Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

„Zoodat er geen gebed doorkwam”.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

„Zoodat er geen gebed doorkwam”.

9 minuten leestijd

Gij hebt U met eene wolk bedekt, zoodat er geen gebed doorkwam. Klaagl. 3: 44.

Als een kind zijn vader mondeling om iets vragen wil, zoekt het eerst waar zijn vader is; en eerst als het vader gevonden heeft, vraagt het om wat het hebben wil. Alvast te gaan spreken, eer het zijn vader nog gevonden had, zou kinderdwaasheid zijn, blijk van dwingen zonder zin.

Steekt hierin nu niet een vingerwijzing voor ons bidden ?

Ook wie als Gods kind tot zijn Vader in de hemelen bidden zal, en geloovende iets van zijn God begeert, dient toch eerst naar zijn God toe te gaan, moet toch eerst zijn God zoeken, en eerst als hij zijn God gevonden heeft, kan hij zijn God vragen om wat zijn ziel begeert.

Maar juist bij het bidden wordt hieraan zoo menigmaal niet gedacht, en keer op keer ontwaart men aan zijn eigen gebed en aan anderer bidden, dat er meer in de lucht wordt gesproken, dan dat er gebeden en gesproken wordt tot den levenden God. Of valt het te loochenen, dat vooral bij het hardop bidden met anderen saam, en niet het minst in de Kerk, soms meer een vertoog en een redeneering, dan een waarlijk spreken tot den God vol majesteit in het gebed te beluisteren valt. •*

Over het stil gebed in de eenzaamheid valt minder te zeggen. Daarbij toch heeft ieder alleen de waarneming van zijn eigen gebed ter beschikking, of wat anderen er zelf van mededeelen. Doch ook al bepaalt men zich hiertoe, dan zijn nog de klachten voor het broederoor over het ontzield gebed geuit, veelvuldig genoeg, om de vrees te rechtvaardigen, dat ook zelfs in het stil gebed soms het prevelen of uitspreken van woorden maar alvast begint, nog eer de ziel er zich van bewust is, dat ze haar God terug heeft gevonden.

Het vele bidden en het lange bidden werkt dit in de hand. De oogen gaan dicht, de handen - worden saamgevouwen, en nu begint het met eenige bekende gebedsformules, niet oneer biedig, maar ook toch allerminst met dien zeer diepen eerbied die ons voor God betaamt. Zelfs aan de stem en aan den toon van het bidden merkt ge het soms, dat het een bidden voor den vorm is, maar volstrekt geen spreken tot God.

Herhaaldelijk toont de Schrift dan ook, dat niet elk gebed als een bidden tot God geldt. Ze spreekt ons van oogenblikken, waarin ons gebed verhinderd wordt; ze doet ons het woord des Heeren beluisteren: „Als gij het gebed vermenigvuldigt, hoor ik niet"; en ze teekent ons de klacht van den profeet op, „dat er geen gebed naar God doorkwam." Dan is de hemel als van koper; dan is er geen opening en geen ontsluiting; dan is er geen toeleiding en geen ingang; en de geest der genade en der gebeden ontbreekt.

In Sion was een „aanspraakplaats van Gods heiligheid". En ook als de vrome Jood in het gebergte omdoolde óf op zijn hoeve bij de Jordaan vertoefde, richtte hij zich bij het doen van zijn gebed naar die aanspraakplaats (Psalm 28:2). Ook toen Israël in ballingschap was, keerde het zich bij zijn bidden naar Sion. Nawerking hiervan is nog, dat in veel streken en in veel kerken de gewoonte bestaat, om als men eens ernstig bidden wil, niet thuis, maar in de kerken te bidden. Zulk een kerk staat daarvoor dan den ganschen dag open, en in het plechtig eenzame van zulk een statig gebouw knielt men dan ongekend en ongemerkt neder, in de verwachting dat de nabijheid des Heeren zich op deze indrukwekkende plaats krachtiger openbaren zal. Vooral voor wie klein behuisd is met een groot gezin, biedt dit ontegenzeggelijk een voordeel. Voor wie thuis altoos wel een leeg vertrek vindt, waar hij de deur op slot kan doen, en eenige oogenblikken alleen met zijn God zijn, bestaat die behoefte niet. Maar de groote massa mist dit. In die kringen is men bijna nooit alleen, is bijna nooit stilte, is bijna nimmer de eenzaamheid te vinden, die voor het gebed zoo machtig helpt. En nu kan men wel in hooge geestelijkheid al zulk stil bidden in de leege kerk als een te veel hechten aan een dusgenaamd gewijde plaats veroordeelen; maar wie zoo spreekt, heeft vermoedelijk nooit het pijnlijke gekend van te wonen in een vertrek, waar bijna nooit een stil oogenblik voor eenzaam bidden te vinden is.

Doch ook afgezien van dit huisbezwaar, mag toch nooit vergeten, dat God zelf in Israël zulk een aanspraakplaats van zijn heiligheid had ingesteld, en er de biddende ziel onder Israël op had gericht.

Daarin lag een opvoedingsmiddel om van het vormelijk en uitwendig prevelen tot het echte bidden, d. i. tot het spreken tot God, te geraken. Zoo toch werd de vrome Jood er telkens aan herinnerd, dat hij, om te kunnen bidden, eerst zijn God in het oog der ziel moest hebben gevat, en eer hij bidden ging, de gemeenschap tusschen zijn ziel en zijn God moest hebben aangesloten. Bidden zonder dat men eerst zijn God heeft gevonden, en nu weet dat men tot Hem spreken kan, is toch eigenlijk een carricatuur van het gebed.

Wie bidden zal, moet weten dat God op dat eigen oogenblik merkt op de stem van zijn gebed; dat Hij zijn oor tot ons gebed neigt; dat Hij naar onze smeeking luistert. En juist dat geestelijk besef kan in uw ziel niet wakker zijn, indien ge, alvorens te bidden, u niet met volle bewustheid voor Zijn aangezicht hebt gesteld.

Gods kind bidt altoos in Jezus naam. Hij moet dat wel, omdat hij, onverzoend en onverlost, bij zijn God geen luisterend oor zou vinden. Maar ook dat bidden in Jezus' naam wordt een woord zonder zin, als men zich niet eerst voor het aangezicht van den Heilige plaatst, nu voelt dat men tot Hem uit zichzelf geen toenadering heeft, en daarom, en daarom alleen, voor zijn God verschijnt gedekt in Christus.

Wat hier de moeilijkheid baart, Js Gods alomtegenwoordigheid. Juist het geloofsbesef, dat God aan tijd noch plaats gebonden is, en alzoo overal is, brengt teweeg, dat men er toe neigt om in de lucht te spreken zonder vooraf zijn gedachten op God samen te trekken. Hem ons voor oogen te stellen, en zoolang Zijn aangezicht te zoeken totdat men Hem gevonden heeft.

Toch leert God zelf in zijn Woord het ons anders.

Ook al openbaart de Schrift ons in de heerlijkste woorden Gods alomtegenwoordigheid, dat heeft voor het gebed nooit andere beduidenis, dan dat we, waar wij ook zijn, altoos en overal onzen God vinden kunnen. Maar even machtig openbaart zij ons, dat we, op wat plek we ons ook bevinden, met den levenden God te doen hebben, die ons van voren en van achteren bezet, die ons gaan en ons liggen omringt, en die al onze wegen gewend is. En bij dit alles wijst ze ons altoos naar boven. We moeten onze ziel in het gebed ophezen. Naar de hemelen moet zich onze biddende gedachte richten. Er is een troon der genade, waar Gods majesteit uitblinkt. Het is het paleis daarboven waarheen onze gebeden opklimmen. Het is de levende, de persoonlijke God die zich tot ons neigt en naar Wien onze biddende ziel zich moet wenden.

Zeker, uw voorstelling» kan u daarbij niet te hulp komen, want God is een geest, en die Hem aanbidden moeten Hem aanbidden in geest en waarheid. Maar wie Hem kent als zijn Vader die in de hemelen is, weet toch, dat hij niet te doen heeft met een zich overal heen uitstrekkende en uitbreidende kracht, maar met zijn Bondsgod, met zijn Heere en zijn Koning, en die kan niet rusten eer hij, om goed te kunnen bidden, den verborgen omgang met zijn God hersteld en opnieuw gemeenschap met zijn God verkregen heeft.

Vroeger, toen men noch telegraaf noch telephoon kende, scheen dit nog raadselachtiger dan nu. Thans daarentegen kennen we bij ervaring een gemeenschap onder menschen op onmetelijke afstanden, door niets ondersteund dan door een zwakken metalen draad. En zelfs die draad viel reeds weg. Er is thans een telegraphie zonder draad, die in haar wondere werking een schoon beeld voor ons bidden is geworden. Gemeenschap met God zonder eenig tusschenmiddel.

Ook de dusgenaamde telepathie komt ons hier te hulp. De bewezen feiten, hoe personen die op grooten afstand van elkander waren, toch van ziel tot ziel gemeenschap en openbaring der gedachten kunnen hebben, is een vingerwijzing hoe onze ziel met God gemeenschap en openbaring der gedachten kan hebben, omdat, waar de menschelijke ziel dat reeds vermag, bij God de middelen van geestelijke gemeenschap nog zoo oneindig veel grooter zijn.

De zaak is maar, dat we in en bij ons bidden op de onmisbaarheid van die gemeenschap gaan letten, en niet gaan bidden, eer we die aan sluiting aan God, die gemeenschap met God, dien toegang tot God verkregen hebben.

Als Jeremia klaagt, dat zijn gebed niet doorkwam, omdat God zich met een wolk had om huid, toont hij hiermede die gemeenschap gezocht te hebben, en te hebben ontwaard, dat hij geen aansluiting verkrijgen kon.

Zooals iemand voor de telephoon staat, en opschelt, en geen gehoor krijgt, omdat de draad gebroken is, zoo staat dan ook de bidder voor den hemel, en hij roept naar God om gehoor, hij zoekt aansluiting van gemeenschap, maar er komt geen teeken van leven terug.

Doch juist dat toont dan ook, dat het echte bidden niet kan beginnen, eer ge gehoor hebt gekregen, eer ge aansluiting hebt, en eer ge weet dat Gods aangezicht zich aan u ontdekt heeft.

Is er nu geen toeleiding, dan is uw gebed verhinderd; en dat ligt aan u, aan uw zonde, aan uw verstrooid zijn in uw gedachten, aan uw te bezet zijn met wereldsche zaken, aan uw verkeerde gemoedsstemming, aan de oppervlakkigheid en uitwendigheid van uw zielstoestand.

De verkeerde bidder nu stoort zich daaraan niet. Hij bidt toch maar, ook al ontbreekt alle gevoel en besef van aansluiting, ja al ontwaart hij dat zijn gebed niet doorkomt. Hij heeft den toch gebeden, en daarmee is het uit. Maar de echte, de vrome bidder doet zoo niet. Voelt hij verhindering, merkt hij dat er een wolk tusschen hem en zijn God trok, dan keert hij in zich zelf, valt in de verootmoediging,

zoekt de besprenging in het bloed van zijn Heiland. En dan komt de aansluiting, dan gaan de poorten des hemels voor hem open, en zijn gebed gaat ten slotte toch door en klimt op voor het aangezicht van den Heilige, L

Dat juist is de heiligende kracht van goede gebedspractijk.

Is er eerst geen gebed, toch staat men niet op, eer het gebed komt en de toeleiding tot den troon der genade verkregen is.

Maar juist in die worsteling wordt met de zonde gebroken en de genade in Christus hersteld.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 6 december 1903

De Heraut | 4 Pagina's

„Zoodat er geen gebed doorkwam”.

Bekijk de hele uitgave van zondag 6 december 1903

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken