Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Van ’s Neeren Oedinantiën.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Van ’s Neeren Oedinantiën.

17 minuten leestijd

LXXXIII.

DERDE REEKS.

'sHeeren ordJnantiën in de natuur.

DERDE DEEL.

VIII.

En zij gevoelde aan haar lichaam, dat zij van die kwaal genezen was. Markus 5 : 29.

Kan de ziel, in haar vereeniging met het lichaam, onder bepaalde omstandigheden op tweeërlei wijze werken, het is dit tweeërlei vermogen, dat wij onderscheiden als ken-en wilsvermogen.

Bij ons onderzoek naar de vaste ordedingen, de ordinantiën des Heeren, waarnaar het kenvermogen werkt, vonden wij in ons vorig artikel, dat de elementen of bestanddeelen onzer kennis, zoo omtrent ons lichaam als omtrent de buitenwereld, onze gewaarwordingen zijn.

Wij hebben mitsdien allereerst de vaste ordeningen voor het ontstaan en wezen onzer gewaarwordingen na te gaan.

Over die gewaarwordingen in het algemeen ging het reeds in ons vorig artikel.

Wij vonden toen, hoe - zij èn door het lichaam èn door de ziel ontstaan. Door een beweging van onze hersenen, op hare beurt ontstaan uit een trilling van onze zenuwen, bepaald onze gevoelszenuwen, door in-of uitwendige prikkels; maar ook door een werking onzer ziel, die deze hersenbeweging opneemt.

Wij hebben daarbij wèl leeren onderscheiden tusschen de gewaarwording en het „gevoel" dat haar begeleid, vergezelschapt en er nadruk op gelegd, dat beide niet hetzelfde zijn.

Bij de gewaarwording „werkt", bij een gevoel lijdt, ondergaat de ziel.

Dit kwam ook uit, waar wij vervolgens bespraken het onderscheid bij de gewaarwording tusschen haar inhoud, haar sterkte en haar toon.

Het is de ziel die de eigenaardige, door haar opgenomen, hersenprikkeling haar inhoud geeft als kleur en klank, als smaak en geur. Is de sterkte van de gewaarwording in de ziel afhankelijk van de grootte der in-of uitwendige prikkels, haar toon, haar „gevoelstoon, "' is het „aangename" of „onaangename" gevoel, waarmee de ziel bij de gewaarwording wordt aangedaan.

Om nu verder de vaste ordeningen Gods voor het kennen van de zinnelijke wereld, van het zinnelijk waarneembare, waartoe ook ons eigen lichaam behoort, door middel onzer gewaarwordingen en het verschillend „gevoel" dat haar vergezelschapt — de verschillende „gevoelen" kan men in het Hollandsch niet zeggen, en met verschillende „gevoelens" bedoelen wij heel iets anders, n.l. meeningen, oordeelen, overtuigingen — meer in het bijzonder na te speuren, is het noodig eerst de hoofdsoorten der gewaarwordingen te onderscheiden.

Nu ontstaan alle gewaarwordingen wel uit zenuwprikkels, maar er is verschil.

De prikkel toch op onze zenuwen kan uitgaan van wat in ons lichaam of van wat daar buiten ligt. De eerste helpt ons dan bij het kennen van ons eigen lichaam, de tweede bij dat van onze buitenwereld.

Op dit verschil vooral berust dan de onderscheiding in twee hoofdsoorten van gewaarwordingen: de lichaamsgewaarwordingen en de zinsgewaarwordingen. De laatste toch staan in zeer nauw verband met wat men gewoonlijk noemt onze „zinnen" of ook wel onze zintuigen, n.l. tast-, reuk-, smaak-, gehoor-en gezichts-zin.

Bepalen wij ons nu eerst tot de lichaamss, ewaarwordingen.

De gevoelszenuwen, die tot haar ontstaan medewerken, breiden zich in fijne vertakkingen uit, zoo aan de oppervlakte van het lichaam als in de lichaamsholten, waar zij in verbinding staan met de verschillende organen, zoo als hart en longen. Zij eindigen in het ruggemerg, en staan daardoor in verband met de hersenen.

In ons lichaam zelf is voortdurende verandering, ten gevolge van ademhaling, bloedsomloop, voeding en afscheiding. Een werking van de verschillende organen, een voortdurende wisseling van stof. Het zijn de zooeven genoemde gevoelszenuwen, waardoor de ziel van dit alles in meerder of mindere mate tot bewustzijn, tot gewaarwording komt.

Als geheel is het de gewaarwording van het leven, doch niet alleen dat^ maar ook hoe wi leven, of wij gezond dan wel ziek zijn. De gewaarwording dat onze spieren zich spannen, en dat zij moede worden; dat ons hart klopt; dat onze maag verzadigd is of hongert, onze keel droog is en ons dorst.

Alle gewaarwordingen nu, die dus uitsluitend door toestanden in ons eigen lichaam te weeg gebracht worden, vat men saam, of beter uitgedrukt, schrijft men toe, aan wat men dan noemt, den „levenszin, " of vitaal-zin — van vita leven — of ook wel den „algemeene gevoelszin."

In het dagelij ksch leven spreekt men ook van zich wel of onwel, zich gezond of ziek voelen. Men bedoelt dan eigenlijk de gewaarwording van het levensproces als normaal of gestoord en het daarmee gepaarde levensgevoel van aangenaam of onaangenaam, van levenslust of ziekelijke onbehagelijkheid.

Gebruikt men de uitdrukking „algemeene gevoelszin" of ook wel „algemeene zin, " men verwarre haar dan niet met een gelijkluidende uitdrukking, die reeds bij Aristoteles voorkomt en aan hem ontleend, bij de latere als „sensus communis" — „gemeen-of algemeen gevoel, " „algemeene"of „gemeenzin" — voorkomt. Deze, aan Aristoteles' zielkunde ontleende „sensus communis" toch is gansch iets anders, dan de gewaarwording van het zinnelijk, het lichamelijk leven.

Men. verstaat onder dien „sensus communis" iets, dat het midden houdt tusschen gewaarwordingsvermogen en verstand. Een soort „inwendige zin, " tegenover de vijf uitwendige zinnen.

Wij komen hier later op terug, om ons thans verder bezig te houden met den „algemeenen zin" in de beteekenis van vitaal-of levenszin.

Wanneer het levens-proces ongestoord zijn gang gaat, voelen wij ons gezond, na de stoornis, genezen.

Zoo lezen wij in het Evangelie van de vrouw, die twaalf jaren krank was geweest, en veel geleden had van vele medicijnmeesters, en al het hare daaraan te koste gelegd en geen baat gevonden had, maar met welke het veeleer erger geworden was, dat zij, na Jezus kleed te hebben aangeraakt, „gevoelde aan haar lichaam, dat zij van die kwaal genezen was." (Marcus 5 : 29).

Hier hebben wij te doen met een lichaamsgewaarwording, met een bespeuren, een kennen, dat het levensproces nu weer ongestoord werkte, en het daarmee gepaarde gevoel van physischen levenslust. De inhoud van de levensgewaarwording is over het algemeen en vooral in normalen toestand onbepaald, onduidelijk, donker; zonder dat wij ons bewust zijn van wat er in ons omgaat, voelen wij ons „opgewonden" of „neergedrukt." Het heeft invloed op onze „stemmingen."

Dan, hoe onbepaald en donker ook, laat de algemeene levensgewaarwording, de levenszin, zich toch weer verbijzonderen als: gewaarwordingen van druk, koude, warmte en pijn.

Met name de gewaarwording van fiijn is meer bepaald. Zij komt de ziel toe door middel van de gevoelszenuwen, wanneer de inwendige organen in hun werking gestoord zijn, of ook wanneer zenuwuiteinden ergens in ons lichaam, door druk of stoot, door hitte of koude overprikkeld worden. De pijn-gewaarwording, van de pijn zelf niet te onderscheiden, verbijzondert zich naar haar inhoud als steken, drukken, branden, trekken, knellen. Terwijl de gewaarwording zelf in onze ziel en in de hersenen ontstaat, verleggen wij haar aan het einde onzer gevoelszenuwen, ook dan zelfs, wanneer die, gelijk bij menschen wier arm of been is afgezet, ontbreken.

Is de „levenszin", waardoor wij gewaarworden hoe wij leven, wel eens genoemd de barometer van het levensproces, of ook het „vitale geweten" — waarmee dan bedoeld wordt, dat het ons tot bewustzijn brengt van den al of niet normalen gang van het levensproces, van het al of niet functioneeren van het organisme — vooral mag de „levenszin" zoo heetcn in betrekking tot de pijn.

De pijn-gewaarwording brengt ons toch tot bewustzijn, dat er ergens in ons lichaam gevaar voor het leven is en wij dus op redding bedacht moeten zijn.

In zijn „Ziekte der Geleerden" wijst Bilderdijk er dan ook op, hoe de pijn ter waarschuwing is van 't „aandoende kwaad".

Zij, het fijn gevoel, —

Dat trouwe wachter bij een zorgeloos gezin, 2? ' allarmkreet opheft als vijandelijk leed kom naderen.

En de dichter zingt zelfs den lof van de j pijn, wanneer hij zegt:

Zij roept: SiLaat af, houd op, herstel n, spaar uw krachten! ï)Laat de artsenij der rust miPoj-'-emak verzacht 1)Breng 'slichaams tuerkings'irrei, , : , in heükame maat, siEn verg geen werktuig meer dan Y van zich eischen laat." o Aartsweldadigheid, in 7 pijngevoel besloteti!

Het „algemeen gevoel" is inderdaad de levenszin, die ons doet kennen ons lichamelijk wel zijn of krank zijn, en ons in het pijn-gevoel nadrukkelijk vermaant om behoorlijk te leven. Middel waardoor, zoo als Bilderdijk zegt:

— de Almacht wilde u 't lijf, het kostbre lijf bewaren.

Middel, waardoor zelfs de zinnelijke mensch zich een maat ziet gesteld in zijn genieten, welke hij anders zou overschrijden, zoo „'t heilzaam smartgevoel geen wacht hield bij 't genot."

Wij komen thans tot de tweede hoofdsoort onzer gewaarwordingen: de ztnsgewaarwordingen.

De gevoelszenuwen, die tot haar ontstaan medewerken en aan den omtrek van het lichaam eindigen, zijn daar verbonden met bepaalde organen of werktuigen, zooals het oog of het oor, en daardoor geschikt om prikkels van bepaalde soort over te brengen naar de hersenen, waarin deze zenuwen onmiddellijk uitloopen.

Het zijn deze zenuwen, die den naam dragen van zinszenuwen, en de prikkels van d^ buitenwereld, van wat buiten ons lichaam is, ons doen gewaarworden.

Wijl de zinsgewaarwordingen naar de werktuigen of organen der zinnen weer soortelijk verschillen, onderscheidt men haar nader als tast-, smaak-, reuk-, gehoor-en gezichtsgewaarwordingen.

Ieder dezer zinsgewaarwordingen heeft als het ware haar eigen taal, waarin zij ons de indrukken, de prikkels van de buiten wereld vertolkt. Een slag b.v. veroorzaakt op de huid pijn, op het oog licht, op het oor geruisch.

Wijl eindelijk gehoor en gezicht, meer dan tast-, smaak-en reuk-zin, bijdragen tot kennis van de buitenwereld, en bovendien van grooter beteekenis zijn, onderscheidt men de eerste twee ook wel als de hoogere, tegenover de laatste drie als de lagere zinnen.

Beginnen wij met de gewaarwordingen van den tastzin.

De grens tusschen dezen en de zooeven besproken „algemeenen zin, " is vaak vloeiend. Door sommige zielkundigen wordt dan ook niet van tastgewaarwordingen, als van een afzonderlijke soort tegenover de andere zinsgewaarwordingen gesproken, maar geeft men ze een plaats onder de „lichaamsgewaarwordingen."

Let men er echter op, dat de tastzin, welks zenuwen zich tot in de huid en slijmvliezen uitbreiden, niet, zooals „de algemeene zin", zijn prikkels uit ons eigen lichaam, maar van buiten ontvangt, dan is er wel iets voor om van een afzonderlijken zin als tast-zin te spreken.

Het orgaan van den tastzin zijn de ontelbare tastlichaampjes die zich bevinden in de „lederhuid", de onderste der drie lagen waaruit de menschelijke huid bestaat en daar de uiteinden vormen van de gevoelzenuwen. Deze tastlichaampjes bevinden zich namelijk in zeer grooten getale in de toppen der vingers, in de handholte, in de punt der tong, in de lippen en dus op die plaatsen, waar wij het fijnst tasten; daarentegen komen zij het minst voor, waar de tastzin het onzekerste is; namelijk op den rug. Van de betrekkelijke hoeveelheid dezer tastlichaampjes op een bepaalde plaats van het lichaam, hangt de gevoeligheid dier plaats voor tastindrukken al.

Zoo wordt men de punten van een passer, dien men op de huid zet, op de eene plaats van het lichaam anders gewaar dan op een andere. Op vele plaatsen zal men, als de oogen gesloten zijn, de twee punten, als twee, op vele als één punt gewaarworden. Om b. V. de twee passerpunten ook als twee, dus als gescheiden, gewaar te worden, moeten zij op den rug, waar het aantal der tastlichaampjes geringer is, ongeveer zeven centimeters van elkaar staan, terwijl daarvoor bij het uiteinde van de tong en de vingertoppen één tot twee millimeters voldoende zijn.

De prikkeling in de tastzenuwen ontstaat doordat in deze tastlichaampjes tengevolge van druk of stooteen verplaatsing der fijnste deeltjes, der z.g. moleculen plaatsgrijpt; naar t de sterkte der verandering richt zich, onder, overigens gelijke omstandigheden, ook de sterkte der tastgewaarwordingen.

De inhoud der tastgewaarwording als I hard en week, vloeibaar en vast, glad en ruw, droog en vochtig, zwaar en licht, koud en.' en eve7i-warm is de druk, die, door middel van de gevoelszenuwen, deels ontstaat uit spanning van de met haar verbonden spieren, gewrichten en pezen, bij de aanraking van de dingen buiten ons met onze huid en die men actieve of inwendige tastgewaarwordingen noemt; deels ontstaat uit den weerstand, den tegenstand, die van de dingen buiten ons op onze huidzenuwen wordt geoefend en die men passieve of uitwendige tastgewaarwording noemt, en waartoe ook kan gerekend de gewaarwording van warmte of koude.

Deze druk als inhoud der tastgewaarwording is te onderscheiden ^an de drukgewaarwording, die ons toekomt uit de hierboven besproken „gemeen-of levenszin." Komt toch de eerste uit de wisselwerking van ons lichaam, met de buitenwereld, de tweede komt uitsluitend op uit ons eigen lichaam, uit de spanning der spieren in onze inwendige organen zooals maag, ingewanden en longen. Daarom is de tastzin van zoo groote beteekenis voor de kennis van de buitenwereld. Door haar leert het kind langzaam zijn eigen lichaam van de dingen die daar buiten zijn, onderscheidep.

Wijl verder de tastzin ons niet slechts, gelijk de andere zinnen, gewaarwordingen biedt, die wij als nadere qualiteiten, als z. g. „secundaire eigenschappen" der dingen, b. V. kleur, klank, smaak en geur, vertolken, maar ons ook gewaarwordingen geeft van hun eerste eigenschappen, van hun z. g. „primaire qualiteiten" zooals dichtheid, vastheid, weerstand; i. e. w. van het „bestaan", de werkelijkheid der stoff"elijke dingen, heeft men den tastzin ook wel aangeduid als den zin der realiteit, der werkelijkheid. Het „tastbare", biedt ons zekerheid omtrent het bestaan, de werkelijkheid van hetgeen buiten ons ligt.

„Indien ik Zijne handen niet zie het teeken der nagelen, en mijne vinger steek in het teeken der nagelen, en steek mijne hand in Zijne zijde, ik zal geenszins gelooven, " zegt de ongeloovige Thomas op den avond van 's Heeren opstanding. — Men vergete echter niet, dat ook de werkelijheid der „tastbare dingen" ten slotte op een „gelooven" berust en dat mitsdien de zekerheid des geloofs —• ook aan de „werkelijkheid" der stoffelijke dingen in hoogeren zin zekerheid is dan die ons toekomt uit den tastzin.

Doch hierover later.

Is, zooals wij straks zagen, de gewaarwording van de beweging, de spanning onzer spieren, een der elementen van de tastgewaarwording, door de spiergewaarwording leert de mensch ook de andere zinnen hun richting geven, zoodat b.v. hooren tot luisluisteren, zien tot kijken wordt. En evenzoo is deze gewaarwording behulpzaam bij de vorming van het willen, wijl juist de spierbeweging, het gebruik onzer handen vooral, dienstbaar is aan het verwezelijken vanons doel, aan de veranderingen die wij teweeg willen brengen in de stoffelijke wereld; aan het „maken" van kunstigen arbeid.

Behoort de tastzin tot de z g, „mechanische" zinnen, omdat daarbij druk en stoot als zenuwprikkel werken, den reuk-en smaakzin rekent men tot de „chemische" zinnen, omdat de stoffen, die hier als zenuwprikkel werken eerst uit hun toestand van vaste lichamen in die van vloeistoffen of gassen moeten overgaan.

In den neus, het orgaan van den reuk-zin, bevinden zich de uiteinden der reukzenuwen en aan deze weder spilvormige lichaampjes, die tot opneming der reukprikkels dienen en daarom „reukcellen" heeten. Het ruiken ontstaat door prikkeling dezer reukcellen, welke prikkeling door de gevoelszenuwen weer overgebracht wordt op de hersenen. De, door inademing — de neus is daarvoor het aangewezen orgaan — toegevoerde fijnste stofdeeltjes, welke zich van sommige stoffen losmaken en in de lucht zweven, moeten eerst in de daartoe steeds vochtige, slijmhuid van de neusholte worden opgelost en „vervluchtigd" tot gassen.

Hoe dit toegaat kan men zich verduidelijken met een stuk kamfer. Legt men toch een stuk kamfer in een bak met water, dan zal het aan de oppervlakte blijven drijven en daarbij tevens het water al spoedig derwijs terug drijven, dat het in een groefje komt te liggen en straks door de terugstooting van het water in een draaiende beweging komen. Daarbij lost het zich al meer op, kleine deeltjes maken zich van de oppervlakte los, en eindelijk is het stuk kamfer schijnbaar verdwenen doordat het in gasvormigen toestand is overgegaan.

Hoe krachtiger de uitstrooming der kleine bestanddeeltjes in een reukstof is, des te sneller en verder verbreidt zij zich, wordt „vluchtig, " vervormd in een gas, dat ons een reukgewaarwordiug geeft. Van de muscus veroorzaakt reeds 1/2000000 milligram een reukgewaarwording.

Vaste of ook vloeibare stoffen ruikt men niet. Houdt men den adem in of ademt men alleen met den mond, dan houdt alle reukgewaarwording op.

De inhoud of de hoedanigheid van de reukgev/aarwording is, wijl de geuren zelf ontelbaar zijn, zoo verschillend, dat zij niet tot bepaalde soorten is te brengen. De taal heeft er dan ook geen eigen woorden voor, maar ontleent die of aan de reukstoffen, b.v. muscus-en rozen-geur, of aan de processen waar zij uit ontstaan: b.v. rotlucht, lijkenlucht, vuile lucht, óf aan de tastgewaarwording b.v. een prikkelende, scherpe geur.

De sterkte (intensiteit) van de reukgewaarwording hangt af van de eigenaardigheid der reukstof, — men denke aan de reeds genoemde muscus, aan kamfer, rozen en vanille — aan de menigte der in de neusholte ingedragen deeltjes, en daarbij aan de grootte van het geprikkelde oppervlak, en eindelijk aan den duur en de snelheid van het ruiken zelf. Oefening kan den reukzin versterken, zoo als wij weten van wilden, artsen en scheikundigen. Overprikkeling kan daarentegen de reukzenuwen afstompen, zoodat wij ten slotte iets „niet meer ruiken, "

De ervaring die wij kunnen opdoen bij menschen die langdurig in slecht^ riekende lokalen vertoeven.

Het gevoel dat zich aan de reukgewaarwording paart, is naar de onderscheidenheid harer inhoud verschillend, toch spreekt men van wel-en onwelriekendheid, hierbij speelt echter het subjectieve een vrij groote rol.

Niettegenstaande de, door zijn „Normaalkleeding" en zijn „Ontdekking der Ziel", — een opzienbarend werk dat in 1878 verscheen — bekende. Dr. Gustaaf Jaeger uit Stuttgart, aan den reukzin een zeer belangrijke rol toekende, — volgens hem zou de ziel zetelen in de specifieke reukstoffen aan ieder individu onder menschen en dieren eigen, en daarop dan weer de onderlinge sympathiën en antipathiën, de instincten en affecten berusten — is men het er vrij wel nóg algemeen over eens, dat de reukzin, hoe gewichtig ook als „wachter bij de lucht die wij inademen", als middel tot verhooging of demping van het zinnelijk levensgevoel, voor het eigenlijke zieleleven van niet groote beteekenis is. Aan ons kennen van de buitenwereld brengt onze reukgewaarwording met haar onbepaalden inhoud weinig toe.

De reukzin vormt met den smaakzindan ook de twee z. g. lagere zinnen.

De smaakzin heeft zijn zetel in de mondholte, en dan in het gehemelte en vooral in de tong, wier „tonglepeltjes" desmaakgewaarwording langs de gevoelszenuwen tot de hersenen brengen. Gelijk slechts het gasvormige wordt geroken, zoo wordt slechts het vloeibare geproefd. De vaste stoffen brengen dan allen een prikkel op onze smaakzenuwen teweeg, waarneer zij in het speeksel zijn opgelost.

De inhoud of de hoedanigheid van de smaakgewaarwording is minder onbepaald dan die der reukgewaarwording. Men heeft ze in den laatsten tijd tot een viertal hoofdqualiteiten teruggebracht en wel: zuur, zoet, bitter en zout, uit welke combinatiën dan de andere zouden ontstaan.

Van de smaakgewording is wel te onderscheiden de gewaarwordingen van den „levenszin" die men in de mondholte heeft en aanduidt als brandend, samentrekkend, verkoelerid. En evenzeer de „reukgewaarwording, " die men als „aromatisch" aanduidt en welke men van de smaakgewaarwording dadelijk kan onderscheiden door bij het gebruik van spijs of drank den luchtstroom die ons door den neus toekomt, af te sluiten.

Spreekt men van „smaak" in den zin van de geschiktheid tot juiste esthetische beoordeeling — een „man van smaak" is hij die zuiver oordeelt over schoon en leelijk — met den smaakzin heeft dit niets uitstaande. Wij hebben hier te doen met een overdrachtelijke spreekwijze, waarschijnlijk ontstaan doordat de tong een zeker oordeel geeft over aangenaam en onaangenaam. Toch is dit oordeel weer erg subjectief en geldt dan ook het „over den smaak valt niet te twisten" zeer zeker van wat in den letterlijken zin „smakelijk" of „on-smakelijk" is. Niet daarentegen, zoo als wij later zullen zien, van wat schoon of leelijk is.

Ook de smaakzin heeft, hoewel hij als „wachter voor de voeding" groote betee-

kenis bezit voor het animale-, voor eigenlijke zieleleven minder belang. het

Zoo zagen wij dan, hoe naar vaste ordeningen, onze gewaarwordingen ontstaan van wat in ons en om ons geschiedt, en hoe daardoor onze ziel in meerdere of mindere mate de kleine wereld van liaar eigen lichaam en de groote wereld van wat daar buiten ligt, leert kennen.

Thans rest ons nog de bespreking van de vaste ordeningen voor de gewaarwordingen der twee hoogere zinnen: gezicht en gehoor, die voor ons kennen van zoo voorname beteekenis zijn.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 27 september 1903

De Heraut | 4 Pagina's

Van ’s Neeren Oedinantiën.

Bekijk de hele uitgave van zondag 27 september 1903

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken