Bekijk het origineel

^e ©fjfticnijE Centrale J^iatonaïe Conferentie

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

^e ©fjfticnijE Centrale J^iatonaïe Conferentie

8 minuten leestijd

Om één uur werd de Conferentie weder voort gezet, nadat vooraf gezongen was Psalm 42 : 5.

Punt IV. Rapport.

De broeders Dr. H. Blanken Johz. vanWaddingsveen, W. Sluyter Jr. van Rijswijk en J. F. H. Spier van Amsterdam, vormende de Commissie van advies in zake de oprichting van een Sanatorium ten behoeve van (on-en minvermogende) lijders aan Tuberculose, thans allen tegenwoor dig zijnde, wordt het Rapport dezer Commissie nu het eerst aan de orde gesteld, en bij monde van br. Sluyter uitgebracht.

De Commissie meent de oprichting van een Sanatorium te moeten aanbevelen, allereerst uit een medisch oogpunt. Wel zijn hiertegen bezwaren, zoowel medische als finantiëele, doch deze zijn niet onoveikomelijk.

Vooral het geldelijk bezwaar acht de Commissie niet overwegend. Werd onder toezicht van een der Kerken een Sanatorium opgericht voor 20 patiënten, wier verblijf gerekend op 3 maanden, dus een gelegenheid zou openen voor 80 lijders per jaar, en wel ergens waar het terrein goedkoop en gezond is, dan zou dit kleine begin onder den zegen des Heeren een belangrijke uitbreiding kunnen nemen.

Verder zegt het rapport, dat niet uitsluitend on-en minvermogende lijders zouden opgenomen behoeven te worden. Daarna deelt de Commissie mede op welke gronden zij tot bovenvermeld advies is gekomen, om ten slotte haai gevoelen in een drietal stellingen te formuleeren.

Slechts met een eukel woord hebben wij den inhoud van dit hoogst belangrijk rapport hier medegedeeld, daar weldra D. V. het geheele stuk met de noodige bijlagen het licht zal zien.

Na de voorlezing spreekt br. Sluyter als zijn gevoelen uit, dat teneinde verwarring in de be spreking te voorkomen, het gewenscht is, achtereenvolgens te spreken over de principieele, de medische en de technische zijde dezer zaak.

Dit vond de vergadering goed, zoodat allereerst de principieele kwestie in debat kwam, en wel zoodanig, dat hierbij het voorstel der Commissie aanvankelijk strandde. Er zal veel stuurmanskunst noodig zijn, zal het nog eenmaal in veilige haven gebracht kunnen worden.

Ds. Teerink opende de rij der sprekers. Zijne Eerw. kon niet met het rapport mede gaan, dat de Kerk als instituut geroepen is om het breede terrein der barmhartigheid te bewerken. Waar in de Schrift vinden wij aangegeven, dat de Diaconie geroepen is alle zieken te verzorgen? Wel is dit de roeping van de Kerk als organisme, doch niet als instituut. Z. Eerw. acht dit ook niet noodzakelijk, want de Ver. voor Geref. Ziekenverzorging die hier voor enkele weken in dit zelfde kerkgebouw vergaderde, wenscht dit ter hand te nemen.

Verschillende broeders brachten daarop hunne bezwaren ter tafel. De een zegt, dat het ambt van ouderling en diaken plaatselijk is en dat een plaatselijke Diaconie niet behoeft en kan zorgen voor arme zieken van andere Diaconiën en dat het daarom goed is steun te verleenen aan de Ver. voor Geref. Ziekenverzorging. Een ander noemt zulk een zaak te zwaar voor een plaatselijke Diaconie, daar het ten koste van eigen armen zou geschieden. Weer een ander maakt de opmerking, dat de Ver. voor Geref. Ziekenverzorging met 50 patiënten a ƒ c.— per dag wenscht te beginnen, terwijl onze Commissie voorstelt met 20 lijders a / i 50 aan te vangen. Br. Noteboom meent, dat de sanatoria's hun sporen nog niet verdiend hebben. _

Door de laatste sprekers raakten wij aardig in een verkeerd vaarwater verzeild en was het ons bedunkens goed, dat de broeders Von Meyenfeldt en Blankenberg hunne verwondering uitspraken over deze wijze van handelen. Waar de vorige Conferentie eenparig zulk een rapport begeerd had, daar ging het nu toch niet aan met een enkel woord heel den omvangrijken 1 arbeid van de Commissie te niet te doen. Steeds was er geroepen, dat aan de Diaconiën alle arbeid wordt uit handen genomen; zelfs een nietig, eigen Orgaan mochten wij niet bezitten. Sprekers achten het daarom noodig den arbeid der Commissie beter te waardeeren en eens een proef te nemen met het gedane voorstel. Wij behoeven ons niet bevreesd te maken, dat wij ons zoozeer zouden bezondigen met deze zaak ter hand te nemen. Stelt men de vraag of wij het mogen of moeten doen, dan zou men kunnen antwoorden: „Wij mogen wel, doch moeien niet.

De Voorzitter sluit zich hierbij aan en wenscht de zaak niet van de baan te schuiven. Gaarne zou hij een eigen Diaconaal gesticht voor onze ongelukkigen zien tot stand komen.

Ds. Teerink maakt hiertegen de opmerking, dat het moeilijk is uit te maken, of wij het mogen doen, daar wij dan voor het niet mogen een besliste uitspraak uit de Schrift zouden moeten aangeven, dat het niet mag, en daarvoor ziet Z. Eerw. geen kans. Doch de rapporteurs stellen het voor, dat het moet, en dit dienen zij toe te lichten en te bewijzen. Hoewel wij voor onze on-en minvermogende kranken moeten zorgen, toch kan Z. Eerw., hoe dankbaar ook voor den arbeid der Commissie, tot zijn leed wezen niet met het rapport medegaan.

Br. Stalknegt uit Velp zegt dat de Conferentie ten vorigen jare de Commissie benoemd heeft om de vraag te beantwoorden, wat wij in dezen doen kunnen, en nu de Commissie daaraan op uitnemende wijze voldaan heeft, dienen we dien arbeid te waardeeren.

Daarop neemt br. Sluyter het woord om de verschillende bezwaren te weerleggen en in een kort, doch gloedvol woord te {wijzen op de beste wijze van verzorging van teringlijders, op de roeping der Diaconiën in zake de verzorging van ellendigen, op het Diaconaat als het ambt der Chr. liefde en op het werk van onzen Heere Christus, tijdens zijne omwandeling op aarde. Niet alleen predikte Hij het Evangelie om de zonde te stuiten, doch ook de ellende van kran­ j ken en hongerigen lenigde Hij, om de gevolgen j der zonde te breken. Zoo moet ook in Christus Kerk het Diaconaat naast het Presbyteriaat staan, en naast de bediening van het Goddelijk Woord, de bediening der Goddelijke barmharrigheid te openbaren.

Br. Spier, eveneens lid der Commissie, gaat na waarom de Commissie benoemd is, en de bezwaren thans in 't midden gebracht. Alleen de geldelijke bezwaren acht hij van gewicht.

Wel ziet hij geen kans om met directe bewijzen uit de Schrift aan te toonen, dat de Keik als instituut deze zaak behoort te doen, doch wij moeten letten op de tweeërlei werking in de Kerk des Heeren, n.l. de openbaring van het particuliere of organische leven der Kerk en de openbare bediening door middel van de I daarvoor geroepen personen of ambtsdragers. Er is zoowel een particuliere als een openbare [ bediening des Woords. Zoo ook met de tucht. Ieder geloovige heeft wel particuUer recht tot vermaan, doch kerkelijk alleen de ambtsdragers. Evenzoo is het gesteld met het werk der barmhartigheid.

Ieder is in zijne omgeving verplicht en ge roepen om te helpen en wel te doen, doch voor de openbare barmhartigheid zijn de ambtsdragers geroepen en dus ook voor deze zaak.

Br. de Lange van Ermelo stemt toe, dat aan onzen arbeid nog veel ontbreekt en dat wij nog niet zijn, waar wij wezen moeten; doch wij moeten eerst plaatselijk ons beter openbaren en niet direct naar buiten in groote dingen onze kracht zoeken. Hij dringt aan op persoonlijken arbeid. Hulpkas te zijn moet onze eere zijn.

De Voorzitter kan zich met het gevoelen van den laatsten spreker niet geheel vereenigen. Wanneer wij onzen arbeid eerst plaatselijk moeten volmaken, dan komt er van deze en andere zaken nooit iets. Wij moeten rekening houden met de veranderde positie van het Diaconaat en hetgeen geschieden moet ten opzichte van de tegenwoordige behoeften onzer arme kranken en ellendigen. Het oprichten van zulk een Sanatorium is een zaak der barmhartigheid, en daarom dient het te geschieden.

Ds. Jonker zou misschien in deze zaak niets gezegd hebben, doch waar reeds een enkele maal de klacht geuit is, dat de diakenen in hun ambt beknopt worden en niets kunnen uitrichten, daar kan hij niet langer zwijgen. Is het omdat er nog geen Diaconale Sanatoria's zijn, of omdat het Diaconaat nog altijd leeft onder de bepalingen der Dordsche Synode ? Men moet de zaken niet te donker inzien. De Diaconale vergaderingen hebben wel terdege nut. De gedachten omtrent de roeping van het Diaconaat I zijn onder den invloed dier vergaderingen belangrijk gewijzigd, Met hoe weinig stelde men zich vroeger tevreden, en hoe zijn thans de eischen grooter geworden en is de gezichtskring verruimd.

Er is heel wat meer te doen dan vroeger en nog altijd blijft er arbeid genoeg; doch wij moeten niet vergeten, dat niet allereerst degestich ten de voorwerpen der barmhartigheid zijn, maar de personen, die niet particulier geholpen worden. En daardoor is nog vrij wat geld noodig, wat wij aan de Gemeente moeten bekend maken, opdat deze leere geven. Het diakenambt is een dienend ambt.

(Wordt vervolgd.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 27 september 1903

De Heraut | 4 Pagina's

^e ©fjfticnijE Centrale J^iatonaïe Conferentie

Bekijk de hele uitgave van zondag 27 september 1903

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken