaraan de onsterfelijkheid verbonden is.

De voorstelling van Calvijn komt dus neer op het volgende. \

Eerst de formatie van het lichaam; daarna wordt dit lichaam begiftigd met een nog niet onsterfelijke ziel, die, zooals blijkt uit wat hij eenige regels vroeger schrijft, voor Calvijn samenvalt met den „levensgeest, " welke zooals hij weer zelf zegt, van den levensgeest der dieren niet verschillende, het lichaam inspireert, en daaraan levenskracht geeft; eindelijk volgde dan het inprenten, het „ingraveeren", zooals Calvijn zich letterlijk uitdrukt, in deze nog niet onsterfelijke ziel, van het beeld Gods waaraan de onsterfelijkheid verbonden is.

Bij onze onderstelling nu komt de opvatting van Galvija vo'komen tot haar recht. Alleen maar, zij wordt verrijkt'door wat de natuurstudie ontdekte omtrent de levende cel. De „levensgeest, " de „spiritus vitalis, " het „dierlijk leven, " altemaal uitdrukkingen, die ook Calvijn gebruikt, zou dan echter, door een werking Gods, niet zijn ontstaan na, maar tegelijk met de formatie van het lichaam, uit het stof der aarde. In dat dus reeds levende lichaam zou dan, door een bijzondere en onmiddellijke werking Gods — zoo toch moet men zich op „Gode betamelijke wijze, " gelijk de oude Theologen zich plachten uit te drukken, het „inblazen" voorstellen — de onsterfelijke ziel zijn ingeschapen.

Alle voorstelling van lichamelijkheid Gods moet toch, al is de uitdrukking ook niet zonder diepere beteekenis, bij dit inblazen verre van ons blijven.

God is een geest.

Ook de meening van sommigen, alsof de Zoon Gods bij de schepping van den mensch toegetreden was in een menschelijke gedaante en dus door een lichamelijke aanraking het leven in de neusgaten van Adam zou hebben ingeblazen, werd door de Gereformeerden afgewezen.

Nu spreken wij hier met opzet van een onderstelling; want zekerheid, dat het dus is geschied, hebben wij hier niet.

Wat er ons toe dringt is vooral, dat bij haar de wijze waarop, indien men althans èn met het gegeven der Schrift in Gen. 2 : 7 omtrent dz formatie van het lichaam en de inblazing van den adem des levens èn met het gegeven der natuurstudie omtrent de levende cel wil rekenen, nóg een menschenziel ontstaat, — en, gelijk reeds is gezegd, daarover kan eerst in een volgend artikel gehandeld — beter dan bij iedere andere, wordt verklaard. Wij verhelen het echter ons zelf niet, dat uit de wijze, waarop God de Heere in de bestaande natuur werkt, te besluiten tot zijn wijze van werken bij de schepping, geen dwingende gevolgtrekking is.

Het zij men deze onze onderstelling aannelijk acht, het zij men haar verwerpt, daarvan blijft echter geheel onafhankelijk, wat uit de openbaring Gods, ons in Gen. 2 : 7 geschonken, over het oorspronkelijk ontstaan der ziel door haar wezen valt af te leiden.

En dan volgt daaruit allereerst, dat de menschelijke ziel, al is zij ook op een menschelijk lichaam aangelegd, toch een van dat lichaam onafhankelijk en dus zelfstandig bestaan kan hebben. Zij werd door God geschapen in een menschelijk lichaam, toen dat lichaam reeds bestond. Zij is van dat lichaam niet een eigenschap, maar heeft als dat lichaam haar eigen zf^^'^«, d. w. z. met haar ontstaan in de eerste schepping, treedt zij, gelijk zij door God van eeuwigheid in Zijn denken is bepaald, in het creatuurlijk, het geschapen-Zijn.

En verder volgt uit de wijze van haar schepping, haar onstoflelijke, haar geestelijke natuur. Da ziel des menschen toch is — zooveel blijkt duidelijk uit Genesis 2:7, — niet als die der dieren met het lichaam op Gods Schepping.swoord voortgekomen uit de aarde; zij is ook niet, als zijn lichaam, geformeerd uit het .stof der aarde, maar zij heeft haar ontstaan onmiddellijk uit God, die geest is.

Daarom verwerpen wij dan ook, op grond van Gods Woord, als dwaling die meening omtrent de natuur der ziel, welke door het grovere of meer verfijnde materialisme wordt voorgestaan, als zou de ziel stoffelijk wezen. En of men dan spreekt van een vuur-of een ether-atoom, of wel de ziel vereenzelvigt met her.senmoleculen, is ons vrij wel onverschillig.

Maar evenzeer verwerpen wij, op grond van Gods Woord, de thans, in het moderne denken, gangbare „eenheidsleer" of „monisme, " waarbij geest en stof niet wezenlijk onderscheiden worden en lichaam en ziel als twee „bestaanswijzen" van het „Al-eene, " worden beschouwd.

En niet minder onaannemelijk is voor ons de hypothese der evolutie in welken vorm ook, als zou de menschenziel zich uit de dierenziel hebben ontwikkeld. Gods Woord alleen is ook hier voor ons Gereformeerden beslissend, en dat Woord openbaart ons, dat de ziel geen gewrocht van evolutie, maar van Gods scheppende Almacht iS

Behoort dus de menschenziel, - op grond van Gods Woord, tot de on-zinnelijke, geestelijke wereld, zij is naar datzelfde woord uit God, maar ook door God geschapen.

Zij is uit God.

En dat nog in anderen en veel dieper zin, dan waarin heel de wereld uit God is. Het is toch niet zonder beteekenis, dat de Schrift in Genesis 2 : 7 zegt, dat de Heere in 's menschen neusgaten had geblazen den adem des levens. Moet dit, gelijk boven werd opgemerkt, op Gode betamelijke wijze verstaan, er ligt toch ook in opge< 5loten, er wordt symbolisch in uitgedrukt de zeer innige verwantschap van de ziel des menschen met God.

Zelfs in de buiten-christelijke wereld is deze verwantschap van den mensch met de Godheid door sommigen vermoed.

Onder anderen was ook door Aratus uit Cilicië, in zijn leerdicht over astronomie, en door den Stroïcyn Kleanthes in diens beroemde „Hymne aan Zeus" de gedachte uitgesproken: Wij zijn van Gods geslacht.

Toch mag men niet vergeten, dat deze gedachte, vooral in de Grieksche wereld, een pantheïstischen bijsmaak had. Onder de 'Grieksche denkers was bij, velen althans, de grens tusschen God en de wereld, en dus ook tusschen God en den mensch, voor hun bewustzijn uitgewischt. De leer van het Al-eene, heeft in het Europeesche denken haar oorsprong onder de Grieken. De denkers, de wijzen, die met het polytheïsme of het veel-godendom van de volksreligie hadden gebroken, die dat zelfs bespotten, hadden dit ingeruild voor het pantheïsme of het Al-godendom.

Alleen de bijzondere Openbaring aan Israël geschonken, met wat zij leert omtrent God den Almachtige, Schepper des hemels en der aarde, bewaarde daar de zuivere Kennisse Gods.

En tot de leer van een „schepping" is de gevallen mensch door eigen denken zelfs nooit gekomen.

Wanneer dan ook de heilige Apostel Paulus op den Areopagus te Athene tot zijn gehoor zegt: ant in Hem leven wij, en bewegen ons, en zij wij, gelijk ook eenige van uwe poëten gezegd hebben: ant wij zijn ook Zijn geslacht, (Hand. 17 : 28), dan heeft dit woord van Aratus en van Kleanthes toch in zijn mond een anderen zin, dan in de hunne.

Niet de mensch als een deel van het groote geheel, van het Al dat men dan vereenzelvigt met de Godheid, maar door zijn geestelijke ziel, verwant aan God, die geest is.

Uit God, zeker.

Maar, ook niet door emanatie, letterlijk „uitvloeiïng" gelijk, zonder dat er sprake bij is van een wil, de van bron uitvloeien haar waterstroomen, maar juist door een eigen wilsdaad Gods, door een actie, een werking Zijner Almachtige kracht, is uit God ontstaan en dus aan Hem verwant en toch als creatuur van Hem onderscheiden, door Hem geschapen de menschelijke ziel.

Juist omdat wij door onze geestelijke ziel aan God verwant zijn, van Zijn geslacht, moet men dan ook niet meenen, „dat de Godheid goud of zilver of steen gelijk zij, " m. a. w. stoffelijkofmaterieelis, laat Paulus er op volgen. Vgl. vs. 29.

En deze gedachte: wij zijn van Gods geslacht, " drukt de Schrift elders ook uit, waar zij zegt, dat de mensch is „Gods beeld, " Gen. i : 26 en andere plaatsen; waar, in het Nieuwe Testament, Adam genoemd wordt de zoon van God (Luk. 3:38).

En uit Gods openbaring omtrent het ontstaan der menschelijke ziel, ons in Gen. 2 : 7 geschonken, volgt ook v; at men gewoonlijk noemt hare eenvoudigheid.

Deze uitdrukking is dubbelzinnig, en wij moeten daarom duidelijk maken in welken zin zij hier is bedoeld.-

In het gewone .spraakgebruik verstaat men er onder oprecht, ongeveinsd, ook nederig en zedig; ook onnooze! en naïef.

Dit alles nu wordt hier, waar wij het over het wezen der ziel hebben, echter niet bedoeld.

Het woord „eenvoudigheid" heeft ook nog een anderen, een meer wijsgeerigen zin, en de kenners onder onze lezers van de oude Gereformeerde schrijvers weten dat dan ook opperbest. Zij weten, dat wanneer er gesproken wordt van de „eenvoudigheid Gods" en van de „eenvoudigheid der ziel, " bedoeld wordt de niet-samengesteldheid, de ondeelbaarheid, duidelijker nog, het niet uit deelen samengesteld zijn.

Al het stoffelijke, een ster en een steen, een plant en een dier en ook ons lichaam met zijn cellen en weefsels, is saamgesteld uit deelen, dié op zich zelf weer uit kleinere en kleinste deeltjes zijn saamgevoegd, wier deelbaarheid tot in het oneindige althans denkbaar is, en aan wier verbinbinding zijn bestaan hangt, wier algeheele ontbinding zijn vergaan is. Iets wat aan het „behoud van de stof, " zoo als wij vroeger gezien hebben, niet afdoet.

Maar zoo is het niet met de geestelijke wezens.

Daarom belijden wij de „eenvoudigheid" Gods.

Daarom zijn ook engelen en duivelen „eenvoudige wezens."

Reeds omdat de ziel des menschen innerlijk onafhankelijk is van de materie en dus een geestelijk wezen, zouden wij mogen afleiden, dat ook zij „eenvoudig" is.

Dan, daar is meer.

Zij is, naar wij zagen, uit God; aan Hem verwant; van Zijn geslacht, en naar Zijn beeld geschapen; niet door Hem geformeerd uit de materie, maar geïnspireerd uit Zijn eigen geestelijk wezen.

Naar haar wezen gee.st uit geest, is zij ook daarom eenvoudig.

En ui«: deze „eenvoudigheid" der ziel volgt dan ook, dat wij het ons niet mogen voorstellen, alsof de ziel uit twee of meer deelen bestaat.

Bij deze voorstelling krijgt men bovendien niet één, maar twee of drie zielen in den éénen mensch. En zoo vindt men het nu wel in de niet-Christelijke denkwereld. Daar zijn denkers geweest j onder de oude Grieken b. v. die een lagere ziel zetelend onder het middenrif, een hoogere 'in de borst en een hoogste in het hoofd aannamen. Maar de beste Christelijke denkers hebben deze voorstelling steeds afgewezen, al kwam zij ook in de Christenheid telkens weer op.

Van daar, dat ook de meening, als zou de mensch drieledig bestaan uit lichaam, ziel en geest, mede door de Gereformeerden is afgewezen. Ziel en geest tcch zijn niet twee bijzondere „relfstandigheden." De ziel is geest; en al is er in de ziel, die geest is, even als in den engel die geest is, ook 'n geest, zooals er in God die ongeschapen geest is, ook is Zijn geest, — de geest des menschen is evenmin een deel zijner ziel, of staat als zijn lichaam naast zijn ziel.

Wij hopen dit later uitvoeriger te bespreken.

Slechts zij hier reeds opgemerkt, dat het gewone beroep op Hebreen 4 : 12 : jWant het Woord Gods is levend en krachtig, en scherpsnijdender dan eenig tweesnijdend zwaard, en gaat door tot de verdeeling der ziel en des geestes, en der samenvoegselen en des mergs, en is een oordeelaar der gedachten en der overleggingen des harten. En I Thess. 5 : 23 : En de God des vredes zelf heilige u geheel en al; en uw geheel oprechte geest en ziel en lichaam worde onberispelijk bewaard in de toekomst van onzen Heere Jezus Christus — voor de z. g. „trichotomie" of „driedeeling", hier niet geldt, want deze Schriftuurplaatsen geven evenrnin een opsomming van de wezenlijk verschilende bestanddeelen van den mensch, als b. V. Luk. 10:27: n hij antwoordende zeide : Gij zult den Heere uwen God liefhebben uit geheel uw hart, en uit geheel uw ziel, en uit geheel , uw kracht, en uit geheel uw verstand; en uw naaste als uzelven.

En eindelijk volgt uit wat God ons

geopenbaard heeft omtrent het oorspronkelijk ontstaan der ziel, hare onsterfelijkheid.

Wij komen later, in ons derde deel over 's Heeren ordinantiën in de natuur, op de vraag naar de onsterfelijkheid der ziel nader terug. D.ch reeds hier zij er op gewezen, hoe dood en sterven niet is vernietiging — geen enkel stofdeeltje wordt ooit vernietigd, — maar wel scheiding. Nu kan er in de ziel, die geest is en dus ondeelbaar, geen scheiding plaats grijpen. Wel kan er, gelijk feitelijk in 's menschen sterven gebeurt, een scheiding plaats grijpen tusschen lichaam en ziel, maar de ziel zelf sterft niet. Zij de aan God verwante, van Zijn geslacht, zij de naar Zijn beeld geschapene, zij die geest is, kan niet sterven.

En zoo volgt dan als antwoord op de vraag: wat is de ziel — uit wat God omtrent haar oorspronkelijk ontstaan heeft geopenbaard, dat zij is een onstoffelijk, enkelvoudig, onsterfelijk wezen, aangelegd op een menschelijk lichaam.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 24 mei 1903

De Heraut | 4 Pagina's

Van ’s Heeren Ordinantiën.

Bekijk de hele uitgave van zondag 24 mei 1903

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken