Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Van ’sHeeren Ordinantiën.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Van ’sHeeren Ordinantiën.

19 minuten leestijd

LXXVIII.

DERDE REEKS.

'sHeeren ordinantiën in de natuur.

DERDE DEKL.

IV.

Want wie van de menschen ^eet hetgeen des menschen is, dan de geest des menschen, die in hem is? .1 Korinthe 2:11.

Ook in zijn eenheid van lichaam en ziel, van het stoffelijke en geestelijke staat de mensch onder 'sHeeren ordinantiën. De werkingen die opkomen uit zijn ziel grijpen, even als die welke opkomen uit zijn lichaam, naar vaste, onveranderlijke wet plaats. Zij grijpen in hem plaats en hij weet er zich het subject van, doch als hij er over nadenkt komt hij tot het inzicht, dat op beide gebieden eene, van zijn willen volstrekt onaf hankelijke noodwendigheid heerscht; dat al deze werkingen, deze verrichtingen gebeuren naar vaste ordeningen, waaraan de mensch niets veranderen kan.

Op beide gebieden, zoowel het somatische als het psychische, d. w. z. Koowel dat van het lichaam als dat der ziel, heerscht de natuurorde.

Evenals er een vaste wet is voor uw ademhaling en uw bloedsomloop, voor de werkingen van uw zenuwen en uw spieren, zoo zijn er ook vaste wetten, waarnaar gij denkt, waarnaar gij wilt. Naar even vaste wetten als het ademhalen en de werking der zenuwen en spieren gebeurt, grijpt plaats de verbinding der voorstellingen, het denken en willen en dat altijd en overal bij 'n mensch.

Zoo moet het niet alleen, maar zoo geschiedt het ook.

'n Mensch kan niet anders ademhalen, dan naar de wetten die daarvoor zijn gesteld, maar hij kan ook niet anders denken, dan naar de wetten die daarvoor gelden.

En zoowel het laatste als het eerste, gaat even goed door bij den Christen als bij den den heiden, bij het kind des Heeren als bij den wereldling.

Al deze wetten raken het wezen van den mensch, waaraan de zonde niet verandert, waaraan de genade, ook de bijzondere genade, die zich alleen tot Gods uitverko renen bepaalt, geen nieuwe eigenschappen toebrengt.

Deze wetten voor den mensch, voor den mensch als natuurwezen, zoowel in zijn somatisch als psychisch bestaan te kennen, is het doel van de wetenschap, die den mensch als zoodanig tot voorwerp van haar onderzoek heeft.

Dat daarmede de studie van den mensch echter niet is uitgeput, is de vaste overtuiging van allen, die in den mensch ook zien een zedelijk wezen, d. w. z. zulk een wezen, waaraan vrijheid en, mitsdien, verantwoordelijkheid toekomt. Daarom verbinden dan ook zij, die deze overtuiging deelen, aan de wetenschap van den mensch, als natuurwezen, die van den mensch als zedelijk wezen. En ook bij deze laatste wetenschap, die den mensch als zedelijk wezen tot voorwerp van haar onderzoek heeft, gaat het er evenzeer om de voor den mensch geldende wetten te kennen. Maar deze wetten dragen een ander karakter dan de eerste. De natuurwetten doen ons kennen wat altijd en overal is en gebeurt, de wetten voor den mensch als zedelijk wezen daarentegen, denk b.v. aan de tien geboden, wijzen ons op wat zijn moet, op hoe en wat gij zult willen en niet willen, doen en niet doen, maar wat — en dat is de uiting der zonde — juist niet altijd en overal gebeurt. Want de mensch, al bleef ook zijn wezen, is niet meer wat hij was, omdat zijn natuur, wat in dit verband wil zeggen: al wat in zijn wezen werkt en waaruit dat werkt, „omsloeg in haar tegendeel, " en dat juist is de zonde. 7A] toch is niet iets „wezenlijks, " want al het wezenlijke is uit God; ieder wezen is door Hem geschapen, en daarom één, waar en goed. En nog veel minder is zij iets stoffelijks, 'n soort giftstof, want ook de stof is, als door God geschapen, in zich zelf goed. Maar zij, de zonde, is een gemis, ja meer, een berooving van hoedanigheden, zoo als het in onze Canones van Dordt heet; van de oorspronkelijke gerechtigheid. Van daar dat de mensch, al bleef ook zijn zc/, ? .ar^«, al bleef hij ook „mensch, " juist omdat hij niet verloor, wat de Canones noemen, zijn eigenschappen, — niet doen kan wat hij naar de wetten, die voor hem als zedelijk wezen gelden, doen moet. Ja, gelijk in het ontzielde lichaam, in het lijk, alle krachten omslaan in haar tegendeel, en doorwerken tot de ontbinding, zoo ook zverkt in de zonde alles naar het verderf als het einddoel. Het is de Gemeene Gratie die dit hier op aarde in 3en mensch en de menschheid nog stuit, het is de Particuliere Genade, die in Gods uitverkorenen het leven brengt midden in den dood; maar zelfs bij hen werkt, zoo lang zij hier op aarde zijn, „de inv/onende zonde" nog, en hebben zij, zooals onze Catechismus zegt, „maar een klein beginsel dezer gehoorzaamheid."

Met deze laatste wetten nu, waarbij het niet gaat om wat is en gebeurt, maar om wat bij den mensch als zedelijk wezen, moet zijn en gebeuren, behoort te gebeuren, hebben wij echter hier in deze onze derde Reeks nog niet van doen, en wij wezen dan ook alleen op haar, om het verschil tusschen-deze en Gods natuur-ordinantiën duidelijk te doen uitkomen.

En dit is vooral noodig, waar wij handelen van 'sHeeren ordinantiën voor de menschelijke ziel.

Daarbij toch is tweeërlei wèl te onder­ Daarbij scheiden.

Allereerst de vaste en onveranderlijke wetten waarnaar de menschelijke ziel altijd en overal werkt, en in de tweede plaats de door God voor den mensch en mitsdien voor zijn ziel verordende wijze waarnaar hij als zedelijk wezen behoort te werken, te handelen in betrekking tot Hem, tot zichzelf en tot zijn medemenschen.

Het is er mee als met een fijn ingericht instrument, waarbij het heel iets anders is na te speuren hoe het werkt, dan u te laten voorlichten hoe gij er mee werken moet.

Nu wordt wat het eerste betreft ook door de wetenschap, die niet rekent met Gods Woord, wel degelijk erkend, dat de ziel naar vaste wetten werkt; alleen maar, deze wetten zijn niet voor haar, wat zij voor ons zijn, ordeningen, ordinantiën Gods.

Ligt het dus in onze bedoeling, de ordinantiën des Heeren voor de werkingen der menschelijke ziel, voor haar gewaarworden en voorstellen, haar streven en begeeren, haar denken en willen te doen kennen, daaraan dient vooraf te gaan de vraag, die wij in de laatste twee artikelen van het tweede en de laatste drie van het derde deel van onze Reeks, die over 's Heeren ordinantiën in de natuur handelt, getracht hebben te beantwoorden, de vraag naar het wezen der menschelijke ziel.

Kan men het wezen van een ding, m. a. w. wat het is, leeren kennen door het nategaan in zijn ontstaan, wij hebben, om op de zooeven genoemde vraag het antwoord te vinden, het ontstaan der ziel, zoo bij de schepping van den eersten mensch, als bij de voortplanting van het menschelijk geslacht, getracht te leeren kennen.

Als resultaat van ons onderzoek vonden wij toen, dat de ziel is een onstoffelijk, eenvoudig, onsterfelijk wezen, door God geschapen, aangelegd op een, reeds vóór haar schepping levend menschelijk lichaam en met dat lichaam vereenigd, de grond der levensverschijnselen. Daarbij leerden wij in ons laatste artikel over het bewustzijn, reeds een harer werkingen, en wel wat wij als haar grond-functie of-verrichting aanduidden, kennen.

Thans zullen wij in dit en het volgende artikel nog eenige vragen beantwoorden, die met het ivezen der ziel in het innigst verband staan en waarbij het zoo noodig is voor ons denken tot zekere helderheid te komen.

Tot deze vragen dan rekenen wij allereerst die naar de verhouding van ziel en geest. Het geldt daarbij de quaestie of ziel en geest twee zelfstandigheden, twee verschillende bestanddeelen van den mensch zijn en hij mitsdien „trichotomisch" d. w. z. drieledig bestaat als geest, ziel en lichaam, dan wel „dichotomisch", d. w. z. tweeledig als lichaam en ziel en mitsdien de verhouding van ziel en geest een andere is.

Nu staat het bij deze quaestie zoo, dat de groote wijsgeer der Grieken, Plato voor wien alleen het geestelijke, de wereld der gedachten, der ideeën, het waarlijk werkelijke was, en het zinnelijke, het stoffelijke mitsdien geen zelfstandig bestaan had, er wel toe komen moest om het lichaam veel lager te stellen dan de ziel. Voor hem is het lichaam „de kerker der ziel" waaruit zij haar verlossing tegemoet ziet; het sterven een vlucht, een zoo spoedig mogelijk te begeeren vlucht, uit deze onwezenlijke wereld van het veranderlijk-zinnelijke, naar de wezenlijke wereld van het onveranderlijk-geestelijke. Doch wat alsdan dus overgaat en mitsdien onsterfelijk is, is slechts een „deel" der ziel, de geest, die zetelt in het hoofd en een eigen zelfstandig bestaan heeft tegenover de twee andere „deelen" der ziel, die beide sterfelijk zijn en waarvan h«* eene als „gemoed" in de borst en het andere, het minst edele, als „zinnelijke begeerte" onder het middenrif zetelt.

Het is deze platonische leer, die geleid heeft tot de drie-deeling of trichotomie.

Zoo toch kreeg men tegenover het lichaam de onsterfelijke „geest" en de veel lager dan deze staande sterfelijke „ziel". Daarmede was tusschen het stoffelijke en het geestelijke een middending ingeschoven, dat noch stoffelijk nooh geestelijk is.-

Dit nu gaat vlak in tegen wat wij reeds vroeger genoemd hebben het „dualisme der Schrift, " die in de geschapen wereld slechts de „tweeheid" van stof en geest kent; een tweeheid, die ook waar zij door een scheppingsdaad Gods, in den mensch tot een eenheid wordt, daarmee de tegenstelling tusschen stof en geest, lichaam en ziel niet opheft.

De ziel is geest omdat zij uit God is, gelijk het lichaam .stof is, omdat het is uit de aarde; uit „het stof der aarde" gelijk de Schrift zegt.

Naar zijn lichaam verwant aan de aarde en naar zijn ziel aan den hemel, is de mensch, in wien hemel en aarde vereenigd zijn, bestemd om op aarde, met zijn God „in de eeuwige zaligheid te leven, om Hem te loven en te prijzen".

De Christelijke Kerk heeft dan ook de „driedeeling" verworpen, en zoowel gereformeerden als roomschen leeren, dat de mensch bestaat uit lichaam en ziel.

„Ziel" en „geest" zijn voor het Christelijk denken niet twee bijzondere substanties of zelfstandigheden. Hebben sommige denkers ook in de Christelijke v/.ereld zich vroeger en later al beroepen op een tweetal bijbelplaatsen, waarin naar hun beweren de trichotomie, de driedeeling, werd geleerd, deze meening werd, en ook, naar het ons voorkomt, terecht, afgewezen.

Lezen wij toch in Hebreen. 4:12 van het Woord Gods, dat levend en krachtig is, en scherpsnijdender dan eenig tweesnijdend zwaard, en doorgaat tot de verdeeling der ziel en des geestes ; en lezen wij in I Thess. S • 23: n de God des Vredes zelf heilige u geheel en al; en uw geheel oprechte geest en ziel en lichaam worde onberispelijk bewaard in de toekomst van onzen Heere Jezus Christus — gelijk wij vroeger reeds opgemerkt hebben, wordt in deze twee plaatsen volstrekt geen opsomming gegeven van de wezenlijk verschillende bestanddeelen van den mensch.

De Schrift doet dit daar evenmin als b. v. in Lukas 10 : 27 : Gij zult den Heere uwen God liefhebben uit geheel uw hart, en uit geheel uwe ziel, en uit geheel uwe kracht en uit geheel uw verstand.

Niemand toch heeft ooit beweerd, dat hier geleerd wordt, dat de mensch bestaat uit hart, ziel, kracht en verstand, als uit vier wezenlijk verschillende bestandeden.

De twee eerstgenoemde plaatsen bewijzen dus niet wat zij naar de meening de „trichotomisten" bewijzen moeten.

En dat geest en ziel niet twee afzonderlijke bestanddeelen van den mensch, zijn, blijkt ook hieruit, dat de Schrift ze zeer vaak door elkaar gebruikt.

Nu eens leert, gelijk in Matthëus 10 : 28 : En vreest niet voor degenen die het lichaam dooden en de ziel niet kunnen dooden — dat de mensch bestaat uit „lichaam en ziel" ; dan weer gelijk in i Cor. 7 : 34: e ongetrouwde bekommert zich met de dingen des Heeren, opdat zij heilig zij, beide aan lichaam en geest, — of zooals in Jacobus 2:26: ant gelijk het lichaam zonder geest dood is, alzoo is ook het geloof zonder de werken dood, — dat de mensch bestaat uit „lichaam en geest".

Wij hebben nu verder te vragen hoe wij ons de verhouding van ziel en geest dan wèl hebben te denken.

De ziel des menschen is geest, in den zelfden zin waarin ook de engel geest is en waarin wij, ook al mag het verschil tusschen God en het schepsel niet worden voorbij gezien, naar het bekende woord van Jezus zeggen : God is geest. Daarmee is allereerst uitgesproken, wat wij ook bij ons onderzoek naar het wezen der ziel vonden, dat zij is een onstoffelijk wezen. Maar, gelijk wij het vroeger reeds uitdrukten. God die geest is, heeft ook Geest, — en de engel die geest is heeft ook geest, en zoo ook de menschelijke ziel is geest, maar heeft ook geest.

Wij zullen dit laatste nader toelichten.

Bij ons onderzoek naar het wezen der ziel vonden wij ook, dat deze laatste de grond is van de levensverschijnselen. Zij, de ziel, doet den mensch leven, heel zijn rijke leven, zooals het gepraefornieerd in plant en dier, in hem alleen met zijn denken en willen, zijn hoogtepunt onder alle creaturen bereikt. Nergens in Gods Schepping toch verbijzondert zich het leven zoo vol en rijk als in den mensch. Is de ziel de grond van het leven des menschen, dat wat er als creatuurlijke en dus „tweede oorzaak, " aan ten grond ligt, wij kunnen de ziel daarom ook noemen het subject van het leven.

Hetzelfde kan evenwel ook gezegd van de ziel in betrekking tot het dier. Ook de ziel van het dier is de grond van zijn levensverschijnselen, het subject van zijn leven.

Bij de „ophouding" de „desitio" van zijn ziel, houdt echter het dier op te leven.

Maar, en hierin ligt nu mee het verschil tusschen de ziel van het dier en die des menschen, de dierenziel is uit de aarde, en de menschenziel is onmiddellijk uit God. Het menschelijk leven is daarom andersoortig dan het dierlijk leven. Het eerste is niet een evolutie, een ontwikkeling van het laatste, maar een eigen schepping Gods, een eigen gedachte, die bij de schepping naar buiten treedt.

In dat menschelijk leven werkt een eigen beginsel en dat beginsel, dat onmiddellijk uit God is, noemen wij geest. In dezen zin heeft de ziel die geest is, ook geest. In het kort uitgedrukt dus is de ziel het subject, de grond des menschelijken levens en ds geest het in dat subject werkende beginsel.

Maar juist daarom zijn ziel en geest dan ook niet twee wezenlijk verschillende bestanddeelen, maar vormen zij een niet te scheiden eenheid. In de menschelijke ziel als de grond, als het subject der levens verschijnselen is en werkt geest, en hierin bestaat dan ook het specifiek, het soortelijk verschil tusschen de ziel des menschen en de ziel van het dier. Dit ligt in wat de Schrift ons openbaart omtrent de schepping van de dieren, in tegenstelling met die van den mensch. Bij de schepping der dieren toch heet het: e aarde brenge levende zielen voort(Gen. i:24); bij die van den mensch wordt ons daarentegen verhaald hóe de Heere God in het, reeds uit het stof der aarde, geformeerde menschenlichaam, had ingeblazen den adem des levens (Gen. 2 ; 7). En deze adem des levens, die uit God is, vormt een blijvend bestanddeel van des menschen wezen.

Wil men tusschen ziel en geest bij den mensch nader onderscheiden, men lette dan vooral op twee uitdrukkingen der Schrift in betrekking tot ziel en geest, waardoor tevens de bovengenoemde onderscheiding van ziel als subject en geest als beginsel des menschelijken levens, verduidelijkt wordt.

De eerste uitdrukking, die wij bedoelen, is die waar de Schrift zoowel van de ziel des menschen, als van die der dieren spreekt van „levende ziel, " zoo b. v.: en. i : 24: e aarde brenge levende zielen voort; Gen. 2 : 7 alzoo werd de mensch tot een levende ziel. Verder in Gen. 9 : 10 waar God zegt Zijn verbond op te richten met Noach en Zijn Zaad en met alle levende ziel, die met hem is, van het gevogelte, van het vee, en van alle gedierte der aarde met hem. Zoo ook in VS. 16, waar sprake is van den boog in de wolken, waarbij God zal gedenken aan Zijn eeuwig-verbond tusschen Hem en alle levende ziel van alle vleesch, dat op de aarde is.

De tweede uitdrukking is die waar gesproken wordt van „levendmakende geest." Zoo in I Korinthe 15 : 45 : De eerste mensch Adam is geworden tot eene levende ziel; de laatste Adam tot eenen levendmakenden geest. Verder, waar Jezus in Joh 6 : 63 zegt: e Geest is het die levend maakt; het vleesch is niet nut. lïn eindelijk ook in 2 Korinthe 3 : 6, want de letter doodt, maar de Geest maakt levend.

Want al moet zeker toegegeven, dat althans op de laatste twee plaatsen van Gods Geest wordt gesproken, tevens leeren zij, dat „levendmaken" een werking is eigen aan den geest.

Maar hierin ligt dan ook het specifieke verschil tusschen den mensch en alle andere organische, of wil men, bezielde wezens. Alle bezieling, alle leven is uit God, Die geest is en daarom is „levend makend." In dien zin heet God dan ook „de God der geesten van alle vleesch", Numeri 16:22; en wordt in Ps. 104 : 30 van God in betrekking tot de dieren gezegd : Zendt Gij uwen Geest uit, zoo worden zij geschapen. In dien zin is Hij, Die het leven in Zichzelf heeft, in volstrekten zin, de Levensbron van alle creatuurlijk leven.

Maar, en dit nu is hier het groote verschil - tusschen den mensch en alle andere levende wezens, de laatste hebben hun leven middellijk uit de aarde, die al wat er van levens­ kracht in haar werkt, dankt aan den Geest Gods, die, zooals het in Gen. i : 2 heet, „zweefde boven de wateren" toen zij nog „woest en ledig" was. De mensch daarentegen heeft, al is zijn lichaam ook uit de aarde, in zijn ziel een leven, dat hij onmiddellijk van God heeft. En het beginsel van dat leven zijner ziel is zijn geest, die als Gods Geest, zij het ook op creatuurlijke wijze, „levendmakend" is.

Ook als zoodanig is de mensch dan ook beeld en gelijkenis Gods, van Zijn geslacht.

Noemden wij zooeven den geest een blijvend bestanddeel van 's menschen wezen, wij bedoelen daarmee, dat de mensch ook waar hij in zonde viel, niet heeft verloren zijn geest als het beginsel van zijn zieleleven en daarmee van heel zijn leven. Want wel stelt de Schrift in i Korinthe 2 : 14 en 15 den natuurlijken mensch tegenover den geestelijken mensch, maar de bedoeling is daar niet, dat de natuurlijke niet zou hebben geest, zijft geest, maar dat hij mist de inwoning van God den Heiligen Geest.

Ook de onwedergeborene is mensch gebleven en ook in hem valt daarom ziel en geest te onderscheiden.

Dit bedoelen wij Gereformeerden dan ook, wanneer wij spreken van het beeld God.s in enger en in ruimer zin en dan leeren, op grond van Genesis 9:6: ant God heeft den mensch naar Zijn beeld gemaakt, en Jacobus 3 : 9 waar gesproken wordt van de menschen, die naar de gelijkenis van God gemaakt zijn, dat ook de in zonde gevallen mensch het beeld Gods in ruimer zin niet heeft verloren.

Zoo vonden wij dan, dat ziel en geest niet twee zelfstandigheden zijn; dat de mensch mitsdien niet drieledig bestaat uit lichaam ziel en geest. Maar, dat de levendmakende geest het beginsel van de levende ziel is en daarmede tot éene zelfstandigheid onafscheidelijk verbonden. Dat de mensch mitsdien bestaat tweeledig, uit een menschelijk lichaam en een aan God verwante en naar zijn beeld geschapen, menschelijke ziel.

Vandaar dan ook, dat alle voorstelling alsof de geest des menschen zich eerst langzaam uit zijn ziel moet ontwikkelen, of anders uitgedrukt „de ziel tot geest moet worden", beslist is af te wijzen.

De mensch heeft geest van het oogenblik af dat God de ziel in hem schept. Ook het pas geboren kind heeft ziel en geest. Dat de levende ziel als een „menschelijke" ziel werkt bij al hare verrichtingen, is omdat in haar werkt de geest; en dat de ziel des menschen ook na de scheiding des lichaams blijft werken en mitsdien onsterfelijk is, heeft hierin zijn grond, dat de geest onafscheidelijk is van de menschelijke ziel.

Behoort naar wat de Schrift zegt in i Korinthe 2:11: ant v^^ie van de menschen weet, hetgeen des menschen is, dan de geest des menschen die in hem is.' — en wat men gewoonlijk noemt het „zelfbewustzijn", tot een functie van den geest, waardoor de mensch juist zijn verwantschap aan God doet uitkomen, — immers op deze woorden volgt: alzoo weet ook niemand, hetgeen Gods is dan de Geest Gods, — wel moet worden erkend, dat de geest des menschen deze zijn functie niet dadelijk, maar eerst geruimen tijd zelfs na de geboorte verricht; dat het bewustzijn aan het zelfbewustzijn vooraf gaat; doch dat alles verandert niets aan de waarheid, dat de naar Gods beeld geschapen mensch van zijn geboorte af geest en met dien geest het vermogen, de potentie, om tot zelfbewustzijn te komen, bezit.

Gaat de lichamelijke aan de psychische en gaan deze beide aan de geestelijke ontwikkeling des menschen vooraf, gelijk wij dat waarnemen • bij het kind, den knaap en den man, of ook bij het meisje en de vrouw, in geen dezer drie levensperioden ontbreekt de geest. Een volstrekte scheiding tusschen lichamelijke, psychische en geestelijke werkingen valt bovendien ook niet te maken. Van alle levenswerkingen is de ziel de grond en de geest het drijvend beginsel. Zelfs de hoogste geestelijke werking, uw bidden, gaat niet buiten uw ziel of uw lichaam om. Toch kan men hier onderscheiden, en van meer eigenaardige geestelijke verrichtingen, zooals denken en willen, tegenover meer eigenaardig psychische, gelijk waarnemen en voorstellen, en meer eigenaardig lichamelijke, zooals het kloppen van het hart en het verteren van de spijzen, spreken.

Over de verrichtingen zelf van het geestelijk-psychische leven en de ordinantiën, die de Heere ook daarvoor heeft gesteld, kan echter eerst later worden gehandeld.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 28 juni 1903

De Heraut | 4 Pagina's

Van ’sHeeren Ordinantiën.

Bekijk de hele uitgave van zondag 28 juni 1903

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken