Bekijk het origineel

Drie en twintigste JAARLIJKSCHE SAMENKOMST VAN DE Vereeniging voor Hooger Onderwijs

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Drie en twintigste JAARLIJKSCHE SAMENKOMST VAN DE Vereeniging voor Hooger Onderwijs

33 minuten leestijd

op Gereformeerden grondslsg, te DORDRECHT op 1 en 2 JULI 1903.

II.

n. De rede van den Voorzitter, waarvan wij nog in het vorig nummer het verslag konden opnemen, werd warm toegejuicht.

De Voorzitter deelt nu mee dat ingekomen is het volgend schrijven van Minister Kuyper:

's-Gravenhage, r Juli 1903. Hooggeachte Voorzitter,

De Tweede Kamer vereischt morgen mijn tegenwoordigheid voer de verdediging van drie wetsontwerpen en eenige conclusiën. Dit maakt het mij onmogelijk naar Dordrecht te komen. Het voorrecht om mij in de broederlijke gemeenschap, die ik vroeger zoo volop genoot, en thans zoo droevig mis, nogmaals van harte te verkwikken, wordt mij daardoor onthouden. Behoef ik U te zeggen, hoe leed mij dit doet ? Toch zal ik in gedachten bij u zijn, met de stille bede, dat onze God den jaardag van onze Vrije Universiteit zegene met het beste van zijn gunst.

w.g. KUVPER.

Nadat nog mededeeling is gedaan van andere ingekomen stukken, stelt de Voorzitter voor een telegram van eerbiedige hulde te richten tot H. M. de Koningin; en baron Van der Borch van Verwolde stelt voor een telegram te zenden aan den Minister van Binnenlandsche Zaken. Beide voorstellen worden met applaus begroet.

Daarna wordt de presentielijst gelezen; en worden de notulen der vorige vergadering ter goedkeuring aan het Bestuur in handen gesteld.

Aan de orde is nu de bespreking van het Jaarverslag over 1902,

Ds. K. Fernhoiit van Utrecht herinnert dat hij op de ledenvergadering van Maart een drietal vragen heeft gesteld, welker beantwoording in het Jaarverslag he!n door het bestuur was toegezegd. Van die drie vragen was er slechts ééri beantwoord; door het Verslag was hij n. 1. ingelicht over de quaestie van de onderteekening van art. 2 der statuten door de Hoogleeraren Bavinck en Biesterveld.. Doch spreker had óók gevraagd welke redenen van urgentie er toe hadden geleid om de Hoogleeraren Bavinck en Biesterveld op een z.i. slecht gekozen oogenblik aan de V. U. te benoemen; op een oogenblik althans, zoo kort na de Arnhemsche Synode, dat deze benoeming wel prikkelen moest. En de andere nog onbeantwoorde vraag was deze: Waarom nu twee theologen benoemd, terwijl de juridische faculteit nog zoo schaarsch bezet is, en wij een schuld hebben tegenover Prof. Fabius, op wiens schouders de last van een gansche faculteit is gelegd. Is door deze benoeming aan de theologische faculteit ook niet te veel van onze financieele kracht gevergd, zoodat we nu de juridische faculteit niet kunnen helpen. Gaarne zou spreker nadere inlichtingen ontvangen.

Prof. Rutgers, het woord ontvangen hebbend, verzekert een anderen indruk van het Jaarverslag te hebben gekregen dan Ds. Fernhout. Spr. meent dat het verslag de beide vragen beantwoordt en zelfs iets meer geeft, ' dan Ds. F. vroeg. Het verslag toch doet uitkomen, dat aan twee theologen behoefte was, en dat men juist twee bekwame mannen voor die faculteit k ijgen kon. Altijd zijn aan de theologische faculteit vijf leerstoelen bezet geweest; het is wel eens geweest dat twee Hoogleearen uit een andere faculteit een leerstoel hebben bezet, zooals bijv. Prof. Dilloo en Prof. de Hartog. Wanneer er behoefte bestaat èn de mannen beschikbaar zijn is de urgentie er, en, zou men moeten wachten tot de kalmte weergekeerd was, dan zou men thans nóg niet kunnen benoemen, want die kalmte ontbreekt nog. Wat het bezetten van de juridische faculteit aangaat, daarmede zijn Directeuren en Curatoren voort durend bezig; aan 't geld mankeert het niet, want men kan blijven rekenen op de offervaardigheid van ons Gereformeerde volk.

Ds. Fernhout is door de rede van Prof. Rutgers niet overtuigd. Hij meent dat het oogenblik der benoeming niet gelukkig gekozen was, en dat de hoogleeraren Bavinck en Biesterveld eerst voor de Tneol. School hadden moeten bedanken en pas daarna benoemd konden zijn. Spreker deed uitkomen dat hij tegen niemand een onvriendelijkheid wil zeggen; wat hij spreekt wordt ingegeven door de zucht naar eenheid onder ons Gereformeerde volk.

Prof. Honing uit Kampen heeft bezwaar tegen een passage uit de openingsrede; daarin toch heeft de Voorzitter gezegd dat de Theol. school een valsch standpunt inneemt. Daartegen protesteert spreker; de School neemt het standpunt in altijd door haar ingenomen. Ware de qualificatie van den Voorzitter juist, dan zou geen vriend der V. U. haar kunnen dienen, dan zou de man, die gisteravond in de Gebeds ure voorging, het Curatorschap over die School niet hebben aanvaard ..'..

De Voorzitter dringt er op aan dal de spre kers zich bekorten; ter afsnijding van misverstand wil hij dadelijk aan Prof. Honing opmerken, dat de openingsrede het standpunt van de hoogleeraren Bavinck en Biesterveld aangaf, welk standpunt door hen in een brochure is ontwikkeld.

Prof-Honing dankt voor dit woord des Voorzitters, waarmee hij genoegen neemt, en verzekert dat niemand uit zijn optreden mag concludeeren, dat zijn liefde voor de V. U. ook maar eenigermate zou zijn bekoeld.

De heer P. D. de Rityter maakt de opmerking, dat het vreemd is, dat in verschillende provinciën een provinciaal directeur ontbreekt. Ook wenscht hij agenten en correspondenten tot meer ijver op te v/ekken.

Prof. Rutgers maakt nog de opmerking dat het hem leed doet Ds. Fernhout niet te hebben bevredigd. Maar hij kan niet anders zeggen dan dat er behoefte was aan twee theologen. Wie anders zegt spreekt kwaad, en dat is wel niet tegen te gaan, voaar toch onaangenaam. Wat de nieuwe benoemmgen aan de juridische faculteit betreft, die zaak is niet in alle opzichten voor openbaar debat geschikt.

Daarmee wordt de discussie over het Jaarverslag gesloten en dit verslag goedgekeurd.

Eveneens wordt goedgekeurd het rapport tot onderzoek van de rekening over 1902.

Tot benoeming van een bestuurslid wordt overgegaan in plaats van den heer C. M. E. van Löben Sels, die aftreedt en niet herkiesbaar is. Ondertusschen wordt het woord gegeven aan Prof. Fabius.

Spreker begon met er aan te herinneren, dat het historisch materialisme de geestelijke verschijnselen uit de economische verhoudingen zoekt te verklaren. Daartegenover belijdt de Christen, dat de diepste tegenstelling die van geloof en ongeloof is. Groen van Prinsterer heeft ons ook van stonde aan er op gewezen, dat de revolutie in de wetenschap doorgaat. Maar in zijne dagen was daarvoor weinig gehoor, zelfs onder Christenen. Zoo was het te gemakkelijker 's Lands Hoogescholen aan de wetenschap des ongeloofs dienstbaar te maken. In 1844 werd Da Costa als hoogleeraar voor de klassieke talen aan het Athenaeum der hoofdstad geweerd; in 1853 was Oosterzee te Leiden voorbijgegaan voor Dr. Niermeijer, en in 1854 te Utrecht voor Ter Haar; in 1855 schijnt sprake te zijn geweest van Beets voor Leiden, doch er kwam niets van; in 1857 zou Groen als curator der Leidsche Hoogeschool zijn voorgedragen, doch door het Ministerievan der Brugghen niet gewild. Ook werd er wel op gelet, tot welke fractie der vrijzinnigheid men behoorde, gelijk in het Sociaal Weekblad herinnerd wordt aan de benoeming van Prof. Greven te Leiden in 1879, terwijl, naar gezegd werd, de voordracht bestaan zou hebben uit de heeren Borgesius, Van Houten en Kerdijk. De agitatie tegen Da Costa deed dezen èn Groen op denzelfden 16 Nov. 1844 schrijven, dat men op deze wijze wel tot eigen inrichtingen gedwongen werd. Toch duurde het tot 1880, toen de Heere in zijne ontferming de Vrije Universiteit schonk, die nu bijna 23 jaar bestaat, wier vrijheid echter geen andere is, dan dat arbeid aan haar geschieden kan zonder straf. Thans bood echter de Regeering een wetsontwerp aan, volgens hetwelk onder zekere voorwaarden ook met de diploma's van vrije hoogescholen zal gerekend worden. Spreker erkent met waardeering, dat de toon, waarop deze aangelegenheid tot dusver besproken werd, gunstig afsteekt bij wat men vroeger hoorde. Men voelt den ernst van ons streven, waardoor wij liever al den last der kleinheid nog eenigen tijd blijven dragen, dan het wetenschappelijk peil of de gaafheid van het beginsel op te offeren aan uitwendig vertoon.

In het algemeen wordt ook erkend, dat wetenschap van Vrije Universiteiten kan uitgaan. Voor hooger onderwijs als staatszaak pleitte het meest het Utrechtsih Dagblad, volgens welk blad ook het geestelijk leven deel is van den Staat, die dit verzorgt door de Universiteiten, die zijne organen zijn, om waarheid te zoeken. Bij anderen echter kwam sterk uit, dat men den band met den Staat voor de Universiteiten liefst zwakker zag. Eigenlijk schijnen de neigingen ook onder de. vrijzinnigen wel uit te gaan naar Universiteiten als zelfstandige corporatiën. Maar vooralsnog laten zich vrije Uni versiteiten feitelijk niet anders denken dan op bepaalden grondslag, gebonden aan eene marschroute, zooals Q. N. in het Handelsblad schrijft. En daarin steekt het bezwaar, want wetenschap eischt vrijheid. Sommigen zijn nog wel, zij het ook schoorvoetende, bereid toe te geven, dat wetenschap met het geloof aan eene Godsopenbaring niet onvereenigbaar is, mits echter vrijheid besta, zonder nadeel ook dat geloof weer los te laten, men in zijne uitkomsten niet gebonden zij. In verband waarmee op het heengaan van Jhr. Mr. A. F. de Savornin Loh man gewezen wordt, omdat diens uitkomsten, zoo heet het dan, niet strookten met de inzichten van de vrienden der V. U.

Naar die opvatting zou men zich de echte mannen van wetenschap moeten denken als waaiheidvorschers, die in het minst niet weten waar zij zullen aankomen; misschien heden gematigd-vrijzinnig, morgen socialist, overmorgen Roomsch of Gereformeerd. Het zou dan zoo vreemd niet wezen, als Prof. Bolland weer terugging naar den Paus; Prov. V. d. Vlugt antirevolutionair werd; de geheele theologische faculteit te Leiden Gereformeerd enz. Toch leeft feitelijk ieder in de verwachting, dat de richting der hoogleeraren zoo ongeveer dezelfde blijft. Met berekening van de marschroute wordt de een genomen, en de ander geweerd. Zonder eenige onderteekening weet men ongeveer hetzelfde te bereiken als waar die gevraagd wordt. Eu waren bij z.g. vrij onderzoek groote overgangen te wachten, dat zou het met dat onderzoek aan de openbare Universiteiten vrij slecht schijnen te staan, want van dergelijke overgangen hoort men weinig. 01 zegt het allicht veel, dat Prof. Treub, vroeger radicaal, nu heet vrijzinnig-democraat? De belangrijkste wijzigingen bestaan in zeker assimileeren aan de omgeving, gelijk Mr. Cort v. d. Linden, die met vrijheidszin optrad, tot gewoon vrijzinnig verkleurde, en — de geloovige professoren allengs minder van de scherpe tegenstelling met hunne ongeloovige ambtgenooten laten bespeuren. Trouwens Q. N. heeft ook erkend, dat op wat rijper leeftijd veel verandering niet te wachten is.

En Mr. Lohman is waarlijk niet heengegaan om zijne uitkomsten. De Commissie van enquête heeft veeleer verklaard uit enkele uitkomsten en oordeelvellingen moeilijk met zekerheid te durven concludeeren tot het niet Gereformeerde van des hoogleeraars onderricht. Maar toen deze zelve zijne opvattingen van standpunt en methode nader vrijwillig had uiteengezet, achtte de Commissie zich tot de uitspraak gerechtigd dat op dat standpunt „de gereformeerde beginselen naar den eisch van art. 2 der statuten als grondslag van . . . onderwijs niet tot hun recht komen." Niets dus van eene gebondenheid aan zekere resultaten. En later heeft Mr. Lohman in De Waarheid bovenal uitgesproken, dat hij voor eene universiteit eiken grondslag afkeurt; zelfs als zoodanig de Heilige Schrift zonder nadere bepaling. En waar dus toch later van zeer principieele breuk bleek, die niet op eens is gekomen, — had toch de Commissie van enquête bezwaar op grond van de uitkomsten te concludeeren tot eene verkeerde grondrichting. En zoo is juist uit die geschiedenis gebleken, hoe moeilijk het zou zijn om iemand, die het er op gezet had om te blijven, op grond van zijne uitkomsten als ongereformeerd te verwijderen.

Ja, tegenover wie nog steeds de tegenstelling maken, van de vrijheid van wetenschap aan de openbare, en de gebondenheid aan Vrije Universiteiten, is niet overbodig de herinnering aan wat Mr. Cort van der Linden schreef op bl. 12/13 van De wet van het recht, volgens wien de Vrije Universiteit juist bewijs is, dat de vrijheid van wetenschap wint. Trouwens bij de diepgaande breuken in de beginselen, is het stelsel van openbare Universiteiten op den duur moeielijk houdbaar. Of zal men waarlijk straks ook verdedigers van Mr. Troelstra's twee-beloftenleer aan de openbare Universiteiten als hoogleeraar zien?

Evenwel dient de mogelijkheid erkend te worden, dat aan een Universiteit met bepaalden grondslag een hoogleeraar van dien grondslag geheel afgaat, en dus niet blijven kan. Maar is hij daarom middelerwijl niet vrij ? Het Synodale genootschap moge alle leer toelaten, maar in eene Kerk zijn de predikanten aan de leer gebonden. Zijn zij daarom onvrij? Als Mr. Van der Vlugt van liberaal werd antirevolutionair, zouden de vrijzinnigen over twee jaar hem niet herkiezen. Is daarom Mr. Van der Vlugt aan eene marschroute gebonden?

Ook afgezien van de vrijheid van wetenschap, hebben sommigen in den laatsten tijd Vrije Universiteiten met bepaalden grondslag niet wenschelijk gekeurd. Doch hiermee komt men eigenlijk eene halve eeuw te laat, en bij ons aan het verkeerde adres. De Vrije Universiteit is minder ons werk, dan dat der Vrijzinnigen. Nu zegt men, dat aan de openbare Universiteiten ook voor Gereformeerden plaats is, maar den tijd om dat te toonen, liet men voorbijgaan. Thans is toch niet van de Gereformeerden te eischen, dat zij de Vrije Universiteit weer zullen afbre ken. Hoe ware dat ook mogelijk? Allengs de hoogleeraren overpoten? Veeleer moet men op den tegenovergestelden ontwikkelingsgang rekenen, te weten, dat als er aan eene openbare Universiteit eens een Gereformeerd hoogleeraar kwam — deze na niet te langen tijd naar de Vrije Universiteit verhuizen zou. Met het jaar 1880 schijnt zelfs de mogelijkheid voor de openbare Universiteiten afgesneden om op het stelsel van uitsluiting naar den Gereformeerden kant terug te komen.

Op de Vrije Universiteit stellen wij prijs, ook omdat door het vereenigd arbeiden van de hoogleeraren de kracht wordt verhoogd. Ons lachen de bijzondere leerstoelen aan de openbare Universiteiten ook niet toe. Anderen wachten daarvan wèl heil. Terecht opende de Regeering dan ook mogelijkheid daartoe. En onbillijk is het verwijt, dat de Minister, in strijd met zijn verleden, hier „elck wat wils" geboden heeft. Is dan het verleden des Ministers geweest om wat hij voor zichzelf begeerde, pok anderen op te dringen ? Dat is juist der vrijzinnigen trant. Het stelsel van bijzondere leerstoelen wenschen wij niet, ook omdat wij daarvan verbrokkeling van geest bij de hoorders duchten, en wellicht toch door een oi twee hoogleeraren niet voldoende tegenwicht tegen een gansche faculteit geboden wordt. En het belang van het doordringen van eene geheele faculteit met hetzelfde beginsel wordt ook blijkens de praktijk door den tegenstander gevoeld.

Voorts bedenke men, dat zelfstandig de kwestie van vrije Universiteiten eigenlijk thans niet aan de orde is. Te haren aanzien is nu alleen de vraag, of aan hare diploma's dezelfde rechtsgevolgen verbonden zullen zijn als aan die van de openbare Universiteiten. Hadden deze diploma's geen bijzondere gevolgen, dan was er voor het aanhangige wetsvoorstel in dit opzicht zelfs geen reden. Welke zijn nu die gevolgen ? Betrekkelijk beteekenen zij weinig, en bestaan zij in de mogelijkheid om tot een betrekking benoemd te worden en een beroep uit te oefenen. Moet nu zelfs die mogelijkheid alleen aan diploma's der openbare Universiteiten gebonden blijven ? Q. N. tracht de eigenlijke kwestie te verschuiven door schier uitsluitend over de eischen van de beoefening der wetenschap te spreken.

Men bedenke intusschen, dat die z.g. effectus civilis volstrekt niet principieel met den doctoralen graad samenhangt; slechts om practische redenen daaraan is vastgehecht.

Hoe heeft de Regeering daarbij te werk te gaan ?

Mag de Regeering voor de opleiding tot staatsbetrekkingen allen eisch stellen, b. v. dat voortaan alleen wie te Leiden studeeren, benoembaar zullen zijn ?

Op het standpunt van het staatsabsolutisme mag dit. Maar toch gaat het niet. De staatsbetrekkingen zijn niet particulier bezit van den Staat, De Staat is niet een wezen buiten alle verband met het volk. In zekeren zin hebben de burgers in het algemeen recht op het vervullen van de betrekkingen. De Staat mag den toegang daartoe niet enger-maken dan onmiddellijk uit die betrekkingen volgt. Wat nog te meer klemt, omdat de Regeering toch nooit verplicht is iemand, dien zij, trots zijn diploma, ongeschikt acht, te benoemen. Tegen een binden van den effectus civilis aan de diploma's der openbare Universiteiten, kan slechts dan geen bezwaar zijn, als die Universiteiten zich werkelijk bij het volksleven aansluiten. Maar zijn er naast de Hoogescholen, die uitgaan van het publiek gezag, andere die voortkomen uit het volk, dan moeten de laatsten in dezen eigenlijk vóórgaan. Laat de Regeering ernstige waarborgen eischen, dat de diploma's niet zonder waarde zijn, — principieel gaan in deze de Volks-Hoogescholen vóór bij de Staats-Hoogescholen. Want ook de staatsdienst is volksleven. Wie zelfs in beginsel niet van effectus civilis voor de diploma's der Vrije Universiteit wil weten, huldigt een staats absolutisme, in strijd met een vrij volksleven en eene gezonde staatsontwikkeling. De uitweg van dubbel examen kan op den duur niet voldoen. Het verzwaart onnoodig, en schrikt waarschijnlijk ook af. Nu wordt gezegd, dat de eisch van 3 professoren in een faculteit onvoldoende is. Maar hier is weder een verschuiving van de quaestie.

Zeker is een drietal professoren niet genoeg voor de volledige beoefening van de wetenschap in eene faculteit. Maar hier is het er slechts om te doen, of 3 professoren in staat zijn te beoordeelen of een student kundig genoeg is om den doctoralen graad deelachtig te worden. En dat kan toch moeielijk betwist worden. Ook zegt Q N., dat het voor den student geen verschil mag maken, of hij al dan niet de colleges heeft gevolgd; maar daaruit volg"; dan ook, dat voor de waarde der diploma's niet gelet moet worden op het aantal colleges, dat kan bijgewoond worden, terwijl het bijwonen toch onnoodig is. Waarop het aankomt, is het getal hoogleeraren, dat in staat is over een student te oordeelen. De eisch van de Regeering, dat college gegeven moet worden in alle vakken, waarin wordt geëxamineerd, is dan ook niet ten volle gemotiveerd.

Overigens kan niet gezegd worden, dat aan de vrije Universiteiten te drukkende voorwaarden worden opgelegd. Wellicht meent iemand, dat van opleggen geen sprake is, wijl de vrije Universiteiten niet verplicht worden aan de voorwaarden te voldoen, als zij maar van den effectus civilis willen afzien. Toch gaat dit niet op, wijl het hier niet om een gicnst, maar om een recht is te doen.

Ook bevat dit wetsontwerp niets, wat voor vrijzinnigen onaannemelijk is, gelijk dan ook het Sociaal Weekblad zich geheel er voor verklaart.

Nochtans kan niet gezegd worden dat dit wetsontwerp alles geeft, wat gewenscht mag worden.

Ten eerste ontbreekt zelfs alle perspectief hoe de Regeering zich op den duur de verhouding van den Staat tot de Universiteiten denkt. Het gaat toch niet aan, dat de openbare Universiteiten zullen blijven voor de ongeloovige wetenschap, en dat de wetenschap daar anders zal worden, laat zich moeielijk denken.

Voorts ware een stap in de goede richting geweest als ware voorgesteld afschaffing der theologische faculteiten. Voor theologische faculteiten, die van de Regeering uitgaan, terwijl die faculteiten feitelijk slechts voor bepaalde kerkelijke formatieën dienst doen, — is geen plaats.

Eindelijk is het eene teleurstelling, dat, waar de Regeering jaarlijks voor de openbare universiteiten uitgeeft ruim 1I/2 millioen, en nog bijdragen worden gegeven aan kerkgenootschappen voor hooger onderwijs, aan de vrije Universiteiten alle subsidie voor hooger onderwijs onthouden blijft.

Wij kunnen dus niet zeggen door dit wetsontwerjj voldaan te zijn. Maar het niet-voldaan behoeft toch het dankbaar niet uit te sluiten. Openbare zich dan de dankbaarheid straks in vermeerderde liefde en hartelijker toewijding, opdat wij althans doen wat wij kunnen om de Vrije Universiteit te brengen tot grooteren bloei en normale ontwikkeling!

De rede van Prof. Fabius vond warme toejuiching.

De heer Van Alphen dankt alsnu den ^oogleeraar voor zijn referaat, waarvan hij de publiceering van hoog belang acht. Spreker verzoekt het stuk alsnog in het licht te geven, ook met het oog op de behandeling der wet in de Tweede Kamer.

De heer Ds. J. C. Sikkel vraagt of er geen gelegenheid is, over dit zoo belangrijke referaat van gedachten te wisselen.

De Voorzitter merkt op, dat de tijd voor de morgenvergadering ruim verstreken is, en gedachtenwisseling niet meer kan plaats hebben.

De heer P. D. de Ruyter verzoekt aan het bestuur, maatregelen te willen nemen, om in 't vervolg over zulke onderwerpen gedachtenwisseling mogelijk te maken en Ds. Sikkel vraagt, of het dan niet de bedoeling van het bestuur is geweest, debat over dit onderwerp uit te lokken.

De Voorzitter zegt, dat dit inderdaad de bedoeling was, en herinnert hoe hij dezen morgen tot kortheid bij verschillende sprekers heeft aangemaand, met het oog juist op een vruchtbaar debat over deze quaestie.

Medegedeeld wordt alsnu, dat de heer Th. Ruys Gz., met 51 stemmen is gekozen tot lid van het bestuur; op den heer D. Schut waren 8 stemmen uitgebracht. Tot leden der commissie voor het nazien der rekening zijn gekozen de heeren Grosheide, Van Schaick en Weisz.

Daarna wordt de jaarvergadering door Ds, Reuyl met dankzegging gesloten.

DE MEETING.

Te ruim twee ure stroomde de zaal al weer vol. Was het des morgens warm, des middags niet minder; doch de bezoekers onzer Jaarvergadering waren stoelvast.

De Voorzitter, Prof. H. H. Kuyper, opende de meeting en gaf daarna het woord aan Prof. H. Bavinck

Prof, Bavinck leidde het onderwerp in: „De ontwikkeling der hedendaagsche maatschappij, in hare beteekenis voor de Christelijke wetenschap, " en zeide in hoofdzaak het volgende:

Het eigenaardige van Karl Marx, den vader der sociaal democratie, is o. a. ook hierin gelegen, dat hij een verbond heeft trachten te sluiten tusschen het lijdend en het denketid deel der menschheid. Door de wetenschap te huwen aan het proletariaat, heeft hij beide aan eene sociale hervorming zoeken dienstbaar te maken. Of hem dit gelukt is, is eene andere vraag. Maar hij heeft toch de aandacht geves tigd op een verband van maatschappij en we tenschap, dat ook onzerzijds de opmerkzaamheid verdient.

Door maatschappij verstaat men in het algemeen eene groep van menschen, die zekere belangen met elkander gemeen hebben, en in de behartiging daarvan samenstemmen. Zulk eene maatschappij kan gevormd worden door afspraak en verdrag, zooals bijv. eene maatschappij van letterkunde, van weldadigheid, van levensverzekering; maar zij kan ook van nature, door onderlinge levenverhoudingen, door geboorte en geschiedenis tot stand komen. Dan is ze geen kunstmatige, juridische, maar eene organische, sociale eenheid. Aan den ingang der geschiedenis van het menschelijk geslacht staat immers ook het woord geschreven: „Het is niet goed, dat de mensch alleen zij." En dit woord woidt bevestigd van geslacht tot geslacht.

Maar deze organische gemeenschap, die tusschen menschen bestaat, kan zich weer naar verschillende zijden ontwikkelen. Wanneer zij optreedt ter handhaving, ontplooiing en bescher ming van het volksbestaan, draagt zij den naam van staat. Als zij strekt tot het aanroepen en uitroepen van den Naam des Heeren, heet zij ^^r/i. Tusschen die beide in openbaart zich het gemeenschapsleven der menschen echter ook nog in taal, godsdienst, zeden, recht, wetenschap, kunst, handel, nijverheid, standen, klassen enz. En hierop hebben we vooral het oog, als wij spreken van maatschappij.

Het begrip van de maatschappij in dezen zin kan dan nog weer enger en ruimer worden geno men. Sommigen denken daarbij alleen aan het saamleven der menschen, voorzoover het de behartiging van stoffelijke belangen bedoelt. Maar deze opvatting scheidt, wat in het begrip der maatschappij moeilijk te scheiden valt. Zooals ziel en lichaam, hangen geestelijke en stoffelijke belangen ten nauwste saam. De maatschappij is er volstrekt niet alleen, en zelfs niet in de eerste plaats, om stoffelijke goederen voort te brengen, maar zij strekt ook en voornamelijk, om het koninkrijk Gods en zijne gerechtigheid te zoeken. Onder maatschappij verstaan wij daarom ook dat door God gewilde gemeenschapsleven der mensehen, dat op de uitwisseling der verschillendste gaven en diensten berust en dienvolgens de voortbrenging, de verdeeling en de genieting van allerlei geestelijke en stoffelijke goederen zich ten doel stelt.

De maatschappij in dezen zin kan eene vondst, eene ontdekking van den nieuvveren tijd worden genoemd. Eerst zeer langzaam is het oog ervoor ontsloten, dat het gemeenschapsleven van een volk volstrekt niet in staat en kerk opgaat. En de oorzaak daarvan is hierin gelegen, dat de maatschappij zelve langzamerhad ontstaan is en product is van eene eeuwenlange geschiedenis. Bij de oude volken komt ze nog niet voor. Eerstin de Middeleeuwen heeft zij zich, ongetwijfeld ook onder inwerking der Christelijke ideeën gevormd en in de laat ste eeuw is haar ontwikkeling met reuzenschreden vooruitgegaan. Staat en kerk zijn min of meer teruggeweken, aller oog is op de ontwikkeling der maatschappij gericht. Deze ontwikkeling kenmerkt zich in onzen tijd vooral hierdoor, dat de arbeid, genomen in den ruimsten zin. zich eindeloos differenciëeert en specialiseert. In vroeger tijd vormde ieder huisgezin tot zekere hoogte eene gesloten eenheid. Het voorzag in eigen behoefte. Maar alle werkzaamheden, die direct of indirect dienen, om in 's menschen levensondeihoud te voorzien, zijn langzamerhand tot eigen bedrijven geworden, zooals het schoen-en het kleermaken, het timmeren en metselen, het bakken en slachten enz. En dat niet alleen, maar ieder van die bedrijven splitst zich weer in vele takken; er zijn aparte kleermakers voor heeren en dames, voor boeren en burgers, voor rokken en vesten, voor gala en wandelcostuum. Zoo is het in het stoffelijke, zoo is het ook in het geestelijke. De encyclopaedische geleerden worden door specialiteiten vervangen. Er zijn doctoraten in verschillende groepen van wetenschappen. Klasseleeraars maken voor vakleeraars plaats.

Gevolg van deze specialiseering der bedrijven is de immer grooter wordende scheiding van producenten en consumenten, tusschen wie dan noodzakelijkerwijze de koopman als middelaar optreedt, om de goederen op te koopen, zoo snel mogelijk te verplaatsen en zoo duur mogelijk te verkoopen. In dezen weg is er nu eene organisatie van schier heel de menschheid tot stand gekomen, welke ieder, die haar indenkt, met verbazing vervult en de vraag doet opkomen, waar dit alles op uit loepen moet. Zonder twijfel is de vrijheid van alle standen en klassen der maatschappij toegenomen, maar aan de andere zijde heeft de persoonlijke afhankelijkheid, die vroeger bestond, voor eene steeds zich uitbreidende sociale afhankelijkheid plaats gemaakt. De socialiseering der maatschappij zet zich voort van dag tot dag.

Met de maatschappij en met de idee der maatschappij is daarom langzamerhand eene bijzondere wetenschap opgekomen, die den naam van sociologie heeft verkregen en de studie van de maatschappij en van hare verschijnselen zich ten doel stelt. Aanvankelijk werd deze vooral ter hand genomen, om aan de historie de kennis te ontleenen, hoe deze maatschappij zich in de toekomst ontwikkelen zou en ontwikkelen moest. En Comte en Marx beiden hebben op grond van hunne studie van de maatschappij beproefd, voorspellingen aangaande hare toekomstige ontwikkeling te doen.

Het valt echter gemakkelijk in te zien, dat eene wetenschap, en allerminst die van de maatschappij, aan zulke hooggespannen verwachtingen kan voldoen. En al zou men — des neen — uit de kennis van het verleden en het heden eenigermate tot de toekomst kunnen besluiten, daarmede ontvangen wij toch nog nooit de norma, waarnaar de maatschappij zich behoort te ontwikkelen. Natuurwet en redewet zijn twee. De empirische, historische wetenschap leert ons alleen wat is, en ten deele, I wat moet zijn, maar niet, wat behoort te zijn.

Daarom is er eene andere dan de positivistische, D.l. de Christelijke wetenschap noodig, ook om de maatschappij en hare verschijnselen te bestudeeren. De maatschappij roept als het ware om de Christelijke wetenschap. En het is niet toevallig, dat tot de tegenwoordige ontwikkeling der maatschappij ook behoort de herleving en aanvankelijke bloei der Christelijke wetenschap. Tusschen beide bestaat een innig verband. En aan de positivistische wetenschap zij het aanbevolen, ook met dit verschijnsel in de ontwikkeling der maatschappij rekening te houden.

Er spreekt zich n.l. in uit, dat de positivis tische wetenschap niet in staat is, om de maat schappij, ook in hare tegenwoordige ontwikkeling te verstaan en te verklaren. En dat is ook goed te begrijpen, want het positivisme maakt alles athée, God loos, den staat, de wetenschap, de kunst en ook de maatschappij. De godsdienst' mag hoogstens blijven eene particuliere liefhebberij. Maar' zoo sprekende en handelende, slaat het positivisme lijnrecht tegen de werkelijkheid over. Dit is toch haast voor geen tegenspraak vatbaar, dat noch staat noch maatschappij zon der godsdienst en zedelijkheid bestaan kunnen Beide zijn op religieuse en ethische grondslagen gebouwd.

Terwijl dus de positivistische wetenschap, de maatschappij bestudeerende, aan het voorwerp van haar onderzoek geweld aandoet, het niet neemt zooals het zich geeft maar van te voren dwingt in een wijsgeerig systeem, is het de Christelijke wetenschap, die met die maat schajipij op dezelfde godsdienstige en zedelijke grondslagen zich stelt, en dus haar onbevangen bestudeeren, verstaan, begrijpen kan. En dat is geen ViTonder, want het is dezelfde God, die èn het rijk der natuur èn dat der genade schiep, die maatschappij en wetenschap voor elkander bestemde, en in de Christelijke wetenschap de gegevens schonk, om de onder zijne voorzienigheid tot stand komende maatschappij te verklaren en overeenkomstig zijn wil en wet ook verder te leiden.

Ook voor die verdere leiding ontbreekt het der Christelijke wetenschap aan de gegevens niet. Want terwijl de hedendaagsche wetenschap, vanwege het gemis aan vaste regelen, er bijna altijd op uit is, om de maatschappij in den staat of den staat in de maatschappij te doen opgaan, ziet de Christelijke wetenschap in de maatschappij een zelfstandigen levenskring, eene groep van zelfstandige levenskringen, elk met eigen aard, wet en doel. Zij is daardoor alleen in staat, om de maatschappij te handhaven en verder te leileiden. Conservatief is zij daarbij in geenen deele behoef: en behoort zij ook niet te zijn. Want het Woord Gods, dat haar licht en richtsnoer is, is eeuwig van kracht, en daarom voor alle volken en toestanden geschikt. Het Christendom is katholiek in den echten zin des woords. En daarom is de Christelijke v/etenschap nooit eng hartig aan een bepaalden vorm of toestand ge bonden, mits de ingeschapen natuur en levenswet der dingen, in overeenstemming ook met het Woord Gods, maar gehandhaafd blijve.

Op dit laatste kan en mag de Christelijke wetenschap in den tegenwoordigen tijd nadruk leggen, wijl de steeds voortgaande socialiseering der maatschappij, volgens bijna aller overtuiging, behalve die van de socialisten, hare eigenaardige bezwaren en gevaren medebrengt. Naarmate de productie en verdeeling der goederen eene zaak van de gemeenschap wordt in stad of staat, neemt het persoonlijke in de onderlinge verhoudingen, in de dienstbetrekking, in den arbeid af. Daarmede loepen de godsdienst, de moraal, de karaktersterkte, het gevoel van eigenwaarde, de vrijheid enz. gevaar, hoe langer hoe meer hare beteekenis te verliezen. En toch, deze goederen kan de mensch, kan de maatschappij, kan de menschheid niet ontberen. De tegenwoordig heerschende stem ming is er een bewijs van. In weerwil van onmiskenbaren, stoffelijken vooruitgang is er geen tevredenheid, maar onvrede, klacht alom. Voor deze geestelijke goederen behoort de Christelijke wetenschap daarom op de eerste plaats in de bres te staan. Hunne beteekenis moet zij voor heel de maatschappij in het licht stellen. Hunne waarde moet zij in de schatting der menschen weer doen rijzen. Want het woord der Schrift bevestigt zich van eeuw tot eeuw en van jaar tot jaar, dat het een mensch niets baat, of hij de gansche wereld gewint, indien hij zijner ziele schade lijdt.

De Voorzitter opent nu de gelegenheid tot debat, en noodigt ook tegenstanders uit om den referent te bestrijden.

Prof. Geesink vraagt allereerst het woord; niet als tegenstander maar als geestverwant. Met groote belangstelling heeft hij het keurig referaat gehoord, doch hij zou gaarne van den inleider willen weten, wat deze verstaat onder het doel der wetenschap. Heeft zij, naar spre kers meening, iets anders te doen dan het onderzoeken en constateeren der feiten in het maatschappelijk leven ?

Prof. Biesterveld v/enscht de vraag te stellen of de Christelijke wetenschap, met het oog op de maatschappelijke toestanden, een taak heeft op sociologisch gebied, en hoe die taak dient omschreven. 'Wel is hem den arbeid der sociologie duidelijk, maar de theologie, de rechtsgeleerdheid, de letterkunde enz., hebben die op dit gebied niet mede een roeping?

Prof Rutgers heeft tal van vragen, want het veld, waarop de inleider ons omvoerde, is onmetelijk groot. Toch zal hij zich tot een enkele vraag bepalen, en wenscht dan gedefinieerd te zien wat men onder ontwikkeling heeft te verstaan. Is dat uitbreiding van werkzaamheid en van levensfunctiën, of begrijpt men daaronder het langzamerhand te voorschijn komen van wat in kiem, ai: hter allerlei windselen verborgen, reeds bestond?

Voorts wenscht spreker op te merken, dat men bij de sociologie niet kan te werk gaan als bij natuuikundige studiën, doch dat we er mee te rekenen hebben, dat de bouwstoffen, waaruit de maatschappij is saamgesteld, tiienschen zijn, die maar niet als levenlooze voorwerpen te schikken en te plaatsen zijn, doch met wier wil, neiging, opvatting moet worden rekening gehouden.

En evenzeer dient men er rekening meê te houden, dat de ontwikkeling der maatschappij geen normale is. De verhoudingen zijn door de zonde ontwricht, scheef getrokken; menigmaal is er niet van vooruitgang, maar van teruggang sprake. Ook hieromtrent zou hij gaarne van den inleider nog wat nadere toelichting ontvangen.

De heer Jongejan wil, als oud onderwijzer, een enkel woord zeggen over het lager onderwijs, waarin hij geen vooruitgang kan bespeuren. Voorheen waren de kindereu op de hoogte b.v. van de Tien Geboden; thans munten ze uit in merkwaardige wetskennis. Ze weten dat de meester niet slaan mag op school, dat de veld wachter hun niets maken kan. Kan hier sprake zijn van ontwikkeling, 't is dan toch een avei^chtiche. Als voorbeeld haalt spreker zeker „Karelije", aan die uitnemend wel wist dat de veldwachter hem niet slaan m.ocht. Toen de knaap het eenmaal erg bont maakte en van de ordebewaarder een klap opliep, beantwoordde ij deze kastijding met de opmerking, dat hij proces-verbaal zou opmaken tegen den man der wet.

Voorts hoopte hij dat Prof. Bavinck ook eens een referaat zou houden over paedagogiek.

Niemand meer het woord verlangende ontving Prof. Bavinck gelegenheid om te repliceeren. Spreker herinnert, dal hij in zijn referaat slechts enkele denkbeelden heeft willen neerleggen, om daarop de aandacht te vestigen. Met Prof. Geesink is hij het eens, dat de wetenschap de verschijnselen heefi te onderzoeken en de feiten vast te stellen; doch zij kan dwa len, verkeerd construeeren, een veikeerd ver band leggen. Vooral op maatschappelijk gebied kan dit voorkomen, waar de verschijnselen zeer gecompliceerd zijn. Daartoe is haar dan ook het licht van Gods Woord onmisbaar.

Aan Prof Biesterveld antwoordt hij, dat niet alleen de sociologie met de maatschappelijke verschijnselen iu aanraking komt; dat doet heel de wetenschap. Spreker acht de vraag nog niet beslist, (f de sociologie eene zelfstandige wetenschap is, en betreurt het gemis van een Christelijke Ethiek. Wij weten niet hoe ie leven; over allerlei vraagstukken van sociaal belang verschillen wij van meening, en we moeten tot eenheid komen.

En wat nu de opmerking van Prof. Rutgers betreft, onder ontwikkeling verstaat spreker het tot openbaring komen van wat in kern, in windselen reeds aanwezig is, maar meê door inwerking van invloeden van buiten. De eikel wordt geen boom, als hij niet aan de aarde wordt toevertrouwd, als niet zonneschijn en regen, en allerlei invloed van buiten hem tot volkomen ontwikkeling brengen. Natuurlijk dient rekening te worden gehouden met den mensch als bouwstof der maatschappij, met den mensch als zinnelijk en zedelijk wezen; dient rekening te worden gehouden met het feit der zonde, die alle verhoudingen scheef trekt, en die de ontwikkeling der maatschappelijke toestanden niet normaal doet zijn.

Ten slotte ('ankt de referent den heer Jongejan voor diens opmerkingen; hij acht het mede een averechtsche ontwikkeling, wanneer de jeugd in zekere wetskennis uitmunt, maar vreemd blijft aan wat zij het meest noodig heeft. Uit het optreden van den heer Jongejan op deze vergadering blijkt dat hier bestaat een band tusschen het hooger en het lager onderwijs, een band die niet kan worden gemist. De heer Jongejan heeft de vraag gesteld wat men onder ontwikkeling op onderwijs gebied te verstaan hebbe, welnu het stellen van vragen als deze uit te lokken is juist de bedoeling van den referent geweest; eerst goed de vragen kennen, dan kan pas aan de beantwoording worden begonnen.

Ónder het applaus der vergadering, brengt de Voorzitter dank aan den inleider, voor het door dezen geleverd betoog, dat in zoo hooge mate de belangstellende instemming van de vergadering mocht verwerven.

De Voorzitter deelt verder mede, dat in de morgenvergadering tijd te kort was om melding te maken van het volgend schrijven van Prof Dr. J. Woltjer:

Aan den Voorzitter der vergadering van de Vereeniging voor Hooger Onderwijs te Dordrecht.

„Tot mijn spijt is het mij niet vergund, morgen de vergadering der Vereeniging voor Hooger Onderwijs op Geref. grondslag bij te wonen, daar ik als gecommitteerde der Regeering bij de eindexamens der Gymnasia moet zijn. Van harte wensch ik aan de vergadering den zegen des Heeren in ruime mate toe op haren arbeid, en aan alle broederen en zusteren een gezellig samenzijn.

Amsterdam, Juni 1903."

Voorts is ingekomen een telegram, luidende als volgt:

„Kamerzitting verhindert mij tot mijn leedwezen vergadering bij te wonen. Mijne hartelijkste zegenwenschen.

HEEMSKERK."

En eindelijk het volgende telegram:

„Tot ons leedwezen door kamerzitting verhinderd de jaarvergadering der Vereeniging voor Hooger Onderwijs bij te wonen. Moge Gods zegen op uwe beraadslaging en besluiten rusten, tot meerderen bloei der Vrije Universiteit.

W. g. door de heeren: Krap, Brummelkfmp, De Waal Malefijt, v. d. Velde, De Ridder, Van Vliet, Sluis, Brants, Van Löben Sels en Diiymaer van Iwi& t.

Eindelijk leest de Voorzitter voor het ant woord dat H. M. de Koningin zond:

„Hare Majesteit draagt mij op hartelijk te bedanken voor huldeblijk en zegenbede.

Adjudant van dienst, SCHIMMELPENNINCK."

De Voorzitter spreekt alsnu een kort slotwoord. Hij dankt allen hartelijk voor de wijie waarop zij hem het leiden dezer vergadering hebben gemakkelijk gemaakt, en tot het welslagen van deze Jaarvergadering hebben medegewerkt. Moge bij den terugkeer naar onze woningen van deze Jaarvergadering een vrucht worden medegenomen; ga van haar een goede reuke uit en zij het ons gegeven, in het nieuwe jaar dat we intreden, onze geliefde Vrije Universiteit te zien in de volle erkenning harer rechten. Ruste Gods zegen op deze Vereeniging, haar Stichting. Discipelen en Hoogleeraren en op allen die haar besturen.

Daarmede was de meeting gesloten.

En nu was wel de Jaarvergadering geëindigd, maar op de jaarvergadering volgt altijd de gemeenschappelijke maaltijd; wel valt die buiten het bestek van den verslaggever, maar geheel van dezen broederlijken disch zwijgen mag toch niet. Men was in het hotel Ponsen bijeen, en daar werd menig goed woord gesproken. Aan tafel waren ook enkele antirevolutionaire kamerleden uit Den Haag overgekomen, en óók de Minis ter van Koloniën, de heer Idenburg, aan wien een dronk werd gewijd en die daarop met een toespraak antwoordde, welke vol was van liefde voor onze Vrije Universiteit, en die met teeke nen van hartelijke instemming werd beantwoord.

Doch meer van dezen disch zeggen we niet.

Hij was een waardig besluit van een schoenen dag, waarop onze Vereeniging opnieuw getoond heeft, dat het haar gaat om de beoefening der Christelijke wetenschap, en dat zij op dat terrein sterk staat.

Moge zij in kracht toenemen, bloeie haai Stichting, onze vrije school der wetenschappen, en bedauwe Gods zegen den arbeid der Hoog leeraren, opdat de vrucht van hun v/erk worde gezien tot in verre geslachten.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 12 juli 1903

De Heraut | 4 Pagina's

Drie en twintigste JAARLIJKSCHE SAMENKOMST VAN DE Vereeniging voor Hooger Onderwijs

Bekijk de hele uitgave van zondag 12 juli 1903

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken