Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Van ’sHeeren Ordinantiën.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Van ’sHeeren Ordinantiën.

18 minuten leestijd

LXXVII.

DERDE REEKS.

'sHeeren ordtnantiën In de natuur.

DERDE DEEL.

III.

Boer en honig zal Hij eten, totdat Hij wete te verwerpen het kwade, en te verkiezen het goede.

Zekerlijk, eer dit Knechtje weet te verwerpen het kwade en te verkiezen het goede, zal dat land, waarover gij verdrietig zijt, verlaten zijn van zijne twee koningen. Jesaia 7 : 15 en 16.

Bij ons onderzoek naar het wezen der ziel, uit wat ons bekend is van haar ontstaan, vonden wij, dat zij is een onstoffelijk, eenvoudig, onsterfelijk wezen, door God geschapen, aangelegd op een menschelijk lichaam, en met dat lichaam vereenigd, de grond van de levensverschijnselen.

Wat wij met het laatste bedoelen is dit.

Voeding en voortplanting, de levensverschijnselen die 'n mensch gemeen heeft met de plant, geschieden door bepaalde organen. Vraagt men echter naar den diepsten creatuurlij ken grond, dat b.v. ons spijsverteringsorgaan de spijzen verteert; dat onze longen ademen; en dat het hart het bloed door onze aderen stuwt; dan is deze diepste creatuurlijke. grond niet druk en , 1, •': -!^ • - igoiit-r i.iai, hoeveel tusschenschakels hier' ook bij in het spel komen, hoeveel „mechanische oorzaken" hier ook, gelijk wij vroeger reeds aanwezen, bij werken, de diepste grond is hier de ziel.

En evenzoo staat het met die levensverschijnselen, welke 'n mensch gemeen heeft met 'n dier; met de gewaarwording en de beweging. Ook hier Zeker weer allerlei tusschenschakels. Bij zinnelijke gewaarwording werken onze gevoelszenuwen en onze zintuigen. Bij de beweging, onze beweegzenuwen en onze spieren. Maar vraagt ge nu naar den diepsten creatuur lij ken grond, dat b.v. ons oog en onze gevoelszenuwen werken, dat onze hand zich opheft door middel van onze beweegzenuwen en spieren, dan is dit niet een beweging van hersenmoleculen, van zenuw-en spieratomen — al ontkennen wij volstrekt niet, dat deze mechanische oorzaken er bij in het spel zijn — maar de diepste creatuurlijke grond is ook hier de ziel.

Behalve deze verrichtingen echter, die de mensch met planten en dieren gemeen heeft, zijn er ook, die hèm bepaald eigen zijn. De oude Christelijke denkers noemden deze laatste dan ook actiones humanae, menschelijke verrichtingen, in onderscheiding van de actiones hominis, of de verrichtingen van den mensch.

Ook van deze specifiek menschelijke verrichtingen nu, zoo als denken, willen, spreken, handelen is, al gaan zij zeker niet buiten de organen van het lichaam om, weer de ziel de diepste creatuurlijke grond. Zeker, zoolang wij ons lichaam hebben, zoolang de dood geen scheiding heeft gemaakt tusschen lichaam en ziel zijn, bij ons denken en willen, onze hersenen; bij ons spreken bovendien onze spraakorganen; bij ons handelen onze hersenen en, in ruimer en enger zin, onze hand in het spel. Maar vraagt ge nu weer naar den diepsten creatuurlij ken grond van al deze eigenaardig menschelijke verrichtingen, dan is deze niet de beweging der hersenmoleculen. Dan zijn voor het Christelijk denken deze verrichtingen, — al gaan zij zeer zeker niet buiten de hersenen om, zoolang de mensch zijn lichaam heeft, — toch nog iets anders dan, zooals Karl Vogt beweerde, „slechts verrichtingen van de hersensubstantie, " maar vinden zij haar diepsten creatuurlij ken grond in de ziel.

Dat „de gedachten tot de hersenen ongeveer in dezelfde verhouding staan als de gal tot de lever, of de urine tot de nieren" — het beruchte woord van Karl Vogt, dat wij reeds een vorig maal aanhaalden — is dan ook een bewering waarvoor men, als hij, „materialist" moet wezen, om er zich in te vinden. Wij daarentegen, die evenmin ontkennen, dat bij het denken de hersenen werken, dus het lichaam, als dat de ziel werkt bij wat lever en nieren verrichten, en dat men dus zoowel het eerste evenmin „slechts" 'n verrichting van de ziel, als het laatste „slechts" verrichtingen van het lichaam kan noemen, — houden, op grond van wat de Schrift ons omtrent het wezen van lichaam en ziel openbaart, dat in al deze verrichtingen, wel lichaam en ziel saamwerken, maar dat de diepste creatuurlijke grond ook van al deze actie de] ziel is, al werkt zij ook anders, in lever en nieren, dan in de hersenen.

Met opzet schreven wij hier telkens: „de diepste creatuurlijke grond."

Er is toch nog een diepere dan deze.

Want de diepste grond van het leven en de levensverrichtingen van de creatuur, van het schepsel, en dus ook van den mensch, ligt niet in het schepsel, maar in God.

In Zijn eeuwige en alomtegenwoordige kracht.

Zoo bezien is de ziel maar „tweede oorzaak, " causa secunda. En eerst als ge opklimt met uw denken tot God, vindt gij den diepsten Grond of de laatste Oorzaak.

Want in Hem leven wij, en bewegen ons en zijn wij. (Handelingen 17 : 28).

Om nu tot een volledige kenschetsing, voor zoover dat althans ons menschen mogelijk is, van het wezen der ziel te komen, moet thans nog gewezen op dien eigenaardigen toestand der ziel, waarin zij zeker voor een deel ook vegetatieve en animale levensverrichtingen, maar waarin zij vooral, zij het ook weer teadeele, de specifiek menschelijke levensverrichtingen, b.v. denken en willen volbrengt.

Wij bedoelen den toestand van bewustzijn.

Bezien wij eerst het woord „bewustzijn" wat nader. Het is 'n samengesteld woord, bewust-zijn. Bij een steen, een mineraal, 'n plant spreekt men van zijn, maar niet van bewust-ziin. Een steen, een mineraal, 'n plant hebben er geen weet van, dat zij zijn. Geen weet van wat in hun wezen omgaat. En toch gaat er in die wezens — men denke slechts aan de beweging der atomen, aan het aanschieten der kristallen, aan de voeding en de.voortplanting bij 'n plant — wel degelijk iets om. Dat „er weet van hebben, " ligt dan ook in het woord bewust-zijn. Van daar dan ook, dat men het sedert Leibnitz en op zijn voorgang aanduidde met het Fransche conscience, ons veel oudere woord, dat wij voor „geweten" gebruiken, en dat wij nog over hebben in „conscientie."

Over den samenhang van „geweten" en „bewustzijn" kan hier nog niet gehandeld. Thans is het er ons slechts om te doen, aan te wijzen hoe in het woord „bewust"-zijn, de gedachte van „weten" zit. Hoe de taal zelf dit aanduidt, zoowel in he-wust, als in conscience, con-scientie en hoe tevens, door die voorvoegsels „be"-en „con" een versterkt weten, een zeker weten wordt uitgedrukt.

Letten wij verder op het gebruik van het woord „bewustzijn."

Allereerst dient dan gewezen op den zeer ruimen zin, die in het gewone spraakgebruik vaak aan het woord bewustzijn wordt gegeven, wanneer men er alle kennen onder verstaat. Men spreekt van „te handelen in het bewustzijn van zijn gewichtige taak" en bedoelt dan, dat men zijn taak als een gewichtige kent. Of ook men zegt: „zich van niets bewust te zijn" en bedoelt dan vrij te zijn van schuldgevoel.

In de tweede plaats wordt bewustzijn gebruikt, wanneer wij willen aanduiden een meer bepaalde kennis, en wel die, welke 'n mensch heeft van wat in zijn wezen omgaat, van zijn eigen werkingen en aandoeningen zijn acties en affecten. In dien zin spreken wij ook van bewustzijn bij de dieren, althans bij de hoogere.

Dit bedoelen wij ook wanneer wij zoowel bij het dier als bij den mensch spreken, van „zijn bewustzijn verliezen, " of ook van „weer tot bewustzijn komen."

En eindelijk spreken wij nog van bewustzijn, wanneer een wezen niet alleen kennis heeft van zijn eigen werkingen en aandoeningen, maar ook zichzelf als het subject daarvan kent; wanneer wij onszelf, ons ik als zoodanig kennen. In dezen zin spreken wij echter gewoonlijk van zelfbewustzijn, en schrijven dit toe aan den mensch.

Spreken wij thans van bewustzijn als een toestand der ziel. Wij nemen het woord dan niet in den eersten onbepaalden, maar in den meer bepaalden tweeden zin.

Noemden wij zoo straks het bewustzijn een toestand der ziel, wij bedoelen daar mee dat bewustzijn en ziel wel te onderscheiden zijn. Wanneer de ziel kennis heeft van wat in haar omgaat, van wat zij werkt en ondergaat in haar acties en affecten, dan is zij bewust. Wanneer zij die kennis mist, zcoals in den diepen slaap of bij het in „onmacht vallen", dan is zij onbewust.

Men kan dus zeggen, dat het bewustzijn een toestand der ziel is, die zeker tot haar welwezen, tot de volkomenheid van haar wezen behoort, maar niat haar wezen zelf is.

Denken wij ons de zaak nog dieper in, dan doet zich de vraag op, hoe de ziel tot dezen toestand komt. Meent men hierop te moeten antwoorden: slechts door inwerkingen van buiten, bepaaldelijk door middel van de zintuigen, dan zal men bij eenig nadenken moeten toegeven, dat dit geen voldoend antwoord is. Het is er toch mee als wanneer men op de vraag: hoe komt het oog tot zien, hoe wordt het een ziende oog, zou antwoorden: slechts door de inwerking van het licht op de oogzenuwen. Daarmee is toch allesbehalve verklaard hoe het oog ziet. Op de vraag hoe de ziel tot kennis komt van wat zij werkt en ondergaat, kan dan ook alleen geantwoord: door een functie, een verrichting van de ziel zelf, al blijven „inwerkingen van buiten" daarbij ook niet uitgesloten. En deze functie, die niet nader te verklaren is, kunnen we daarom dan ook haar grondfunctie noemen.

Is het bewustzijn een toestand der ziel waarin zij zich zelf brengt, het is tevens een functie, een verrichting der ziel, want van het oogenblik af dat en zoolang als de ziel deze haar grondfunctie verricht, is zij bewust, weet zij van haar zijn, van haar werkingen en aandoeningen.

Het bewustzijn is dus zoowel een toestand als een lunctie der ziel. Zoolang zij deze functie niet verricht is zij onbewust. Het is er mee als met een zangvogel, die zoolang hij niet zingt, geen zingende vogel is.

Men kan het bewustzijn als „toestand" en „functie" niet scheiden.

Wel kan het en maakt men andere onder­ Wel kan men maken gewoonlijk dan ook, een scheiden.

Men spreekt van het.ljuw^tzija en zijn inhoud.

Men onderscheidt dan tusschen het bewustzijn als de grondfunctie en toestand der ziel waardoor en waarin zij zichzelf in haar werkingen en aandoeningen kent, en tusschen deze door haar gekende werkingen en aandoeningen zelf.

Uitgaande van deze onderscheiding willen wij eerst ons bepalen tot het bewustzijn en straks handelen van zijn inhoud.

Het bewustzijn is een grondfunctie, tevens 'n toestand der ziel, die niet nader te verklaren is. Wij bedoelen daarmee, dat de diepere grond, de oorzaak van haar tot kennis komen van haar werkingen en aandoeningen niet is aan te wijzen. Wij hebben hier een gegeven, waarvan wij hebben uit te gaan, waarachter wij in den letterlijken zin, noch met ons denken, noch met onze waarneming kunnen komen.

Ook niet met onze waarneming.

Het natuuronderzoek toch heeft geleerd, dat er een zeer innige samenhang bestaat tusschen het bewustzijn en de hersenen. Dit berust op een ervaringsfeit. Wanneer toch de toevloed van het bloed naar de hersenen onderbroken wordt en daarmee aan de laatste voedende vloeistof onttrokken wordt, of ook wanneer de circulatie, de omloop van het bloed, in de hersenen, gestoord is, dan verdwijnt het bewustzijn, de mensch verliest zijn bewustzijn, wordt bewusteloos, m. a. w. de ziel heeft haar toestand van bewustzijn verloren, zij verricht deze functie niet meer. Wanneer daarentegen op een of andere wijze de toevloed van bloed naar een ander orgaan, b.v. naar den arm, wordt onderbroken, dan verdwijnt het bewustzijn volstrekt niet. Ja, vooral proeven op dieren genomen, hebben zelfs geleerd, dat het bewustzijn gebonden is aan een bepaald gedeelte van de hersenen en wel aan de z.g. hersenschors der „groote hersenen". Deze toch bestaan uit twee onderscheidene lagen, van welke de buitenste, door de „grauwe hersenen" gevormd, den naam van »hersenschors" draagt.

Doch hiermede is voor het ontstaan van het bewustzijn nog niets verklaard; alleen weet men, dat er tusschen deze grondfunctie der ziel en de hersenschors, zoolang de mensch leeft, verband is. /fö« dit verband is, ligt geheel in het duister.

Is het bewustzijn een toestand en tevens functie van kennen, en berust alle kennen o"^ onderscheiding, wij kunnen — en daarmee valt een nieuw licht op wat wij bewustzijn noemen — het omschrijven als de geschiktheid der ziel om te onderscheiden, om verschillen en overeenkomsten te „zien".

Hierin gaat dan ook inderdaad heel deze grondfunctie der ziel op.

Wij zullen dit nader toelichten.

Een kind ontvangt na zijn geboorte allerlei indrukken op zijn zintuigen van de buitenwereld. Indrukken, prikkels die door de gevoelzenuwen overgeplant worden op de hersenen. Prikkels van warmte en koude, van licht en geluid. Maar ook prikkels van binnen in zijn lichaam, van honger en dorst.

Het heeft gewaarwordingen. Aanvankelijk zulen ai deze vele en velerlei gewaarwordingen nog onbepaald zijn, nog verward. Zooals wij later b.v. een verward geruisch van stemmen hooren. Eerst langzaam gaat het kind deze gewaarwordingen onderscheiden, hetgeen hieruit blijkt, dat het dan op een bepaalde gewaarwording ook op een bepaalde wijze terugwerkt; de gewaarwordingen worden dan tot voorstellingen. Het is bij deze allereerste onderscheiding, dat het bewustzijn „ontwaakt", m. a. w. gaat werken. Hoe nu deze zinnelijke gewaarwordingen werken op de ziel, is bij al wat men van de werking der zenuwen en der hersenen weet, weer volkomen duister. Zooveel is zeker, dat niet de zenuwprikkels de ziel hier doen werken, maar omgekeerd, dat de ziel de indrukken gewaarwordt, de gewaarwordingen onderscheidt en daardoor tot voorstellingen maakt. De ziel toch is niet maar als een „blad wit papier" waarop de buitenwereld allerlei schrijft; niet maar als een „onbeschreven tafel" waarop allerlei letters van buiten af worden ingedrukt; maar integendeel, zij is actief, werkend en haar grond-werkzaamheid is de onderscheiding.

En deze werkzaamheid gaat al voort.

Het kind groeit op. Het leert in de wereld waarin het leeft, die eerst een verward geheel voor hem moet zijn, waarin het zich zelf niet weet te onderscheiden, al meer te onderscheiden. Eerst tusschen wat goed in den zin van aangenaam en wat kwaad in den zin van onaangenaam voor hem is, en wel op grond niet alleen van de tweeërlei gewaarwordingen, van lust of onlust die zich daaraan verbinden, maar wel degelijk ook van de onderscheiden voorstellingen die zijn ziel daarbij maakt. Straks leert het kind na eenige levensjaren zichzelf onderscheiden van de wereld waarin het leeft. Sprak het, zooals algemeen bekend is, aanvankelijk van zichzelf als hij', het gaat plotseling ik zeggen. En dat niet alleen omdat het zich gesteld vindt tegenover andere individuen, vader, moeder, broers en zusters, maar ook wel degelijk omdat zijn ziel die onderscheiding maakt. En zoo zet de ziel haar onderscheidingswerking voort. Tusschen goed en kwaad, in den zin van nuttig en schadelijk; eindelijk tusschen goed en kwaad, in den zin van goed en slecht of zedelijk en onzedelijk, en ook tusschen godvruchtig en goddeloos leert de ziel onderscheiden.

Wij kunnen hier thans niet verder op ingaan en moeten nog de vraag: hoe, naar welk richtsnoer, welke norm deze twee laatste onderscheidingen door de ziel worden gemaakt, en ook die andere of ze deze norm krachtens haar schepping heeft, dan wel eerst van buiten af verkrijgt, voor-Ipopig laten rusten.

Hier zij er slechts op gewezen, hoe de onderscheiding der ziel waarin heel de grondfunctie van het bewustzijn opgaat, een natuur-ordinantie Gods is.

En dat het tot dit onderscheiden eerst van lieverlede komt, leert ons ook de Schrift.

In het boek Jona wordt van de jonge kinderen in Nineve gesproken als van menschen, „die geen onderscheid weten tusschen hun rechter en hun linkerhand" (Jona 4:11). In Deuteronomium lezen wij van „kinderen die heden noch goed noch kwaad weten", (h. I : 39). Eigenaardig is hier echter bovenal wat wij in Jesaia 7:15 en 16 lezen: oter en honig zal Hij eten, totdat Hij wete te verwerpen het kwade, en te verkiezen het goede. Zekerlijk eer dit Knechtje weet te verwerpen het kwade en te verkiezen het goede, zal dat land waarover gij verdrietig zijt, verlaten zijn van zijne twee koningen.

Er is hier sprake van de twee koningen Rezin van Syrië en Pekah van Israef, die in Achaz' dagen tegen Jerusalem optrokken ten strijde. Hun land — Syrië èn Israel — zal echter spoedig zijn verwoest, ontvolkt, verlaten. En ook is hier sprake van het Kind Immanuël. Dit Kind zal wanneer het nog niet tot „de jaren des onderscheids" gekomen is, wanneer het nog geen verschil kent tusschen goed en kwaad, dus op jeugdigen leeftijd, „boter en honig eten". Bij „boter" hebben wij hier te denken aan het product dat de woestijnbewoners bereiden door de melk in hun lederzakken te schudden. Boter en honig is dus de spijze der woestijn, want het geboorteland zal dan verwoest zijn, en in het verwoeste land zal geen andere spijze te verkrijgen wezen. Maar ook zeer spoedig, nog eer dit Knechtje tot „de jaren der onderscheids" komt, weet te verwerpen het kwade en te verkiezen het goede, zal ook het land van Juda's vijanden verwoest zijn.

Wij kunnen hier op de Immanuél-profetie niet verder ingaan. Het is ons alleen te doen. aan te wijzen hoe ook de Schrift het verwerpen van bet kwads en het verkiezen van het goede, dus de „onderscheiding", eerst later bij het kind kat optreden.

Komen wij thans na, van het bewustzijn te hebben gesproken als van een toestand en functie der ziel tot zijn inhoud.

De ziel onderscheidt haar gewaarwordingen en maakt ze daardoor, gelijk wij zagen, tot voorstellingen.

Deze voorstellingen zijn in haar bewust, in het bewustzijn en deze zijn tevens vele en velerlei. Allerlei werkingen en aandoeningen grijpen in de ziel plaats, en van vele dier werkingen en aandoeningen is zij zich bewust, heeft zij weet, omdat zij er voorstelling van heeft. Deze voorstellingen wisselen, iederen dag, ieder oogenblik. Het leven onzer ziel is zoo rijk, doordat onze gewaarwordingen zoo vele en velerlei zijn.

Toch is er te midden van dat vele een

Onder alle voorstellingen die wisselen, te midden van wat wij kennen als ÖW denken en willen, ons streven en gevoelen, ons hopen en vreezen ome stemmingen van vreugde en droefheid, te midden van het vele en velerlei, dat wij in voortdurende wisseling denken en willen, nastreven en voelen, hopen en vreezen, is er een voorstelling die blijft zoolang wij bewust zijn, die gisteren en heden en morgen dezelfde is; en die voorstelling is ons ik.

Op haar betrekken wij alle anderen.

De mensch weet: ik denk, wil, streef, gevoel, hoop en vrees.

In dit zich-zelf onderscheiden, en daardoor kennen ook van een ik tegenover zijn voorstellingen, ligt de heerlijkheid van het menschelijk bewustzijn. De mensch heeft niet alleen weet van wat in zijn wezen omgaat, maar ook van zich-zelf als het subject van dat alles.

Zeker gaat er veel in ons wezen om waarvan wij geen weet hebben.

In ons lichaam niet alleen, maar ook in onze ziel.

Dat is het groote gebied van het onbewuste in ons.

Het is er mee als met de door den wind bewogen oppervlakte van het water, waaronder een nog veel diepere laag stil ligt.

Of wilt gij een ander beeld, het is er mee als met hèt gezichtsveld van ons ons oog. Dat veld reikt veel verder dan dat waarop onze blik is gevestigd. De bladzijde van een boek, dat voor ons opgeslagen is, zien wij duidelijk; de voorwerpen op de tafel waarop het ligt, al minder; en wat om die tafel zich bevindt het minst. Zoo ook heeft niet alleen ons bewustzijn zelf, meer of mindere innerlijke kracht, functioneert, werkt de ziel 's morgens bij ons ontwaken krachtiger dan 's avonds bij ons inslapen, en overdag bij ingespannen arbeid krachtiger dan bij den onbestuurden gedachtengang, maar ook zijn inhoud, d. w. z. onze voorstellingen hebben graden van duidelijkheid. Sommige voorstellingen kunnen er zelfs zoo onduidelijk in worden, dat velen van „onbewuste voorstellingen" meenen te moeten spreken. Ook kunnen andere voorstellingen uit ons bewustzijn verdwijnen, wegzinken. Later komen wij op dit tweeëerlei verschijnsel terug. Doch waar het hier op aankomt, is er op te wijzen, hoe door de „ikvoorstelling, " die als zij eenmaal is ontstaan, onafscheidelijk is van het menschelijk bewustzijn, de eenheid in de veelheid van den steeds wisselenden bewustzijnsinhoud wordt gebracht, en het juist de ziel is, die door haar grondfunctie op hare beurt deze „ik-voorstelling" uitwerkt.

En zoo hebben wij dan de ziel leeren kennen als een onstoffelijk, eenvoudig, onsterfelijk wezen, door God geschapen, aangelegd op een menschelijk, reeds vóór haar schepping, levend lichaam en met dat lichaam vereenigd, de grond van de levensverschijnselen; zoowel van de vegetatieve en animale, als van de eigenaardig menschelijke.

Tevens zagen wij hoe tot dit haar wezen behoort, de mogelijkheid, het kunnen verrichten van een niet nader te verklaren functie — die wij daarom haar grondfunctie noemden — waardoor zij zoowel zich zelf tot kennis brengt, m. a. w. tot bewustzijn van een deel der drieërlei, zooeven genoemde, levensverschijnselen, er dan „weet van heeft, " dat zij b. V. met de longen ademt, met de zintuigen gewaarwordt, met de hersenen denkt; als dat zij in de veelheid dier verschijnselen waarvan zij dan weet heeft, die zij zich voorstelt, m. a. w. in haar „bewustzijns-inhoud", door middel van het ik, eenheid brengt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 21 juni 1903

De Heraut | 4 Pagina's

Van ’sHeeren Ordinantiën.

Bekijk de hele uitgave van zondag 21 juni 1903

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken