Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Van de tien geboden.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Van de tien geboden.

17 minuten leestijd

I.

Toen sprak God al deze woorden. Exodus 20 : I.

Wij gaan thans, na onze twee inleidende artikelen omtrent 'sHeeren ordinantiën in de zedelijke wereld, onverwijld over tot de bespreking van de „Wet des Heeren" of de Tien geboden.

In de Tien geboden, door Jehova aan Israël bij den berg Sinaï gegeven, hebben wij, mits geestelijk verstaan, d. w. z. zoo, dat men er het algemeen-menschelijke van het nationaal-Israëlitische uit los maakt, van den vorm doordringt tot het wezen; Gods geopenbaarden wil voor ons zijn en handelen; ons bestaan en gedrag in de relatie, de betrekking tot Hem en de menschen.

En dus opgevat, is de dekaloog of de „Tien woorden, " dan ook niet een geheel nieuwe bekendmaking voor het religieuze en zedelijke leven des menschen, maar de van eeuwigheid in Gods Raad met souverein welbehagen, vastgestelde ordening voor den mensch als zedelijk wezen.

Een ordening, die de door God goed geschapen mensch, in zijn eigen wezen vond, en die hem even natuurlijk was, evenzeer een vanzelfsheid, als de ordeningen Gods voor zijn lichamelijk leven, voor zijn ademhaling en bloedsomloop. Wel heeft hij niet zich zelf deze zedewetten gegeven; want niet de mensch, maar God is, krachtens zijn volstrekte souvereiniteit, de Wetgever in de zedelijke wereld; maar de zedewet is den mensch ook niet, om zoo te zeggen, van buitenaf aangebracht. Zij is hem in het Paradijs niet door een engel voorgezegd, of door God afgekondigd, maar zij hing op het innigst met heel zijn wezen saam, was, zoo als de Schrift dat noemt, „ingeschreven in zijn hart."

Eerst toen — nadat God, in nederbuigende goedheid, met den mensch tegen satan het verbond der werken had gesloten, waarbij op een bepaald punt, in het proefgebod vervat, 's menschen trouw aan zijn God moest uitkomen, — de zonde uit de wereld der engelen in die der menschen kwam; het proefgebod overtreden; en daarmee het werkverbond van 'smenschen zijde trouweloos verbroken was, — eerst toen is de aard, de natuur van 'smenschen wezen, al is ook dat wezen zelf gebleven, dus verdorven, dat er „schrikkelijke duisternis over zijn verstand, wederspannigheid in zijn wil, mitsgaders ook onzuiverheid in al zijn genegenheden kwam."

Toen was, tengevolge van de zonde, geweken het helder inzicht in de zedewet; in wat voor C^odfgoedis. Gebleven is echter ook in den gevallen mensch, het beset van goed en slecht en daarmee van zedelijke normen, van geboden, die hij niet mag overtreden, en die met een onvoorwaardelijk: ij zult ze gehoorzamen! in zijn bewustzijn staan. Dit toch leert de heilige apostel, wanneer hij schrijft: ant wanneer de heidenen, die de wet niet hebben, van nature de dingen doen die der wet zijn, deze de wet niet hebbende, zijn zich zelven een wet (Rom. 2 : 14).

Maar in vergelijking met Adam is er in den gevallen mensch niet dan een verzwakte kennisse van 's Heeren wet.

Bovendien, is er in den gevallen mensch, in stee van een vanzelfsheid om Gods wil te doen, een begceren om tegen het verbod in te gaan; iets wat hij op een gegeven oogenblik en onder bepaalde omstandigheden wel beheerschen en overwinwinneri kan, maar waarbij zijn wil dan toch altijd bepaald wordt door allerlei andere beweegredenen of motieven, dan de liefde tot den eenigen en waarachtigen God.

Mag men, op grond van Romeinen 2:14, dus spreken van een „natuurlijke zedewet", van een wet, ingeschapen in allef menschen hart, — in 'den dekaloog, of de door Jehova bij den Sinaï aan Israël gegeven Tien woorden, hebben wij, wat het wezen betreft, niet anders dan diezelfde natuurlijke zedewet, maar weer verhelderd, weer gebracht tot dezelfde gaafheid, waarmee eens de eeuwige ordeningen Gods door den nog niet-zondigen mensch werden gekend.

Een gaafheid, die bij de natuurlijke zedewet, op het stuk van sommige geboden, men denke b.v. aan het „gij zult niet begeeren, " was gebroken.

En hoe hoog de Tien geboden, aan Israël gegeven, dan ook staan boven dergelijke voorschriften in de valsche religiën; maar ook hoe er bij alle verschil tusschen Israel's dekaloog en deze uit de natuurlijke zedewet opkomende voorschriften, overeenstemming bestaat, zal duidelijk worden, indien wij tegenover den dekaloog van Exodus of Deuteronomium, b.v. den dekaloog stellen van het Buddhisme, een der valsche of pseudoreligiën, welke ontstaan zijn in het oude-Indië en waarin velen, die inde Christelijke wereld den „eenigen troost in leven en sterven" hebben verloren, thans weer heil zoeken.

De Daçaçila dan, of de „tien goede zeden, " waarvan de eerste vijf, zoowel leeken als geestelijken, van jongsaf worden ingeprent, en de laatste vijf alleen verboden zijn voor de Buddhistische monniken; luiden aldus:

I. Niet te dooden, waaronder dan gewoonlijk ook wordt verstaan geen levend wezen te deren. 2. Niet te stelen. 3. Niet onkuisch te wezen. 4. Niet te hegen. $. Geen geestrijke dranken te gebruiken.

En daarbij komt dan, voor de geestelijken, het verbod van:

6. Maaltijden op verboden uren. 7. 't Bijwonen van wereldsche vermakelijkheden. 8. Het gebruik van zalven, reukwerken en opschik. 9. Het gebruik van een weelderig bed. 10. Het aannemen van geschenken in geld.

Men ziet, dat in dezen dekaloog van de relatie des menschen tot zijn God heel geen sprake is; dat de eerste vijf woorden, met uitzondering van het laatste, waarin „de algeheel-onthouding" wordt geboden, ook onder Israel's tien geboden voorkomen; en dat de laatste vijf, die echter bij de Buddhisten niet algemeen verplichtend zijn, maar regels voor monniken geven, voor zoover zij tot onkuischheid kunnen leiden, zoo als b.v. dans en tooneelspel, toch wel degelijk ook voor den „leek" moesten gelden.

Waarlijk, op het stuk van zedelijkheid in enger zin, om van de religie niet eens te spreken, - staat de Buddhistische dekaloog, ook wat den vorm betreft, en afgezien nog van het beginsel — waarover later — in geenen deele hooger, en in sommige deelen lager dan de Mozaïsche.

Wijl nu de Tien geboden des Heeren, geestelijk verstaan, niet anders zijn dan de openbaring van de in Gods Raad bepaalde ordening voor het bestaan en gedrag van den mensch, een ordening overeenkomstig de idee van den mensch, zooals die van eenwigheid bestaat in de gedachten Gods, zijn het maar niet tien los samenhangende voorschriften, maar vormen zij een innerlijke eenheid.

Zij passen volkomen op den idealen mensch; op den mensch naar Gods hart; op den mensch zooals hij door God geschapen is, en voor God wezen moet.

God nu schiep den mensch naar Zijn beeld, en wijl nu het wezen Gods de liefde, de heilige liefde is, zoo schitterde in den naar Gods beeld geschapen mensch op creatuurlijke wijze ook de heilige liefde uit. Deze heilige liefde moet zich echter in 'n mensch op andere wijze openbaren dan in God.

Daarvoor is God God en de mensch mensch.

En in de tien geboden heeft God de Heere verordend, geschikt en beschikt, hoe die liefde zich in den mensch moet openbaren.

De dekaloog geldt dan ook uitsluitend voor menschen, niet voor engelen en allerminst voor God zelf.

Wel moeten ook de engelen hun heilige liefde voor God openbaren, doch op een andere dan menschelijke wijze, en met name het vijfde en zevende gebod kan niet voor de engelen gelden.

Maar nog veel minder kan de zedewet gelden voor God.

Als de souvereine Schepper toch staat de Heere boven Zijn wet; is Hij de Wetgever Wien niets of niemand wetten stelt, maar Die in Zijn Majesteit aanal watniet-Godis, Zijn wetten oplegt.

Wel is Hij de Heilige, „die zich zelven niet kan verloochenen; " (2 Tim. 2 : 13) maar een regel, een norm, een wet, die boven Hem zou staan, is bij Hem zelfs ondenkbaar.

Van daar, dat men bij God dan ook niet kan spreken van zedelijkheid.

Is zedelijk datgene, wat in overeenstemming is met de norm, het richtsnoer voor goed in zijn tegenstelling met slecht; wordt het bij de beoordeeling naar die norm als zoodanig gekend; — wie zal durven God te beoordeelen.'

Op zich zelf ware dit reeds heiligschennis, maar bovendien ontbreekt juist hier elke norm.

Zijn toch de Tien geboden de voor ons geldende normen van wat goed of slecht is, beproef eens ook maar één dier tien geboden op God over te brengen, en gij vervalt dadelijk in het onxinnige.

Wel spreekt men vs.-.r Gods deugden, van zijn zedelijke deugden zelfs, maar men bedoelt dan gansch iets anders dan wat bij menschen zedelijk heet.

En juist wijl het zedelijke een wet onderstelt, waaraan men moet gehoorzamen, een norm waarmee de wil moet overeenkomen, voelt ge hoezeer men dwaalt, wanneer men van zedelijkheid spreekt bij God, of wat op hetzelfde neerkomt, voor Hem zou laten gelden de Tien geboden.

Het begrip van het zedelijke laat zich niet losmaken van het creatuurlij ke.

Het is naar zijn vorm de van God geordineerde wijze, waarop de heilige liefde zich, zoowel in het bestaan als het gedrag zijner redelijke, willende schepselen moet openbaren.

En hoe nu die heilige liefde zich moet openbaren in den mensch, is ons saamgevat in den dekaloog.

Zijn dus de Tien geboden even zoo vele normen, waarnaar gekend wordt, wat goed of slecht is, en die wij bij de beoordeeling van ons zelf of onze medemenschen, wetend, dat ook God daarnaar oordeelt, hebben aan te leggen —• zij zijn daarom de vaste kengrond voor het zedelijke.

Zij vormen Gods geopenbaarden wil; Zijn v/il voor ons bestaan en gedrag, en richten zich aan onzen wil.

En wijl nu juist het schikken of voegen van zijn wil onder den wil van een, die recht heeft om te gebieden, gehoorzamen is, zoo is het de gehoorzaamheid aan God die de zedewet, A. w. z. Gods geopenbaarde wil voor ons \villen van ons eischt; de zedewet, die zich in de Tien geboden als even zoovele zedewetten of normen verbijzondert.

Van daar, dat de Tien geboden zich zoo onvoorwaardelijk tot u richten. Het zijn geen regelen, die gij moet opvolgen om er voor u zelf iets mee te bereiken, zoo als gij b.v., indien gij in de maatschappij iets worden wilt, u aan een bepaalde opleiding of zeker soort studie moet onderwerpen; maar gij zult ze in volstrekte gehoorzaamheid aan uw God en omdat Hij het gebiedt, willen.

En wijl nu reeds een kind, al gehoorzaamt het zijn vader ook in alle stukken, wanneer het ook maar in één stuk den wil van zijn vader niet wil en niet doet, toch als kind ongehoorzaam is, zoo is ook een mensch, al zou hij ook maar één van Gods geboden overtreden en alle andere vervullen, toch ongehoorzaam aan zijn God. Daarom zegt ook Jacobus: ant wie de geheele wet zal houden en in één zal struikelen, die is schuldig aan allen (2 : 10).

Vormt dus de zedewet of de wet der tien geboden, als norm ofrichtsnoer voor'smenschen bestaan en gedrag, in de relatie tot zijn God en zijn naasten één geheel, — wijl zij de levenswet is voor den naar Gods beeld geschapen mensch, en dus passen moet op zijn innerlijk wezen, is de heilige liefde het beginsel, waaruit in den rnensch hare vervulling moet opkomen.

God eischt niet alleen van den mensch naar Zijn scheppingsrecht gehoorzaamheid, maar ook een gehoorzaamheid uit liefde tot Hem.

Van daar dan ook, dat de Heere Jezus de tien geboden samenvatte in het dubbel gebod der liefde voor God en voor den naaste, toen hij op de vraag van den Joodschen wetgeleerde naar het groote gebod, antwoordde: Gij zult liefhebben den Heere, uwen God, met geheel uw hart en met geheel uwe ziel en met geheel uw verstand.

Dit is het eerste en het groot gebod.

En het tweede, aan dit gelijk, is: ij zult uwen naaste lief hebben als u zelven. (Mattheus 22 : 37—39).

Het echt zedelijke, of duidelijker nog het voor God goede, heeft dus haar grond in de schepping van den mensch naar Gods beeld, en v/ijl de liefde een wezelijke eigenschap van den dus geschapen mensch is, in de heilige liefde.

Uit deze ontstaat het zedelijke en komt het op; deze heilige liefde is er de bestaansgrond van.

Men zou dus het zedelijke, of voor God goede, kunnen omschrijven als de volkomen gehoorzaamheid des menschen aan al de geboden, uit liefde tot zijn God.

Wijl nu altijd gehoorzamen de onderschikking van eigen wil aan den wil van een ander is, zoo eischt ook 'smenschen gehoorzaamheid aan God allereerst, dat zijn wil goed zij. Wij hebben echter bij ons onderzoek naar 'sHeeren ordinantiën voor het zieleleven gevonden, hoezeer de wil op het innigst samenhangt aan de eene zijde met ons streven, onze natuurdriften, ons begeeren, en aan de andere zijde met de werkzaamheid van ons verstand en ook met heel het gemoedsleven. Uit dat alles ontstaat ons willen. Van daar, dat het echt zedelijke of het voor God goede, veel dieper gaat en veel meer omvat dan alleen den wil.

Het is noodig hierop de aandacht te vestigen, wijl door velen het zedelijke beperkt wordt tot het goede willen, waaruit dan volgt, dat ook het on-zedelijke, of het zondige, slechts beperkt wordt tot het gewilde. Maar, en wij zullen later gelegenheid hebben, hier op terug te komen, de Schrift heeft een veel diepere opvatting van de zonde, en 'sHeeren wet gaat dan ook nog achter gebod het willen terug, door in het lode ook het zondig begeeren te ver­ bieden.

De „tien geboden, " bij den Sinaï aan Israël gegeven, dragen, met het oog op de omstandigheden, waaronder zij werden afgekondigd, een eigenaardig karakter. Zij richten zich tot den Israëlitischen man, en zijn allereerst bedoeld als een grondwet voor het nieuwe volk, dat zich uit de verschillende stammen, na de ontkoming uit Egypte, had gevormd. Toch zijn zij, blijkens het tiende gebod, niet uitsluitend in enger zin juridisch, maar zeer zeker ook ethisch of zedelijk bedoeld; Zij zijn niet alleen een wet voor staatsburgers, maar ook voor menschen, voor menschen, die Jehova zich tot zijn volk heeft verkoren, en die zich straks aan Hem als aan hun God verbinden. En wel zijn zij in overeenstemming met de eigenaardigheid der Semitische Bedouïnen-slammen, die met hun vrouwen en kinderen, slaven en slavinnen, ossen en ezels, door de v/oestijn trekken, doch in dat bijzondere valt het algemeene van de ordeningen Gods voor het overal en altijd gelijke menschenleven gemakkelijk te onderkennen.

Met de indeeling van den dekaloog, die, zooals men weet, bij de Gereformeerden anders is dan bij de Roomschen en Lutherschen, zullen wij ons hier niet bezig houden, wijl deze bij de behandeling der afzonderlijke geboden vanzelf ter sprake zal komen.

Hoe men echter ook indeelt, hierover zijn allen het eens, dat de tien geboden, zoowel de religieuze verhouding of de relatie van den mensch tot God, als de zedelijke verhouding in enger zin of de relatie van mensch tot mensch, bepalen.

Men kan, en hier valt veel over te zeggen, nog verder onderscheiden, en wel zoo, dat men in de eerste drie geboden de normen ziet voor de religie, en in het zesde, zevende, achtste en negende gebod, die voor de zedelijkheid. Het vierde gebod dat over den rustdag, en het vijfde, dat over het gezag gaat, dragen dan een gemengd karakter en zijn dus religieus-zedelijke normen; iets wat dadelijk in het oog springt, wanneer men b.v. Iet op de beteekenis van den rustdag, zoo voor het religieuse als het sociale leven, op wat men Zondagsheiliging en Zondagsrust noemt; of ook indien men let op de vraag naar den oorsprong van het gezag onder menschen, van het recht of de b"evoegdheid om te gebieden, en den plicht om te gehoorzamen. Het tiende gebod eindelijk, dat, zooals ook onze Heidelbergsche Catechismus doet, met zijn: „dat ook de minste lust of gedachte tegen eenig gebod Gods in het hart nimmer meer kome, " in verband moet gebracht met al de negen andere geboden, geeft met zijn doordringen tot wat nog achter het wilsleven ligt, niet alleen aan heel den dekaloog zijn dieperen, achtergrond, maar biedt ook het punt van waaruit de lijnen moeten getrokken voor wat men in de ethiek of de zedekunde noemt de plichten van den mensch tegenover zich zelf, in onderscheiding van die tegenover God, en van die in het saamleven met zijn medemenschen. In dit tiende gebod toch ligt de norm voor wat men noemt den wil naar binnen, of het richtsnoer van het willend ik bij de actie, die zich richt op wat omgaat in onze eigen ziel.

Bij heel deze onderscheiding tusschen de rehgieuze en de zedelijke geboden van den dekaloog, — zedelijk nu genomen in den zin van wat zich richt op de relatie of verhouding van mensch tot mensch — moet echter steeds in het oog gehouden, dat ook die zedelijke geboden in enger zin, zoo als het zesde, zevende, achtste en negende — altijd Gods geboden aan den mensch zijn, en dat mitsdien de echte zedelijkheid, het voor God goede in het sociale leven, of in het saam-Teven der menschen, zijn wortel en grond heeft in de zuivere religie.

En evenzoo moet in het óog gehouden, dat waar wij de Tien geboden normen, of richtsnoer of voorschriften noemen voor ons willen en daaruit opkomend handelen, achter die normen altijd zit de steeds werkende wil van den levenden God.

Wat wij bedoelen is dit.

Het is de levende God, m.et Wien v/ij te doen hebben.

En daarbij de alomtegenwoordige, die met Zijn eeuwige kracht van oogenblik tot oogenblik tegenwoordig is, en werkt in alle creatuur, ook in uw ziel.

En het is in die ziel, in uw bewuste ziel, dat Hij evenzeer van oogenblik tot oogenblik gebiedt, d. w. z. zijn wil uw oplegt, waaraan gij hebt te gehoorzamen, uw wil hebt te onderschikken.

Het staat er dus zoo heel anders mee dan onder menschen.

Een vader geeft zijn gebod, de uitdrukking van zijn wil, aan zijn kind; de Overheid aan haar burgers; een heer aan zijn knecht — maar die vader en die Overheid en die heer zijn en blijven & Ï mt^. altijd bij. En als zij dan weg zijn, en het kind, de burger en de knecht weer alleen is, dan hebben zij wel het gebod in hun bewustzijn, dan weten zij wel wat hun bevolen is, maar hun gebieders zijn er niet meer bij.

Maar God de Heere is er altijd bp.

Hij gaat nooit weg en laat u nooit alleen en laat u nooit los.

Zijn gebod. Zijn wil legt Hij u aldoor op, doet Hij u aldoor hooren.

Dat gij dit niet altijd verstaat, ligt niet aan God, maar aan u.

Het is de zonde, die in u heeft verdorven dat fijnere gehoor voor het gebieden van uw God ook in de diepere schakeeringen van uw wilsleven; in al die „gevallen" waarin het thans vaak zoo moeielijk is, te weten wat nu voor God goed is.

En tegenover die zonde doet nu God werken Zijne rijke genade.

Zijn genade aan alle menschen en dus ook aan u, door in hun ziel te onderhouden de beseffen van en het gevoel voor goed en slecht.

Deze beseffen zijn dan in hun bewustzijn als zoovele normen voor hun willen.

Uit dit gevoel komen dan op de aandoeningen van schaamte, berouw en wroeging, als zij tegen die normen zijn ingegaan.

Maar ook Zijn genade aan Zijn volk, aan Zijn kinderen, aan Zijn kerk, door ze toe te vertrouwen zijn woorden, de woorden Gods; te schenken de Schrift.

En in die Schrift hebt ge dan de tien geboden als normen voor uw willen, en daarbij, in' de historie van Israël, in de schriften der profeten, der psalmisten en wijzen; in wat zij u verhaalt van Jezus en zijn apostelen —; de onderwijzing van uw God, waar het gaat om de toepassing van die tien normen, die tien voorschriften, op de diepere schakeeringen van het wilsleven; op al die zoo verwonderlijk saamgestelde gevallen, waarvoor gij in het leven telkens komt te staan.

En bij die Schrift schenkt God u dan in den weg van ervaring, dat is van denken en waarnemen, kennis van , de wereld, de menschenwereld. Zoo wordt het dan mogelijk, zijn wil, zijn gebod al beter te verstaan, zijn gebieden al fijner te beluisteren.

Toch moogt ge het u nooit zóó voorstellen, alsof die tien geboden maar een doode letter zijn; maar altijd zoo, dat ook, wanneer gij uw Bijbel sluit, en tot uw dagelijkschen arbeid ingaat, het de levende God is, die als uw souverein van oogenblik tot oogenblik u gebiedt en er bij is als ge overtreedt.

Dus opgevat, willen wij thans trachten, 'sHeeren geboden, van uit het ééne beginsel der heilige liefde, tot bevordering van wat de vaderen noemden de practijk der godzaligheid en tot Gods verheerlijking, in een reeks artikelen systematisch te doen verstaan.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 10 januari 1904

De Heraut | 4 Pagina's

Van de tien geboden.

Bekijk de hele uitgave van zondag 10 januari 1904

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken