Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Van ’s Neeren Ordinantiën.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Van ’s Neeren Ordinantiën.

16 minuten leestijd

LXXXII.

DERDE REEKS.

'sHeeren ordfnantiën In de natuur.

DERDE DEEL.

VII.

Want g', mijne ziel! hoort het geluid der bazuin en het krijgsgesch: •'. Jeremia 4 : 19a.

Na ons onderzoek omtrent 'sHeeren ordinantiën voor het ontstaan der menschelijke ziel, waaruit wij getracht h-ibben tot kennis te komen van haar wezen, gaan wij thans over tot het onderzoek naar de ordinantiën des Heeren voor het leven der menschelijke ziel in haar vereeniging met het lichaam.

Nog eenmaal zij herinnerd, dat de hier bedoelde vaste ordeningen voor de verrichtingen van het menschelijk zieleleven, dat is van een leven dat bestaat in de eenheid van een stoffelijk lichaam en een geestelijke ziel, het karakter dragen van natuurwetten, m. a. w. niet van wetten, die door 'n mensch hehooren te worden gedaan, maar waarnaar, ondsr zekere omstandigheden, altijd en overal die verrichtingen met innerlijke noodzakelijkheid gebeuren.

In het eene, ongedeelde leven van 'n mensch hier op aarde, onderscheidt men drieërlei verrichtingen.

Zulke, die hij met de planten, zulke, die hij met de dieren gemeen heeft en zulke die hem alleen eigen zijn.

Wijl de ziel de grond is van de levensverschijnselen, zoo gaat geen dezer verrichtingen buiten haar om, maar ook komt geen enkel menschelijk levensverschijnsel tot stand, zonder dat het lichaam, als het orgaan, het werktuig der ziel, daarbij zijn diensten verricht.

Met dit al mogen wij toch ook weer een tweede onderscheiding maken, en wel die tusschen zulke verschijnselen, waarbij meer het lichaam, en zulke, waarbij meer de ziel op den voorgrond treedt.

Alleen met de laatste hebben wij ons hier bezig te houden.

Alzoo gaat het thans niet meer, gelijk vroeger, toen wij in ons eerste deel van 'sHeeren ordinantiën in de natuur, die voor de stoffelijke wereld onderzochten, om de vaste ordeningen voor: de voeding — waarbij dan tevens aan spijsvertering en ademhalen, bloedsomloop en afscheiding moet gedacht — en voor de voortplanting, en voor de willekeurige beweginfj — maar hier in ons derde deel van 'sHeeren ordinantiën in de natuur, waarin wij die voor de stoffelijk-geestelijke wereld onderzoeken, gaat het om de zielsverschijnselen in enger zin, om gewaarworden en gevoelen, voorstellen en begeeren, denken en willen.

Op grond van deze tweede onderscheiding nu spreken wij van lichamelijke en psychische verschijnselen, dit laatste naar het Grieksche woord voor ziel, psyche.

Bestaat er, waarop wij vroeger reeds wezen, een , ^, wisselwerking" tusschen lichaam en ziel, m. a. w. een werking van de ziel op het lichaam en van het lichaam op de ziel, — hoewel dit feit zelf onverklaard is, zooveel is wel zeker, dat daarbij een groote plaats moet toegekend aan de zenuwen, die als fijne draden door het geheele lichaam loopen.

Wij hebben vroeger reeds gezien, hoe men bij de hooger ontwikkelde dieren, en ook bij den mensch, onderscheidt tusschen een tweeërlei zenuwstelsel, en wel het vegetatieve en het animale.

Hét eerste, ook wel het sympathische genoemd, bestaat uit twee afzonderlijke strengen, die voor de ruggegraat in de borst-en de buikholte liggen. Van deze twee strengen gaan dan vertakkingen uit naar de bloedvaten, het hart, de longen, nieren, maag en darmen, en dus naar die organen, welke dienst doen voor de „vegetatieve" levensverrichtingen.

Het tweede of animale zenuwstelsel, met zijn gevoels-en beweeg-zenuwen, onderscheidt men als het centrale — hersenen en ruggemerg — en het peripherische, of de verschillende vertakkingen, welke al wat aan den omtrek (peripherie) ligt, met het middelpunt (centrum) in verbinding zetten, en wel deels met de oppervlakte van het lichaam, deels met de zintuigen, deels met de spieren, deels ook met de vegetatieve organen.

Voornaamste-centraal-orgaan van heel het zenuwstelsel zijn de hersenen.

Al is men dus ook de meening toegedaan, dat de ziel als een geestelijk wezen in heel het lichaam tegenwoordig is, toch moet worden ondersteld, dat zij in meer nauwe betrekking staat tot de zenuwen, bepaaldelijk de hersenen. In haar vereeniging met het lichaam wordt de ziel, al ligt de wijze waarop dit geschiedt, ook geheel in het duister, vooral door de hersenen in staat gesteld tot hare verrichtingen.

Aan de hersenen is dus gebonden de wisselwerking tusschen ziel en lichaam, en in zoover zijn deze in enger zin het orgaan der ziel.

Het z.g. psychisch gebeuren, of al wat er in de ziel plaats grijpt, heeft men sedert eeuwen voor zijn denken getracht terug te brengen tot eenige, weinige voornaamste werkingen.

Dit heeft dan aanleiding gegeven tot de z.g. leer van de zielsvermogens.

Nu is „vermogen" in het algemeen de geschiktheid tot werken, het, onder bepaalde omstandigheden, ktmnen werken.

Aan de menschelijke ziel komt toe, ook in haar vereeniging met het lichaam, als geestelijk wezen, in het algemeen het vermogen tot werken.

Er gaan van haar werkingen, verrichtingen uit.

Zij doet door haar werkingen het lichaam werken, zij werkt, zij het ook niet buiten het lichaam om, zelf.

Zelfwaarneming leert ons, dat deze laatste werkingen, de zielswerkingen in enger zin dus, tweesoortig zijn, en wel, om ze voorloopig met deze twee woorden te benoemen, voorstellingen en willingen. Wij stellen ons iets voor en willen het dan of ontvlieden óf zoeken.

Wij zullen weldra zien, hoe dit voorstellen weer saamhangt met andere psychische verschijnselen, zoo als gewaarworden, waarnemen, denken; en evenzoo het willen, met 'n gevoel b.v. van lust en onlust, met streven, met begeeren.

In de oudere psychologie of zielkunde bracht men al deze werkingen van de eerste soort terug tot één voornaam vermogen, dat men aanduidde als het kenvermogen, en die van de tweede soort tot een, dat men, naar zijn voornaamste werking, het wilsvermogen noemde.

De bedoeling was dan, te doen uitkomen, dat de ziel in haar ééne werkzaamheid toch twee, wel niet van elkaar te scheiden, maar wel te onderscheiden wijzen van werken openbaart.

Niet te scheiden, want wij denken niet, zonder dat wij tevens willen, en wij willen niet, zonder dat wij tevens denken.

Nu wisten evenwel deze oude zielkundigen zeer goed, dat het geheele zieleleven in die twee verrichtingen van kennen en willen niet opging.

De ziel verricht, werkt niet alleen, maar zij wordt ook aangedaan, zij ondergaat, zij lijdt.

Zij is niet alleen actief, maar ook passief.

Zij wordt bij haar streven en willen, maar ook bij haar gewaarworden en voorstellen, aangedaan door lust en onlust, vreugd en droefheid, hoop en vrees, liefde en haat, en ook door verwondering.

Dan, het actieve is nu eenmaal niet het passieve, het werken is iets anders dan het lijden of ondergaan.

Daarom dachten deze zielkundigen er dan ook niet aan, om al deze „zielslijdingen" te laten opkomen uit een afzonderlijk vermogen, maar leerden gewoonlijk, dat uit een concursus, een samenloop van ken-en wilsvermogen, al deze lijdingen en aandoeningen der ziel ontstonden.

Dit is in de zielkunde dan ook zoo geble ven tot in de i8de eeuw.

Toen echter in de i8de eeuw, in de dagen der „verlichting, " aan het kennen, aan het „verstand, " juist ten koste van al deze aandoeningen der ziel, die men samenvatten kan onder den naam van „gevoel" of „gemoed, " een eereplaats was gegund, en heel het leven vergiftigd dreigde te worden door het „intellectualisme" of het eenzijdig, de wereld „verstandelijk" willen begrijpen — alsof er tusschen hemel en aarde niet meer is, dan wij menschen met ons eindig verstand kunnen begrijpen — kwam daartegen juist de reactie met Rousseau, die weer opkwam voor het gevoel, voor het gemoed.

En toen is in dien tijd en middellijk ook onder Rousseau's invloed, door den Duitschen hoogleeraar Tetens, in het jaar 1777, het gevoel als een afzonderlijk „vermogen, " naast, of liever tusschen, het ken-en wilsvermogen geplaatst.

Velen, ook onder de meer ontwikkelden, is dit niet bekend, en zonder veel bedenking spreekt en schrijft men elkander thans na, dat de ziel drie „vermogens" heeft: kenge voels-en wilsvermogens.

Nu zijn er tegen het aannemen van het „gevoel", als een afzonderlijk vermogen zeer overwegende bezwaren. Vv'ij zullen later gelegenheid hebben daar dieper op in te gaan, maar wijzen er voorloopig alleen op, dat het gevoel, — dat nr.ar aller toegeven niet een werking maar een toestand, een lijdelijke toestand der ziel is, — een „vermogen" te noemen, een zonderlinge verwarring van begrippen is. Is toch een vermogen de geschikheid tot werken, het onder bepaalde bepaalde omstandigheden kumien werken, het verdient zeer zeker geen aanbeveling, hetzelfde woord te gebruiken voor de geschiktheid tot lijden. Het begrip „vermogen" heeft in de zielkunde nu eenmaal een bepaalde beteekenis, en daaraan moet men zich houden.

Bovendien worden door de driedeeling van Tetens die vooral onder den invloed van den wijsgeer Kant in de zielkunde drong, de zielkundige verschijnselen ons veel minder duidelijk, dan bij de oude indeeling.

Zoo schrijft dan ook de tegenwoordige Berlijnsche hoogleeraar Paulsen: „In de Duitsche psychologie is in plaats van de oude tweedeeling de driedeeling gewoon geworden, in denken, voelen en willen. Het schijnt mij toe, niet ten voordeele van hej^t verstaan der psychische dingen."

Wij houden dus vast aan de oude onderscheiding, tusschen een ken-en een wilsvermogen.

Zeker moeten de „vermogens" der ziel niet noodeloos worden vermeerderd. Wij moeten blijven vasthouden, ook in ons denken, aan de eenheid der ziel, die slechts op verschillende wijzen werkt. Maar met dit al kunnen wij de onderscheiding in „vermogens" niet missen. Wij kunnen daarom ook niet meegaan met wat geleerd wordt in de, met name in de onderwijzers-kringen thans gangbare, zielkunde van Herbart, f 1841, welke van „zielsvermogens" heel niet weten wil en alle psychisch gebeuren afleidt uit „voorstellingen" en hare verhoudingen.

Het is hier echter nog niet de plaats, op deze leer van de „mechaniek der voorstellingen" dieper in te gaan.

Evenzoo moet de vraag of het „primaat", „de voorrang, " toekomt aan ons kennen dan wel aan ons willen, hier nog blijven rusten.

Wij willen thans onderzoeken de vaste ordeningen voor die verschijnselen van het zieleleven, welke wij tot het kenvermogen rekenen.

Onderstelt alle kennen een subject of onderwerp dat kent, en een object of voorwerp, dat gekend wordt, wij hebben thans nategaan wat de ziel bij haar kennen verricht.

De vraag naar de „aangeboren kennis", behoort daarbij mede tot die, welke eerst later ter sprake kunnen komen.

Hebben wij straks gezien, dat de verrichtingen van het zieleleven tot twee hoofdgroepen moeten teruggebracht, voorstellingen en willingen, — een nadere ontleding van wat wij voorstellingen noemen leert ons, dat deze, voor een deel althans, tot stand komen door middel van de zinnelijke gewaarwordingen.

Eerst bij de bespreking van de „voorstellingen" in een volgend artikel kan dit nader worden toegelicht.

Komt de voorstelling tot stand mede door gewaarwording, wij kunnen de laatste dan een der bestanddeelen van de eerste noemen en, met het oog op de groote beteekenis der „voorstellingen" voor ons kennen, zelfs een der bestanddeelen of elementen van heel ons kennen.

Opklimmend van het meer eenvoudige tot het meer samengestelde, willen we dus allereerst nagaan wat wij onder gezuaarwordingen hebben te verstaan en daarbij de voor deze geldende vaste ordeningen trachten te kennen.

Gewaarwording en gevoel zijn niet hetzelfde.

Zij zijn onderscheiden, al zijn ze ook niet van elkander te scheiden. De gewaarwording wordt gewoonlijk door een gevoel begeleid, vergezelschapt. De eerste is, zooals ons straks zal blijken, een werkzaamheid van de ziel, het tweede is iets passiefs.

Zoo hebben wij gewaarwordingen van warmte of koude, van licht en kleur, klank en toon. En met deze gewaarwordingen paart zich het gevoel, — wij hebben in onze taal, voor dit woord, niet als de Duitschers, die van „Gefühle" spreken, een meervoud — van lust of onlust, van aangenaam of onaangenaam.

Hebben wij vroeger gezien, dat het bewustzijn niet de ziel zelf is, maar een toestand der ziel, slechts wanneer de ziel in dezen toestand verkeert, ontstaan in haar gewaarwordingen van wat in het lichaam plaat.sgrijpt. De gewaarwording vormt dus een inhoud van het bewustzijn of liever van de bewuste ziel, d. i. van de ziel die „weet heeft van wat in haar omgaat."

Nu doet echter noch de ziel alleen, noch het lichaam alleen, en bepaaldelijk de hersenen, een gewaarwording ontstaan. Ook hier hebben wij te doen met de reeds meer genoemde „wisselwerking" tusschen lichaam en ziel.

Zal de ziel komen tot kennis van wat in haar lichaam en door middel van dit laatste in de wereld is en gebeurt, dan moeten zekere uitwendige prikkels op de gevoelszenuwen inwerken en door deze op de hersenen worden overgebracht, maar daarbij is er tevens een eigenaardige werking van de ziel noodig.

De gewaarwording is dus altijd een product van twee factoren: van zielewerking en hersenprikkeling. Slechts als er hersencellen in beweging komen en deze beweging door de ziel wordt opgenomen, ontstaat er een gewaarwording.

De waarheid hiervan blijkt uit de omstandigheid, dat als onze ziel met iets anders bezig is, wij b. v. het tikken van de klok niet hooren en zelfs het binnenkomen van iemand in onze kamer niet zien.

Deze activiteit der ziel bij het - ontstaan der gewaarwordingen is, zooals ons later zal blijken, van niet geringe beteekenis.

Zijn gewaarwording en zenuwprikkels dus niet hetzelfde, maar de laatste slechts een der factoren van de eerste, deze zenuwprikkels ontvangt de ziel, door middel van de hersenen, deels doordat inwendig de zenuwen, die in verbinding staan met de inwendige organen van ons lichaam zooals hart en longen, maag en ingewanden; deels doordat de zenuwen, die in verbinding staan met onze huid; deels doordat de zenuwen, die in verbinding staan met de zintuigen zooals tong en neus, oor en oog, — op hare beurt geprikkeld worden.

Wij kunnen, naar het voorafgaande, de gewaarwording dus bepalen als een eenvoudige, d. i. niet samengestelde bewustzijnsinhoud, ontstaan èn uit een zielswerking èn uit een hersenprikkeling, welke laatste op haar beurt ontstaan is tengevolge van inof uitwendige prikkeling der gevoelszenuwen.

Onze gewaarwordingen nu, die wij van onze geboorte tot ons sterven opdoen, zijn vele en velerlei. Men kan, ziende op haar verschillend ontstaan, ze verdeelen in zulke, die ons toekomen of uit de verschillende bijzondere zinnen en zintuigen, en spreekt dan weer nader van smaak-, reuk, - klanken licht-gewaarwordingen, of uit wat men noemt den, „algemeenen zin" waarover straks.

Bij al deze gewaarwordingen nu, die op de boven beschrevene wijze in de ziel ontstaan, doet zich het eigenaardige voor, dat zij, hoewel alle voor een deel uit zenuwprikkels ontstaan, onderling verschillen naar wat men noemt haar inhoud, sterkte en toon.

De inhoud eerier gewaarwording is wat men ook wel noemt haar hoedanigheid of qualiteit.

Wat hieronder verstaan wordt, is dit.

Buiten ons bestaan geen tonen en kleuren, maar slechts luchttrillingen en ethergolvingen van'verschillende snelheid en richting.

Toon en kleur zijn slechts onze „gewaarwordingen."

Zoo ook bestaat er buiten ons geen geur en smaak, maar slechts eigenaardige bewegingen van atomen in ons smaak-en reukorgaan, die wij als smaak-en reuk „gewaarworden."

Bovendien worden wij dezelfde objecten, die onze verschillende zenuwen prikkelen, op verschillende wijzen gewaar. Zoo worden wij eenzelfde zonnestraal op ons oog gewaar als licht, op onze huid als warmte. Eenzelfde electrische stroom in het oog als een vonk, in het oor als geknetter, in den neus als een eigenaardige geur, op de tong als smaak, en op de huid als een pijnlijk gevoel van warmte.

Dergelijke eigenschappen der dingen zoo als hun kleur en geur, en klank, zijn dus onze gewaarwordingen van de dingen. Bestaan de stoffelijke dingen slechts uit atomen en moleculen, die kleur-en geur-en klank-loos zijn, onze gewaarwordingen zijn slechts, zoo als men gezegd heeft, symbolen, zinnelijke teekens van de buitenwereld.

De zinnen „bedriegen" ons echter niet.

Zij brengen, door middel van de zenuwen, ons de van de buitenwereld ontvangen prikkels getrouw over. Maar de „soortelijke kracht, " waarmede ieder zintuig werkt, en de eigenaardige wijze, waarop de ziel her senprikkelingen vertolkt, doet ons de stoffelijke wereld gewaarworden, in haar rijke verscheidenheid van geuren en kleuren, van klanken en tonen.

Zoo is het Gods ordening.

Slechts houde men hierbij voor zijn denken vast, dat al zijn onze gewaarwordingen slechts symbolen van de dingen, zij toch symbolen zijn van tverkelijk bestaande dingen, en niet bloot inbeeldingen of hersenschimmen.

Maar onze gewaarwordingen verschillen onderling niet alleen naar haar inhoud, maar ook naar haar sterkte of intensiteit.

Men noemt dit ook de quantiteit, d. w. z. de hoegrootheid eener gewaarwording, of de kracht, met welke haar inhoud tot ons bewustzijn komt. Wij weten allen hoe een zelfde gewaarwording nu eens sterker dan weer zwakker is. Hoe grooter nu, binnen zekere grenzen, de uitwendige prikkel is, b. V. de luchtrillingen op onze gehoorzenuwen, des te sterker zal ook de gewaarwording zijn. Binnen zekere grenzen, want zooals wij later zullen zien, bij een te gering of ook te groot aantal trillingen heeft men geen gehoorgewaarwording.

Nu zijn de uitwendige prikkels op onze zenuwen, zooals licht, tonen, gewicht, temperatuur, meetbaar. Evenzoo vermogen wij te onderscheiden tusschen het merkbaar worden van een gewaarwording en de vermeerdering van hare sterkte.

In de vorige eeuw kwam men daarbij tot de ontdekking, dat er een zeer eigenaardige verhouding bestaat tusschen de merkbare toeneming van de sterkte der gewaarwording en de toeneming van de sterkte der uitwendinge prikkels, die haar veroorzaken. Het was de in-1878 te Leipzig gestorven hoogleeraar E. H. Weber, die deze vaste ordening het eerst ontdekte, en de in 1887 mede te Leipzig gestorven wijsgeer G. Th. Fechner, die haar verder heeft uitgewerkt. Zij is sedert bekend als de Weber-Fechnersche — of ook, omdat zij een vaste verhouding tusschen het psychisch en physisch gebeuren aanwijst, —^ als „de psychophysische" wet.

Wij komen later, bij de bespreking van de verschillende soorten van gewaarwordingen, op deze wet terug. • y^. 1? *

Naar den inhoud en 3e sterkte maar ook naar wat men gewoonlijk noemt haar toon verschillen onze, gewaarwordingen.

Men verstaat daaronder den gevoelstoon, het gevoel van lust of onlust, waarmede een gewaarwording gepaard gaat, haar vergezelschapt. Men spreekt dan van „aangename" of „on-aacgename" gewaarwordingen, al naar mate de st: ring in onze gevoelszenuwen tengevolge van cle op deze werkende uit wendige prikkels, de ziel als een stijging of een daling van het levert aandoet.

Bij deze aandoeningen is de ziA lijdend. passief,

De activiteit, de werkzaamheid der ziel ook bij het ontstaan der gewaarwordingen is, zooals boven reeds werd gezegd, en later nog duidelijker zal blijken, van groote beteekenis.

Al is het ontstaan onzer gewaarwording ook afhankelijk van de prikkeling onzer zenuwen door wat in en om ons lichaam is, zenuwprikkeling en gewaarwording zijn daarom nog niet hetzelfde.

De eerste vormt mèt de zielswerking de twee factoren, waarvan de gewaarwording eerst het product is.

Zoo is het God's ordinantie voor het ontstaan der gewaarwordingen in onze ziel.

Wat in ons waarneemt en dus ook gewaarwordt in de ziel.

Zoo leert het ook de Schrift.

Wanneer Jeremia de ontroering zijner ziel beschrijft bij de nadering van den vijand uit het Noorden tegen Juda en Jerusalem, zegt hij : want gij, mijne ziel! hoort het geluid der bazuin en het krijgsgeschrei. (Jeremia 4 : igb).

Niet het oor, maar de ziel hoort.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van Sunday 20 September 1903

De Heraut | 4 Pagina's

Van ’s Neeren Ordinantiën.

Bekijk de hele uitgave van Sunday 20 September 1903

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken