Bekijk het origineel

De Wet op het Hooger Onderwijs.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

De Wet op het Hooger Onderwijs.

7 minuten leestijd

III.

Het standpunt dat de Regeering in haar wetsvoorstel innam tegenover de bijzondere gymnasia, kan niet anders dan de volle sympathie wegdragen van de vrienden van het Christelijk ondewijs. Ten opzichte van het voorbereidend hooger onderwijs is de Regeering zoo ver gegaan, als dit onder de bestaande wetgeving mogelijk was. Wanneer de diploma's onzer gymnasia door den Staat erkend worden, en de Overheid voor een belangrijk deel de kosten van het onderwijs draagt, dan is op dit gebied voortaan een eerlijke concurrentie tusschen het staats-en het bijzonder onderwijs mogelijk. De pacificatie is op politiek gebied dan tot stand gekomen, en de strijd tusschen de beide groepen van ons volk, waarvan het eene deel voor een godsdienstloos en het andere voor een Christelijk onderwijs is, kan voortaan met eerlijke wapenen worden uitgevochten.

Hetzelfde kan niet gezegd worden van de regeling, door de Regeering voorgesteld inzake het hooger onderwijs in engeren zin. De Minister, die het wetsontwerp indiende, erkent dit dan ook zelf in zijn memorie van toelichting. En hoe dankbaar wij ook zijn voor de winste, die dat ontwerp, stel dat het wet wordt, voor onze Vrije Universiteit brengt, toch mag geen oogenblik verheeld worden, dat het slechts een eerste stap is op den weg van de volkomen vrijmaking van het Hooger Onderwijs en dat het geen geringe offers van de vrienden van het Christelijk Hooger onderwijs vragen zal.

De Regeering heeft in den toestand der Rijks-universiteiten geen de minste verandering willen aanbrengen en het status quo te dien opzichte vo-komen gehandhaafd. Op de politieke motieven, die de Regeering hierbij geleid hebben, willen wij geen critiek oefenen. De Heraut is geen staatkundig blad. Maar wel moet ook bij dit wetsvoorstel de eisch van ons beginsel als toetssteen worden aangelegd en afgezien van alle opportuniteitsconsideratiën de vraag worden gesteld in hoeverre de voorgestelde wijziging van ons Hooger Onderwijs aan ons ideaal beantwoordt.

Ook al geeft men toe, dat de Regeering zonder Grondwetsherziening het neutraal karakter onzer Staats-universiteiten niet veranderen kan, toch had de Regeering met handhaving van het neutrale staatsbegrip, ja als consequentie daarvan, de opheffing der Theologische faculteiten kunnen voorstellen. Groen van Prinsterer drong hierop reeds na 1857 aan en minister Heemskerk had in het door hem voorgestelde wetsontwerp de Theologische faculteit geheel geschrapt. Alleen aan de gedienstigheden der practijk was het te wijten, dat onder den naam van , , Faculteit der Godsdienstwetenschap" een theologisjche faculteit in stand bleef, die schier uitslyitend dienst de.ed als kweekschool voor hervormd^ predikanten en waardoor het neutraljteitsstandpunt met beide voeten vertreden werd. Geen Joodsch Rabbijn, geen Roomsch geestelijke, geen Gereformeerde predikant, kan aan deze Theologische faculteit, waaraan bijna zonder uitzondering ipoderne hoogleeraren benoemd werden, zijn oplmding ontvangen. En zelfs voor de Hervormde Kerk was deze opleiding zoo onvoldoende, dat zij door de aanstelling van kerkelijke hoogleeraren in de voornaamste vakken een aanvulling geven moest.

Uit practisch oogpunt is deze schepping der liberale staatkunde dan ook bezweken onder het schier eenparig afkeurend oordeel van alle belanghebbenden. Niet één kerk is met deze opleiding tevreden. Zelfs die kerkgenootschappen, die van deze faculteit gebruik maken, moeten door de aanstelling van kerkelijke hoogleeraren of door seminaria het gebrekkige van dit onderwijs verbeteren. Een tweeslachtigheid, die aan het onderwijs zelf niet anders dan schade toebrengen kan.

Toch is dit niet onze ernstigste grief.

Veel zwaarder weegt het bezwaar, dat de Nederlandsche Staat, door deze faculteit te scheppen, de Theologie in eigenlijken zin om haar eere bracht. Bij de stichting van al onze Hoogescholen, zoowel van Leiden / als van Franeker, van [Groningen als van Utrecht, was het hoofdmotief onzer godvruchtige vaderen om in de eerste plaats een faculteit van de godgeleerde wetenschap te hebben, die de Gereformeerde belijdenis handhaven en verdedigen zou. Nu de Gereformeerde religie ophield staatsreligie te zijn, had de Staat of deze faculteiten moeten opheffen, óf ze moeten verdeelen onder de bestaande kerken. Maar wat de Staat niet mocht, was in de plaats van deze faculteit der godgeleerdheid een faculteit der godsdienstwetenschap stellen, die met de theologie niets gemeen heeft, en juist uitgaat van de principieele onderstelling, dat er geen theologie, d. i. geen wetenschap der kennisse Gods, bestaat. Godsdienstwetenschap is een uitvinding der moderne theologie, die hoogstens in de litterarischfïlosophische faculteit als „vak" om een plaats mag vragen, maar zelfs op het standpunt der modernen, geen aanspraak maken kan op een eigen zelfstandige faculteit.

Dat de Regeering in het voorgestelde wetsontwerp deze „faculteiten der godsdienstwetenschap" onaangetast laat, is dus een teleurstelling. Dr. Kuyper, die in zijn referaat in 1890 gehouden, scherper dan eenig ander op de onhoudbare positie dezer faculteiten critiek oefende, zal slechts noode dit vraagstuk onopgelost hebben gelaten. Verklaring vindt dit verschijnsel alleen hierin, dat de Regeering bij dit wetsvoorstel voornamelijk op het oog had de vrijmaking van het bijsonder hooger onderwijs en de reorganisatie van de Staatsuniversiteiten tot later wachten moet.

Maar ook wat de vrijmaking van het bijzonder hooger onderwijs betreft kan niet gezegd worden, dat dit wetsontwerp volkomen uitdrukt wat door onze geestverwanten wordt geëischt. Ook de liberale pers erkende, dat de Minister, die dit wetsontwerp indiende, in menig opzicht zich zelf dwang had moeten aandoen. Wij zeggen dit niet met het oog op de voorwaarden, die de Regeering aan de erkenning der vrije universiteiten verbindt. De Overheid moet waarborgen hebben, dat het bijzonder onderwijs in wetenschappelijk gehalte niet bij de openbare Universiteiten achterstaat, wanneer ze de graden, door de vrije univerteiten verleend, met die der openbare gelijk stelt. En indien de Vrije Universiteit te Amsterdam door deze wet gedwongen wordt tot meerdere krachtsontwikkeling om het beoogde doel te bereiken, dan zal deze prikkel ons niet onwelkom zijn. Het bezwaar van de Regeering, om thans reeds bij afzonderlijke wet de Vrije Universiteit te Amsterdam met de Staatsuniversiteiten gelijk te stellen, gelijk dit b.v. in België geschied is met de Vrije Universiteiten te Leuven en te Brussel, begrijpen we, waar de beide faculteiten, voor wie deze erkenning in de eerste plaats van belang is, nog zoo zwak bezet zijn. Eer danken wij den Minister, dat hij deze weigering om voor de Vrije Universiteit te Amsterdam reeds thans een uitzondering te maken, in zoo heuschen vorm heeft gekleed.

Evenmin geldt ons bezwaar, dat de Regeering in dit v/etsvoorstel niet alleen zorg draagt voor de vrije universiteiten, maar ook de mogelijkheid opent om afzonderlijke katheders als aanvulling bij de rijksuniversiteiten op te richten. Het zoogenaamde aanvullingssysteem vindt in ons principieele tegenstanders. De welwillende houding, door schier heel de liberale pers juist tegenover dit aanvullingssysteem ingenomen, is wel het beste bewijs, dat men van dit systeem het minste gevaar ducht voor de „officieele wetenschap." De hoogleeraren, die niet door de Regeering, maar door een particuliere vereeniging of kerkgenootschap naast de „officieele vertegenwoordigers der wetenschap" benoemd worden, zullen toch in de schatting der studenten niet als „volle hoogleeraren" worden beschouwd, ook al krijgen zij zitting in senaat of faculteit. En wat voor ons alles afdoet, juist door dit aanvullingssysteem, zal de eenheid van opleiding gemist worden, en zullen de studenten geroepen worden, om een keuze te doen tusschen lijnrecht tegenot^er elkaar staande meeningen; een keuze waarvoor hun leeftijd nog niet rijp is. Maar hoe scherp wij ook tegen dit aanvullingssysteem gekant zijn en hoezeer wij vreezen, dat door dit lapmiddel de gezonde ontwikkeling der vrije universiteiten zal belemmerd worden, toch kan het der Regeering niet euvel worden geduid, dat zij ook vcor de erkenning dezer „bijzondere leerstoelen" maatregelen trof. De Regeering heeft zich boven de partijen te stellen; zij heeft naar gelijk recht voor elke richting te zoeken. En waar een belangrijk deel van ons volk van het aanvullingssysteem meer heil schijnt te verwachten, dan van het oprichten eener eigen Universiteit, daar moest de Regeering niet alleen om politieke redenen, maar ook uit het oogpijnt van billijkheid, met de wenschen dezer groep rekening houden.

Welk bezwaar ons dan wel drukt, zal in een volgend artikel worden uiteengezet.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 7 juni 1903

De Heraut | 4 Pagina's

De Wet op het Hooger Onderwijs.

Bekijk de hele uitgave van zondag 7 juni 1903

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken