Bekijk het origineel

Van ’s Heeren Ordinantiën.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Van ’s Heeren Ordinantiën.

20 minuten leestijd

XCII.

DERDE REEKS.

'sHeeren ordinantiën In de natuur.

DERDE DEEL.

XVII.

Zoo iemand tot een opzieners ambt lust heeft, die begeert een treffelijk werk. I Timotheus 3:1.

In dit en het volgend artikel hopen wij ons onderzoek naar de natuurordeningen voor het leven der menschelijke ziel in haar vereeniging met het lichaam, en daarmede ons onderzoek naar 'sHeeren ordinantiën in de natuur, ten einde te brengen. Ons voornemen is, daarna een nieuwe reeks artikelen over 'sHeeren ordinantiën in de zedelijke wereld te doen loopen. s v k h d

Wij hebben vroeger gezien, hoe de ziel bij haar ééne werkzaamheid twee, wel niet van elkaar te scheiden, maar toch te onderscheiden wijzen van werken openbaart, die wij als kenvermogen en wilsvermogen aanduiden, en dat met deze beide „vermogens" het gevoel, zonder zelf een afzonderlijk „vermogen" te zijn, op het innigst samenhangt.

Na ons onderzoek omtrent 'sHeeren ordinantiën voor het kenvermogen en die voor het, zoo met ons kennen als ons willen innig saamhangend, gemoedsleven, vragen thans dus nog onze aandacht de van God gestelde natuurordeningen voor ons wilsvermogen.

Gelijk nu, naar wij in onze artikelen over het kenvermogen vonèen, bij die wijze van werken der ziel, weer te onderscheiden valt tusschen gewaarworden en waarneming, voorstellen en denken; zoo ook moet bij deze wijze van zielewerking, welke wij willen noemen, weer onderscheiden worden tusschen allerlei zieleactie, waaruit het willen opkomt, en die wij kunnen saamvatten onder den algemeenen naam van streven. h d d r d v g

Is streven 'n krachtsinspanning, 'n trachten, 'n pogen, wij zullen straks zien, dat ook het willen een streven is, al is ook alle streven der ziel nog geen willen. Het „willen" toch, is dat echt menschelijke streven dat met verstand of rede gepaard gaat. Maar al gaat ook het willen.met verstand of rede gepaard, ja is bijna alle streven met kennen verbonden, zoodat ken-en wilsvermogen wel te onderscheiden, maar niet v te scheiden zijn, toch is ook het streven n der menschelijke ziel, dat in het willen zijn hoogsten trap bereikt, een eigen wijze van werken der ziel, en door het kennen, die andere wijze van werken, niet voortgebracht. l s w

Het is Gods natuurordinantie, dat onze ziel dus werkt, dat zij èn kent èn streeft. Zij heeft een vermogen om te streven, dat wij naar zijn voornaamste, zijn hoogste uiting wilsvermogen noemen, naast een vermogen om te kennen.

Dit zijn twee afzonderlijke vermogens, en het wilsvermogen ontstaat evenmin uit het kenvermogen, als het kenvermogen uit het wilsvermogen.

Wij leggen hier nadruk op, wijl zonder dit goed in te zien, het wezen, de natuur van het willen niet wordt verstaan.

Alvorens nu, in dit artikel, de scala of ladder, waarlangs het streven opklimt om als „willen" de hoogste sport te bereiken, na te gaan en er Gods ordeningen voor na te speuren, zullen wij eerst, even als wij bij het kennen en het gevoel hebben gedaan, aanwijzen, hoe de Schrift het willen en het begeeren, waaruit het willen opkomt, weer in verband brengt met het hart.

Wij kunnen ons ook hier uiteraard slechts bepalen tot enkele schriftuurplaatsen.

Het is dan het hart dat den mensch tot willen beweegt. Zoo lézen wij in Exodus 35 : 29, bij de oprichting van den tabernakel: lle man en vrouw, welker ^^^? hen vrijwillig bewoog te brengen tot al het werk, hetwelk de Heere geboden had te maken door de hand van Mozes, dat brachten de kinderen Israels tot een vrijwillig offer den Heere. En ook in vs. 21 lezen wij: n zij kwamen alle man wiens hart hem bewoog, en een ieder wiens geest hem vrijwillig maakte, die brachten des Heeren hefoffer tot de tent der samenkomst.

Is „willen" een zich voornemen, — van Daniël lezen wij, hoe hij voornam in zijn ^«^if, dat hij zich niet zou ontreinigen rriet de stukken van de spijs des konings, noch met den wijn zijns dranks. (Daniël i : 8). En naar aanleiding van het geven in de collecte voor de kerk van Jerusalem, schrijft Paulus aan de Coi'inthicrs: en iegelijk doe gelijk hij in zijn hart voorneemt. (2 Cor. 9 4 7).

Het wilsbesluit, na voorafgaand overleg, wordt toegeschreven aan het hart. Het was ook in het hart van mijnen vader David, een huis den naam van den Heere, den God Israels te bouwen, zegt Salomo (i Kon. 8 : 17); en de koningin van Scheba die tot hem kwam, sprak tot hem al wat in haar ^ar^f was (i Kon. 10 : 2). Evenzoo lezen wij bij Jesaia van den Assyriër, dat hij in zijn hart zal hebben te verdelgen en uit te roeien niet weinige volken (h. 10 : 7).

En in het Nieuwe Testament vinden wij hoe Barnabas, te Antiochië gekomen, de discipelen aldaar vermaant, dat zij met een voornemen des harten bij den Heere zouden blijven (Hand. 11 : 23); en hoe Paulus spreekt van een vader die in zijn hart besloten heeft, dat hij zijn dochter ongehuwd zal houden (i Cor. 7 : 37). Verder lezen wij in psalm 21:3 hoe de Heere den koning zijns hartenwenschheeit gegeven.

Eindelijk zij er nog op gewezen hoe men al het gewillige van harte doet.. Maar Gode zij dank, schrijft Paulus aan de Romeinen, dat gij wel dienstknechten der zonde waart; maar dat gij nu van harte gehoorzaam geworden zijt aan het voorbeeld der leer, tot hetwelk gij overgegeven zijt (h. 6 : 17).

Staat nu, zooals wij vroeger vonden, het on-of onder-bewuste leven onzer ziel in verbinding met het hart, en het bewuste, f dat waar wij „weet" van hebben, in verbinding met het hoofd, door ook het beeeren, het willen toe te schrijven aan het art, wijst de Schrift ons naar dat nog oner het bewustzijn liggende zieleleven, als en dieperen grond, waaruit ook het streven opkomt.

Uit het hart zijn de uitgangen en ook de ichtingen des levens, en deze laatste woren ten slotte weer bepaald door den stand an uw hart tegenover God.

In onze volgende reeks zullen wij geleenheid hebben, hierop terug te komen. Thans hebben wij na te gaan de verschilende trappen van de scala, waarlangs het streven opstijgt, om, na zich met het vertand of de rede te hebben verbonden, tot illen te worden.

Ieder wezen tracht in zijn bestaan te volharden.

Dit is een scheppingsordinantie, die wij ten deele reeds in de an-organisché, maar ooral in de organische natuur kunnen waaremen. Van de eenvoudigste tot de meest samengestelde organische wezens, van de cel tot den mensch, en bij al wat daar tusschen ligt, bij plant en dier, vindt ge het trachten, het streven, naar volharden in zijn bestaan.

Overal een streven om wat dat bestaan kan bevorderen te zoeken, en wat het bedreigt te vlieden. Wijl ieder natuurwezen daartoe onbewust wordt gedreven, spreekt men hier van natuurdrift.

Dit natuurlijk streven, dat, zoo als b.v. bij de plant, die, om in haar bestaan te volharden, zich naar het licht keert, nog geheel buiten het bewust-zijn omgaat, reeds, zoo als sommige wijsgeeren doen, wil te noemen, verdient, omdat het tot spraakverwarring aanleiding geeft, geen aanbeveling. Onder „wil" verstaan wij nu eenmaal het met verstand of rede verbonden streven. Alle streven, dat daarmee niet is verbonden, is geen „willen, " en de natuurdrift is dan ook slechts een van de elementen of eerste bestanddeelen, waaruit het willen opkomt.

Deze natuurdrift nu brengt ook de mensch, om zoo te zeggen, van huis uit mee. Zij behoort tot zijn wezen. Zij gaat van de ziel zelf uit,

Komt „drift" van „drijven, " wat ons in de natuurdrift drijft om, wat ons bestaan bevordert, te zoeken en wat het bedreigt te vlieden, is het gevoel van lust of onlust dat, naar wij gezien hebben, verbonden is met onze gewaarwording.

Eerst het gevoel, dat altijd op het tegenwoordige ziet, zet de natuurdrift in beweging.

Het eigenaardige van de natuurdrift is, dat zij blind is, m. a. w. het is een streven, dat nog niet gepaard gaat met het bewustzijn van het object, het voorwerp waardoor het bevredigd wordt.

Het jong geboren kind heeft de gewaarwording van honger, en het onlustgevoel, dat daarmee gepaard gaat, uit het in de zuigbewegingen met zijn lippen. Het maakt die bewegingen zonder overleg, en is zich z daarbij evenmin bewust van een bepaald doel. n Toch wordt juist bij deze bewegingen het doel b uitnemend bereikt, wanneer de moeder haar o kindeke aan de borst lepf-^^ ^Vij hebben hier z een overeenkomst althan.s, i'iiet wat vroeger bij s'Heeren ordinantiën voor de dierenziel als instinct Ier sprake kwam, en wat wij toen leerden kennen als een eigenaardige dispositie of geschiktheid van het organisme, om zonder bewustzijn van voornemen of doel, toch hoogst doelmatige, nimmer missende bewegingen te verrichten. t d e h a e

Dus bouwt de bij haar cel, de spin haar web en zwemt het eendje, zonder dat zij het hebben geleerd.

Dergelijke instinctieve bewegingen nu, O veroorzaakt doordat in ons zenuwstelsel m de beweegzenuwen, na een prikkeling van t de gevoelszenuwen, onwillekeurig, d. w. z. O zonder tusschenkomst van den wil, werken, c maakt de mensch heel zijn leven door. Hoesten en niezen, de hand naar het hoofd strekken om zich te verdedigen, het zijn alle onwillekeurige bewegingen, naar aanleiding van gewaarwordingen.

Is de natuurdrift niet anders dan het streven der geschapen wezens, om in hun bestaan te volharden, ook de natuurdrift des menschen is niet anders dan het streven naar zelfbehoud.

Het is bij den mensch niet anders dan die natuurlijke zelfliefde, welke op zich zelf zoo weinig zondig is, dat Jezus haar tot maatstaf stelt van de naastenliefde, wanneer Hij het: Gij zult uw naaste liefhebben als uw zelven, " uit Leviticus 19:18, hetgroote gebod noemt.

Nu is het menschelijk bestaan zoo rijk, wijl de mensch als zinnelijk-geestelijk wezen, zoowel aan de zichtbare als aan de onzichtwereld verwant is, dat bij den mensch, om in zijn bestaan te volharden, de nat^urdrift zich nog veel rijker dan bij de hoogst ontwikkelde dieren verbijzondert.

Wel is de natuurdrift nog een streven zonder bewustzijn van doel, maar diep uit de ziel zelf komt dit streven op, om haar menschelijke existentie, het „menschwaardig bestaan, " zooals men tegenwoordig zegt, te handhaven. Daarom kan men dan ook wel degelijk, al hebben sommige zielkundigen daar ook bezwaren tegen, van een veelheid van menschelijke natuurdriften of aandriften spreken. Voert men daartegen aan, dat het onbekende niet wordt begeerd, men verwart dan juist natuurdrift met begeerte. Doch, mits men maar wèl in het oog houde, dat al deze natuurdriften slechts wijzigingen zijn van de ééne onbewuste natuurdrift tot zelfbehoud ; wijzigingen daarvan naar de verschillende zijden van 's menschen bestaan, dan kan men, wijl de mensch in zijn lichaam en ziel een stoffelijk geestelijk bestaan heeft, de natuurdriften, onderscheiden in zulke, die meer met de zinnelijke en in zulke, die meer met de geestelijke zijde van ons wezen in verband staan.

Tot de eerste soort behooren dan de voedingsdrift en de zinnelijke drift in enger zin, waarbij de mensch streeft naar gezichts-en gehoorgewaarwordingen. Van duisternis en volstrekte stilte toch hebben wij, tenzij onze zenuwen vermoeid zijn, een natuurlijken afkeer. Verder de drift tot afwisseling, en eindelijk de geslachtsdrift.

Hoe innig met al deze verschillende zin^ nelijke driften, die alle verbonden zijn met gevoel van lust en onlust, het zieleleven zelf saamhangt, leert ons niet alleen de zelfwaarneming maar ook de Schrift, waar b.v. Paulus te Lystre (Hand. 14 : 17) zegt, hoe God der menschen harten vervult met spijs en vroolijkheid, én dus gedoeld wordt op het lustgevoel der verzadiging.

Tot de natuurdriften of aandriften van de tweede soort behoort allereerst het onbewuste streven der ziel om zich voorstellingen te vormen en deze te verbinden. Het vertoont zich reeds bij de hoogere dieren en vormt met de nieuwsgierigheid, of het streven naar steeds nieuwe voorstellingen, dan ook den overgang tot die hoogere geestelijke aandriften, welke den mensch eigen zijn. Is het 'n natuurlijke aandrift van den geest, om steeds bezig te zijn met zijn voorstellingen, en ook om steeds de wereld zijner voorstel lingen te verrijken, hoe meer nieuws de ziel van de wereld buiten zich gewaarwordt, des te levendiger wordt het daarmee gepaard gevoel van verwondering, waarbij de natuurlijke aandrift tot kennen en weten zich ontwikkelt. Ook is er een natuurlijke aandrift om op die buitenwereld in te werken en die zich bij het kind reeds als spel, bij den mensch als aandrift tot arbeiden openbaart. En evenzoo is er ook een natuurdrift, een onbewust verlangen in de menschelijke ziel naar schoonheid, terwijl zij het leelijke, dat met een onlust-gevoel gepaard gaat, van ich stoot. En eindelijk is er, omdat de mensch aar Gods ordinantie, in zijn bestaan geonden is aan God en zijn medemenschen, ok een natuurlijke aandrift tot religie en edelijkheid.

Zeker, hócft de üonde, wat dit laatste bereft, ook hier de menschelijke natuur verorven, maar toch bleef ook de zondaar en menschelijk wezen, en al kent en zoekt ij den eenigen en waarachtigen God niet meer, toch bleef in zijn ziel een natuurlijke andrift, een onbewust verlangen naar 'n God; n al kent en zoekt hij van nature niet meer wat voor God goed is, toch is er ook in en zondaar een natuurlijke aandrift, zij het ok door de zonde gestuit, tot het goede. ok buiten Israël en het Christendom vindt en dan ook onder alle volkeren en in alle ijden religie, zij het ook valsche religie. ok vindt men, zij het al niet de ware, de hristelijke, toch onder alle volkeren en in alle tijden, zedelijkheid. Een zedelijkheid, die zich onder meer openbaart in het onbewust verlangen naar achting en eer; in het onbewuste streven naar gemeenschap met de menschen; een naiuurdrift, die den mensch maakt tot een „gezellig wezen." Men ziet, uit dit alles, dat een „menschwaardig bestaan" veel meer insluit dan de bevrediging van bloot zinnelijke natuurdrift. Naar 'sHeeren ordinantiën is het veel rijker.

Uit de nog onbewuste natuurdrift nu ontwikkelt zich de begeerte. Hier heeft het streven een hooger trap bereikt dan bij de „natüurdrift, " en wel omdat het met kennen gepaard gaat. Het is deze kennis, die de mensch gewoonlijk opdoet, wanneer een natuurdrift bij hem bevredigd is. Een kennis die, gelijk alle kennen, haar oorsprong heeft in een gewaarwording, waaruit de ziel straks een voorstelling vormt. De voorstelling van wat haar bevredigd heeft.

Om dit te verduidelijken moeten wij weer terug naar het kind. Het onlust-gevoel, dat zich paart aan de gewaarwording van den honger, brengt zijn natuurdrift in beweging, doet hem streven naar verzadiging. Doch eerst als dit onlustgevoel op een bepaalde wijze bevredigd is, begeert het kind naar een bepaald voedsel.

En zoo is het ook met al de begeerten van den volwassen mensch. Hij begeert alleen wat hij kent. Het onbekende wordt niet begeerd. Bij het begeeren, in tegenstelling met de drift, kent de ziel het doel van haar streven.

Is het begeeren dus altijd verbonden met een voorstelling, het is tevens of een verlangen naar of een afschuw van die voorstelling, al naardat zij met een lust-of een onlust-gevoel is gepaard. En wat de ziel dus begeert is dan ook niet het ding zelf maar de voorstelling er van. Niet het brood of het water, maar de voorstelling van brood of van water begeert de^^ïV/van den hongerige, van den dorstige. Ligt in het van zijn doel bewuste streven het eigenaardig verschil tusschen begeerte en drift, daarbij hoort ook nog, dat de natuurdrift iets blijvends is, maar de begeerte voorbijgaat, ledere begeerte houdt op met hare bevrediging. Het streven komt dan tot rust, om echter, juist wijl de natuurdrift blijft, straks weer als een nieuwe begeerte zich te openbaren.

Komt dus het begeeren op uit natuurdrift, men ziet hier uit, dat het begeeren op zich zelf niet zondig is.

Zegt ook de Wet des Heeren: Gij zult niet begeeren; hiermee is niet het begeeren zelf, maar het tegen Gods wil in, met bewustheid nastreven van wat God ons verboden heeft te begeeren, veroordeeld. En zoo weinig is het begeeren op zich zelf dan ook zonde, dat Paulus aan Timotheus schrijft: Dit is een getrouw woord: Zoo iemand tot een opzienersambt lust heeft, die begeert een treffelijk werk (i Tim. 3 : i). M. a. w. indien iemand verlangt of streeft naar het ambt van opziener der Gemeente, waarvan hij zich, uit wat hij gezien heeft van den arbeid der opzieners een voorstelling heeft gemaakt, hij begeert een zeer voortreffelijk werk, watit hij verlangt met bewustzijn naar het leiden, besturen en opbouwen der Kerk van Christus.

Hebben wij in het woord van Paulus een voorbeeld van een geestelijke begeerte, wijl het streven hier verbonden is aan eeii voorstelling van geestelijke dingen, wij kunnen, waar. het doel zich richt op de voorstelling van stoffelijke of zinnelijke dingen, ook van zinnelijke begeerten spreken. — Zoo is b. v. de begeerte naar brood of naar geld tot die der laatste soort te rekenen.

• Dat nu werkelijk het doel onzer begeerte nooit een uitwendig ding, maar steeds een voorstelling is, en dat zooals wij boven schreven de hongerige niet het brood en de dorstige niet het water, maar de voorstellingen van brood en water begeert, zal, hoe vreemd het ook klinke, duidelijk worden, indien men bedenkt, dat begeeren een actie van de ziel is, waarbij zij, juist om het gevoel van lust of onlust dat zich aan een voorstelling verbindt, die voorstelling al of niet nastreeft. Zegt men nu, dat de „voorstelling" van brood onze maag toch niet voedt, dan is dit volkomen juist. Maar wat de ziel bevredigt, wat haar lust geeft is dan ook niet 'n verzadigde maag, maar de gewaarwording, en de daaruit ontstane voorstelling, die zij door middel der gevoelszenuwen van een verzadigde maag ontvangt doch die zij — en daarom baat haar ook niet het zich „verbeelden" van een voorstelling — dan ook niet ontvangt, tenzij dat de maag verzadigd is.

Verder dient hier nog gewezen op het merkwaardig verschijnsel, dat de begeerte, in hevigheid toeneemt naarmate de bereiking van haar doel min of meer raet zwarigheid gepaard gaat. Ieder onzer weet uit zijn ervaring hoe hijjuist dat het sterkst begeert, wat te verkrijgen hem moeite kost. De tegenstand, dien het streven ontmoet, doet het winnen aan kracht, en aan de gewaarwording van de eindelijke overwinning der belemmering paart zich een des te sterker lustgevoel. j

Ten slotte zij nog opgemerkt, dat al houdt ook iedere begeerte op zoodra haar doel is bereikt, de meeste begeerten straks weer terugkeeren en het leven onder een gestadige afwisselling van verlangen en bevredigen verloopt. Toch gebeurt het dat sommige begeerten meer dan andere telkens terugkeeren en tot gewoonte worden en daaruit ontstaat dan wat men neiging noemt, m. a. w. de geschiktheid der ziel tot een bepaalde begeerte. Wordt zulk een neiging ten slotte zoo sterk, dat zij onweerstaanbaar wordt als een natuurdrift, dan spreekt men van een hang, oi zucht.

Is de neiging op zich zelf noch goed noch slecht, en spreekt men dan ook zoowel van goede als slechte neigingen bij een mensch, de „hang" of „zucht" is altijd slecht. De drankzuchtige, de eerzuchtige, de geldzuchtige is zedelijk te veroordeelen. Hiermede zijn wij echter reeds op het grensgebied tusschen het natuurlijke en het zedelijke. Tusschen wat de ziel naar 's Heeren Scheppingsordinantie is en wat zij door de zonde der menschen is geworden. En op dit grensgebied ligt ook wat wij hartstochten noemen.

„Hartstocht" is altijd, even als „hang" of „zucht", zedelijk te veroordeelen. Hij mag niet verward worden met het, in een vorig artikel besproken, „affekt", met de gemoedsbeweging of - aandoening. Dat men zoowel voor hartstocht als voor affekt den eenen naam „passie" gebruikt, een woord dat van het Latijnsche „pati", lijden komt, doet het verschil vaak over het hoofd zien. Toch ^al het duidelijk uitkomen indien men bedenkt, hoe wij aan God en ook aan Christus naar zijn menschelijke natuur, wel „ziels-aandoeningen" toeschrijven, maar het heiligschennis zou wezen hier van „hartstochten" te spreken.

Hartstocht en affect verschillen dan ook in oorsprong. De eerste komt op uit het begeeren, de tweede uit het gevoel. Verder is een zielsaandoening snel voorbijgaand, maar een hartstocht veel duurzamer. En eindelijk, een affekt tast wel ons lichaam aan, maar een hartstocht onze ziel. ledere hartstocht is een zielsziekte, een „zielekoorts" die den mensch ook zedelijk krank maakt. Kan men spreken van edele affekten, nooit mag men spreken van edele hartstochten.

Wij zullen in ons volgend en tevens laatste artikel over 's Heeren natuur-ordinantiën voor ons zieleleven zien, hoe het uit het diepst der ziel opkomend streven beheerscht en geleid moet door verstand of rede, hoe het in den wil tot een redelijk begeeren moet worden.

Wordt nu de begeerte zoo machtig, dat zij niet slechts onze gemoedsrust stoort, maar ook ons verstand benevelt en onzen wil overheerscht, dan ontstaat de hartstocht. Hartstocht ^is dus een begeerte, die zich niet meer laat beheerschen, maar zelf het bewustzijn beheerscht. Een muiterij op het gebied der ziel, waarbij wat leiding moet geven, zich de leiding ontnomen ziet en zelfs wordt meegesleept. Eén enkele voorstelling treedt den telkens in het bewustzijn van den hartstochtelijke en dringt alle andere terug. Hij is er voortdurend mee bezig, en toch is zij voor den onpartijdigen beoordeelaar niet waard zulk een plaats in te nemen, en evenmin kan de weg, waarlangs de hartstochtelijke zijn doel tracht

te bereiken, zedelijk goedgekeurd. Eigenaardig is daarbij dat het verstand, hoe beneveld ook in ander opzicht, een verfijnde en geraffiaeerde scherpzinnigheid openbaart in het uitdenken van middelen die tot het doel kunnen voeren.

Een kleinigheid, een enkele zinnelijke gewaarwording met het haar verbonden lustgevoel kan uit natuurdrift of neiging, als een vonk in licht ontvlambare brandstof, het vuur van den hartstocht doen ontstaan. De verbeeldingskracht, die het onbeheerschte streven in zijn dienst neemt, de moeite, de zwarigheid, die het op zijn weg naar het doel ontmoet, voeden den hartstocht, doen het onheilig vuur al hooger opvlammen. Wat men gewoonlijk noemt het „beter ik" in den mensch wordt dan op zij gedrongen en er ontstaat een schijnbare vrijheid en kracht, die over alle beseffen en gevoel van zedelijkheid triomfeert. Is het doel eenmaal bereikt, de ongebreidelde begeerte tot bevrediging gekomen, dan volgt straks een inzinking van kracht, een onlustgevoel van berouw, soms van vertwijfeling, gepaard aan de zelfver oordeeling.

Het eens zoo heftig begeerde wekt dan 's menschen afkeer, gelijk ook zoo diep zielkundig staat geschreven van Amnon tegenover Thamar: e haat waarmede hij haar haatte, was grooter dan de liefde waarmee hij haar bad liefgehad. (2 Sam. 13 : 15). Ook bij den hartstocht kan men onderscheiden tusschen meer zinnelijke, zooals vraatzucht, drankzucht en wellust, en meer geestelijke, zooals eerzucht, heerschzucht, geldzucht en wraakzucht.

Het streven opkomend uit de natuurdrift tot het volharden in zijn bestaan, is in zichzelf goed noch slecht.

Het werd eerst slecht toen de zonde den staat en stand des menschen tegenover zijn God ontwrichtte en hem er toe bracht niet in de verheerlijking van zijn God, maar lo van Hem, in zijn eigen geluk het laatste doel van zijn bestaan te zoeken.

Het is Gods gemeene Gratie, die allerlei middelen schonk waardoor de doorwerking der zonde hier op aarde ook in het streven en begeeren der menschen gestuit wordt; het uitbreken van wilden hartstocht bij den „zedelijken" mensch wordt verhinderd.

Maar het is de bijzondere Genade die ons eerst weer stelt in den rechten staat voor God, en door ons te doen beseffen dat heel ons bestaan is om God, het streven en begeeren onzer ziel weer op Hem als het laatste doel richt.

De bijzondere Genade, die weer heiligt ook ons begeeren.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 29 november 1903

De Heraut | 4 Pagina's

Van ’s Heeren Ordinantiën.

Bekijk de hele uitgave van zondag 29 november 1903

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken