Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Wet en Profeten.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Wet en Profeten.

13 minuten leestijd

I.

Amsterdam, 22 Jan. 1904.

In de Hervorming gaat de „deskundige onderzoeker", die achter het masker der anonimiteit schuil gaat, voort met Kuenen te verdedigen tegenover de critiek van Minister Kuyper.

Men weet, waar de 'quaestie over loopt.

In het debat met Prof. v. d. Vlugt wees Minister Kuyper op het feit, dat de jongste assyriologische ontdekkingen, met name het terugvinden van de wetgeving van Hammurabi, Abraham's tijdgenoot, de bekende hypothese van Kuenen en van de historischcritische school omtrent het ontstaan van de Mozaïsche wet hadden omvergeworpen.

De Minister zeide volgens de Handelingen dit:

Hij (van der Vlugt) heeft beter dan ik gekend mijn hooggeachten leermeester Kuenen en weet, hoe hü in zijn dagen met lofwaardige nauwkeurigheid de verhouding tusschen de Mozaïsche wet en de profeten heeft vastgesteld. Hij was toen tot deze conclusie gekomen, dat de Mozaïsche wet gekomen is na den Babylonischen tijd en dat de profeten voorafgingen. Dat is toen als waarheid aangenomen in heel de moderne scho.l, dat gold als een onomstootelijk resultaat, en is door het werk van Kuenen zelfs naar Engeland en elders gebracht. Nu zijn intusschen onlangs de tafels van Hammarubi ontdekt, en daaruit bleek, dat veel van dezelfde dingen, die in de wetten van Mozes stonden, reeds 2000 j. v. Chr. bekend moeten geweest zijn. De deskundige onderzoekei s er kennen dan thans ook, dat geheel de theorie van Kuenen valt. Welnu, dat die theorie valsch was, is destijds door de christenen onmiddellijk gevoeld, niet omdat de boeken van Kuenen weerlegd zijn (waren), maar omdat men met geestelijke voelhorens voelde, dat zijne voorstelling onaannemelijk was,

De Hervorming vatte hierop vuur en ging, naar zij zelf zegt, bij een „deskundigen onderzoeker" te rade om Kuenen's nagedachtenis van deze blaam te zuiveren.

De geleerde adviseur, die zoowat al zijn wijsheid bleek te putten uit de tweede uitgave van Kuenen's Historisch-Critisch Onderzoek naar het ontstaan en de Verzameling van de Boeken des Ouden Verbonds, maar genoegzaam toonde met de geheele nieuwe literatuur over dit onderwerp niet al te goed op de hoogte te zijn, antwoordde, dat de voorstelling, die Minister Kuyper van Kuenen's standpunt gaf, niet juist was.

De historisch-critische school had nooit beweerd, dat de volgorde van wet en profeten moest worden omgekeerd en nog veel minder dat de Mozaïsche wet eerst na de ballingschap ontstaan was. Dit laatste gold slechts van een deel der Mozaïsche wetgeving, en juist die wetten in het zoogenaamde Verbondsboek, die zulk een verrassende verwantschap toonden met de wetgeving van Hammurabi, waren door Kuenen geplaatst in de 8e eeuw voor Christus. De ontdekking van Hammurabi's wetten wierp dus de hypothese der moderne critiek geenszins omver.

Maar wel was deze ontdekking, zoo orakelde de „deskundige onderzoeker" verder, uitermate bedenkelijk voor het dogma van den Goddelijken oorsprong der Mozaïsche wet. Immers als diezelfde wetten, die Mozes aan Israël gaf, reeds 500 jaar vroeger bij de Babyloniërs bekend waren geweest, dan konden deze wetten toch niet aan Goddelijke openbaring worden toegeschreven. Ze bleken dan van puur nienschelijke herkomst te zijn.

Zoo werd de aanval afgeslagen, en het wapen, dat doodelijk voor de critiek zou zijn, keerde zich tegen hem, die het hanteerde.

Nu is het zeker een verblijdend teeken, dat van moderne zijde ditmaal notitie wordt genomen van wat de christelijke apologietiek tot bevestiging van het gezag der Schrift bijbrengt.

We zijn op dit punt niet verwend.

De heeren van de overzijde zijn gewoon alles te ignoreeren wat tegen hun Schriftondermijnende critiek wordt ingebracht. Wie niet meehuilt met de wolven in het bosch en nog aan de inspiratie der Schrift gelooft, heet conservatief, door dogmatische vooroordeelen bevangen, onwetenschappelijk. Zelfs zoover gaat dit, dat een overigens zoo uitnemend geredigeerd weekblad als de Hervorming, zoodra ze over het inspiratie-begrip der orthodoxen spreekt, daarvan caricatuur-voorstellingen geeft, die toonen, dat zij van dat kerkelijk dogma zelfs het abc niet begrijpt.

Er is dus wei reden tot erkentelijkheid, dat thans dit stilzv/ijgen verbroken wordt.

Alleen kan het bevreemding wekken, dat tot uitgangspunt voor debat gekozen wordt een voor de vuist gesproken en niet nader geadstrueerde opmerking van den Minister van Binnenlandsche Zaken bij de begrootingsdiscussie.

In buiten-en binnenland is de vraag naar de verhouding van de wetgeving van Mozes tot de wetgevmg van Hammurabi in wetenschappelijke geschrilten uitvoerig besproken. Wij noemen slechts de werken van Oettli, Jeremias, Grimme en het kort geleden Verschenen lijvige werk van Prof. Muller ; terwijl ten onzent Dr. H. H. Kuj'per in zijn rectorale oratie, over Evolutie en Revelatie dit zelfde punt behandelde.

In deze werken is de historische critiek op al haar kronkel wegen gevolgd; met haar uiteenrafeling van de wet is rekening gehouden ; verschil en overeenkomst tusschen beide wetten is aangetoond, en het resultaat van dit onderzoek is naar schier aller eenparig oordeel voor de hypothese Kuenen-Wellhausen ver van gunstig geweest.

De Minister deed niet anders dan kort het resultaat van dit onderzoek meededen. Hij liet alle bewijs achterwege, ging niet principieel op de quaestie in, duidde het Gver en weer ingenomen standpunt slechts met enkele trekken aan.

Natuurlijk kon dit in een politiek debat niet anders.

Maar juist daarom is het te zonderlinger, om geen ander woord te gebruiken, dat de /y(? ^z'(? r? «? V_^ de wetenschappelijke werken van orthodoxe zijde over dit punt blauwblauw laat en een terloopsche uitlating van den Minister tot mikpunt van haar aanval kiest.

Voor den ernst van haar apologie pleit dit zeker niet.

De onbekende „deskundige" wraakt nu in de eerste plaats het zeggen van den Minister, dat volgens de historisch critische school van Kuenen, Wellhausen en Reuss de wet eerst na de profeten zou zijn ontstaan. Volgens hem is deze voorstelling onjuist. De moderne critiek zou dit nooit beweerd hebben. Ze splitste de Mozaïsche wet in tal van deelen: het Bondsboek en de Heiligheidswet en den Priester-codex, die zij in verschillende tijdperken van Israels historie laat ontstaan.

Nu behoeft men waarlijk geen „deskundig onderzoeker" te zijn om deze critische wijsheid te weten. Elk handboek voor de inleiding van het Oude Testament deelt deze feiten mede. En het heeft wel iets van een schoolmeester, die een klasse onderwijst, wanneer deze onbekende „deskundige" dit alles de Minister komt meedeelen, alsof hij nooit van deze dingen had gehoord.

Maar wanneer deze deskundige daarom het woord van den Minister wraakt, dan vergeet hij, dat het Schlagwort: de wet na de profeten, waarlijk niet door den Minister verzonnen is, maar door alle coryphcën dezer critische school als de aanduiding van hun standpunt is uitgesproken,

Een enkel citaat moge dit bewijzen.

E. Reuss, de eigenlijke vader van deze school, zegt in de voorrede van zijff Geschichte d. H. S. Alt. Test. 1890: In mehr als einem Slücke war ja mein System ursprünglich, ich dürfte beinahe sagen, erst ein ErzeugnLss der Intuition. Wer die Literatur jener Zeit sich vergegenwartigt wird es begreiflich finden, dass ich mich scheute sofort der gelehrten Welt die Herausforderucg hinzuwerfen, die Profeten für alter zu erkennen als das Gesetz." Reuss zegt hier. dus uitdrukkelijk, dat de korte saamvatting van zijn hypothese hierin bestaat, dat de profeten onder zijn dan de wet.

Precies hetzelfde getuigt Wellhausen van Graf. In zijn Prologomena deelt hij mede, dat hij eerst lang in het duister rondtastte, totdat hij in den zomer van 1867 door Ritschl vernam, dat Graf „dem Gezetz seine Stelle hinter den Protefen anwiese" en daarmede het licht voor hem doorbrak. Ook hier wordt dus weer als korte resumptie van heel de theorie van Graf gezegd: dat de wet haar plaats na de profeten moet hebben.

En dat Wellhausen zelf er niet anders over denkt, blijkt uit zijn Israëlitische und Jiidische Geschichte, 1901, waar hij op pag. 17 zegt: „Das Gesetz ist das Product der geistigen Entwicklung Israels, nicht der Ausgangspunkt deselben. Als Ganzes passt es erst zum nachexilischen Judenlhum und zeigt sich da auch erst wirksam; vorher passt es nicht und ist vollkommen latent." De wet is niet het uitgangspunt van Israel's geestelijke ontwikkeling, maar het eindproduct. Als geheel past de wet eerst bij het Jodendom na de Ballingschap.

Waar nu Kuenen in zijn tweede periode verklaard heeft het geheel met deze hypothese van Reuss—Wellhausen eens te zijn en men deze [hypothese in alle wetenschappelijke werken de hypothese Wellhausen—Kuenen noemt, gaat het daar aan den Minister van onjuiste voorstellingen te betichten, omdat hij de bedoeling dezer school weergaf met de eigen woorden, die deze school zelf steeds heeft gebruikt.-'

Toegegeven echter, dat dit „pakkende woord", waarmede de historisch-critische school optrad, op den keper bekeken niet juist is en slechts voor een deel van de wet geldt, is dan daarmede voor het onderhavig geding iets gewonnen.'

De onbekende „deskundige" meent van ja. De overeenkomst tusschen de wet van Hammurabi en de Mozaïsche wet, betreft volgens hem alleen de maatschappelijke rechtsbepalingen in het zoogenaamde Bondsboek Exodus ? o, 23—23, 19. Daar de his torisch-critische school deze rechtsbepalingen als een soort „landrecht" in de 8bte eeuw voor Christus laat ontstaan buiten den invloed der profeten om, zou hier dus de poort openstaan „voor de eventueele erkenning, dat ze reeds .vóór de profeten bekend en opgeteekend waren."

Deze poort, of wil men liever achterdeur, waardoor de moderne critiek zich te redden tracht, baat echter niet om tweeërlei reden.

Vooreerst, omdat het niet waar is, dat de overeenkomst alleen het zoogenaamde Bondsboek geldt.

Prof. Oettli in zijn Das Gesetz Hammurabis und die Thora Israels heeft aangetoond, dat de overeenkomst zich veel verder uitstrekt. „Die Parallelen betreften weit überwegend das Budesbuch, in geringerem Grade das Deuteronom, am wenigstens den Priestercodex, " is de slotsom van zijn onderzoek. Er is dus ook overeenkomst met Deuteronomium en den Priestercodex, al is deze niet zoo sterk; wat in den aard der zaak ligt. En Prof. Wildeboer komt in zijn artikel over de wetgeving van Hammurabi in het Tijdschrift voor Strafrecht' tot hetzelfde resultaat. Verschillende bepalingen niet alleen uit Deuteronomium maar ook uit de Heiligheidswet, die volgens hem eerst 433 vóór Christus is ingevoerd, vergelijkt hij met dergelijke bepalingen in de wetgeving van Hammurabi. Met het Bondsboek alleen lost de critiek dit probleem dus niet op.

Maar in de tweede plaats, al ware de overeenkomst tot het Bondsboek beperkt, dan baat' dit toch niet, omdat de strijd niet hierover gaat of dit Bondsboek door of zonder den invloed der profeten is ontstaan, dagteekent uit de 8ste eeuw of uit den tijd na de ballingschap; want deze vragen zijn slechts van bijkomstig belang. De strijd tusschen de moderne critiek en de Schriftgeloovigen gaat hierover, dat vol gens de critiek Israël in de dagen van Mozes op zoo laag peil stond, dat aan een wetgeving niet gedacht kon worden; dat daarom van Mozes niet één schriftelijke oorkonde kan bewaard zijn, en op dien grond geloochend wordt, dat het Bondsboek uit Mozes' tijd zou dagteekenen en van hem afkomstig zou zijn. Of weet de onbekende deskundige niet, dat deze moderne critiek nog niet zoolang geleden schier als axioma had vastgesteld, dat zelfs het schrift aan Israël onbekend was in de dagen van Mozes en de oudste oorkonden van Israël niet verder dan de 8ste eeuw terugreikten.-'

Deze voorstelling nu is door de Babylonische ontdekkingen wel voor goed onhoudbaar gebleken. Het feit, dat reeds 500 jaar vóór Mozes' tijd een koning van Babyion een wet heeft gegeven en te schrift gesteld, die op menig punt zoo treffend overeenkomt met de wetgeving van Mozes, werpt heel het fundament dezer hypothese omver. Vooreerst, omdat uit dat feit blijkt, dat de voorstelling, die de moderne critiek zich vormt van den toestand in Mozes dagen, geheel onjuist is geweest. Indien reeds eeuwen vóór Mozes de cultuur en rechtsontwikkeling zoover waren voortgeschreden als uit deze wetgeving van Hammurabi blijkt, met welk recht zal men dan aan Mozes het «iuteur$chap van deze wet ontzeggen.' En ten tweede wijst de nauwe verwantschap tusschen beide wetten zeker op onderling verband; waarom dan ook bijna alle onderzoekers aannemen, dat Israel, hetzij door zijn aanraking met Arabic of bij zijn intocht in Kanaan, met deze wetten in aanraking is gekomen en ze gewijzigd overgenomen heeft. In beide gevallen worden deze Wetten dus gesteld bij den aanvang van Israel's volksbestaan, en er is niet één „deskundig onderzoeker", die nog durft volhouden met het oog op de wetten van Hammurabi, dat eerst in de 8ste eeuw voor Christus het landrtcht van het Bondsboek in Israel zelfstandig zou zijn ontstaan.

Dat de wetgeving van Hammurabi de moderne critiek dwingen zal tot revisie van haar oordeel over de Pentateuch kan dan ook kwalijk ontkend worden. Zelfs nietorthodoxe geleerden stemmen dit toe. De Standaard wees reeds in een korte asterisk op hetgeen Prof. D. H. Muller te Weenen desaangaande schreef. Maar deze hoogleeraar is waarlijk niet de eenige, die oordeelt dat het „kritische standpunt" geheel gewijzigd worden moet. Dr. Johannes Jeremias, die evenmin een Schriftgeloovige is, zegt in zijn „Moses und Hammurabi":

Wenn vor dreizehn Monaten ein wissenschafdich gebildeter Theolog die Frage gestellt batte, „gibt es einen Codex Mose", i) so würde man ihn wohl, wie den ungetreuen Hirten im C. H. (256) „auf dem Felde" gelassen haben. Noch ist der iïteraikritische Hauptsata der Kuenen-Welhausenschen Schule in Geltung: vor dem neunten Jabrhundert is eine Kodifizierurg unmöglich. Schon der Tel Amarnah-Fund brachte diesen Hauptsatz ins Wacken: er beweist für die vormosaische Zeit babylonische Kuhur, Schriftkundigkeit in Kanaan, Bekanntschaft mit babylonischer Religion (Adap'imythus).

Die grandiose Tatsache, dass wir am Ausgang des dritten Jahrtausends vor Chrisli Geburt ein codifijiertes Recht haben, das nicht wie die Pseudoisidoren in den Verdacht der Falschung, oder wie das Deuteronomium in den Verdacht der heimlichen Unterschiebung kommen kan, bringt die Frage nach der Codifikaiion des Rechts durch Mose von neuem in Fluss.

Terwijl hij ten slotte zeer voorzichtig zijn eigen oordeel uitspreekt;

O'p durch den Codex Hammurabi die Wahrscheinhchkeit sich steigert, dass Mose an der Codifizierung der Thora beteiligt war, wird fernerer Untersuchung vorbehalten bleiben. Jedenfalls wird für die literarkridsche Aufifassung des Alten Testaments viel gewonnen sein, wenn wir die aken, durch die Bibel wohlverbürgten Syzygieen : Mose und Gesetz, Gesetz und Propheten, wieder zu ihrem Rechte kommen lassen. Das Gezetz is nicht ohn; Mose entstanden: der Fund von Susa erhebt diese Behauptung auf der Eöhe der geschichlÜchen Wahrscheinlichkeit. Leopold von Rarike kommt wieder einmal zu Ehren (Weltgeschichte I, 42): „Mose ist die erhabenste Persönhcbkeit der altesten Geschichte". Die Auffissung aber, dass Mose in einer historisch nicht mehr greifbaren Ferne stehe, wird erneuter PiüfuDg bedüifug sein.

Tweeërlei blijkt hier dus uit.

Vooreerst, dat de hoofdstelling van de school van Kuenen-Wehlhausen, dat vóór de 9e eeuw bij Israël geen sprake kan zijn van codeficatie van het recht, thans gevallen is.

En ten tweede, dat de nieuwere onderzoekers op grond van de vondsten in Babyion er weer toe neigen om de oude volgorde van Mozes en Wet, Wet en Profeten te herstellen.

„De wet is niet zonder Mozes ontstaan; de vondst te Susa verheft deze stelling tot de hoogte der historische waarschijnlijkheid."

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 24 januari 1904

De Heraut | 4 Pagina's

Wet en Profeten.

Bekijk de hele uitgave van zondag 24 januari 1904

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken