Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Wet en Profeten.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Wet en Profeten.

12 minuten leestijd

II.

Amsterdam, 29 Jan. 1904.

Een der voornaamste argumenten, waarmede de moderne critiek den Mozaïschen oorsprong der Sinaïtische wetgeving bestreed, is haar thans dus wel voorgoed uit de handen geslagen.

Haar voorstelling, dat Israël in de woestijn nog een „illiterate Horde" was, een nomadenstam zonder eenige beschaving of cultuur, is thans onhoudbaar gebleken. Nu de ontdekkingen in Egypte en Babyion geleerd hebben, hoe daar eeuwen vóór Mozes' tijd, het schrift bekend en algemeen gebruikt was, de kunst hoog ontwikkeld was, een vaste rechtsorde was ingevoerd, kortom een beschaving heerschte, die onze bewondering opwekt, kan men toch kwalijk langer vol houden, dat Israël, dat tusschen deze beide volkeren inwoonde, nog op zoo lagen trap van ontwikkeling zou gestaan hebben, dat het geen schrift of geschreven rechtsorde heeft gehad.

Wel heeft men getracht de kracht van dit argument te ontzenuwen, door aanvankelijk vol te houden, dat deze beschaving wel in Egypte en Babyion gevonden werd, maar tot deze rijken beperkt was en daar buiten geen invloed had geoefend, maar ook deze uitvlucht baatte niet, omdat het thans vaststaat, dat van zulk een Chineeschen muur rondom deze rijken nooit sprake is geweest en zoowel Babel als Egypte invloed op Palestina hebben uitgeoefend, reeds lang eer Israël daarbinnen trok.

De eerste slag aan de hypothese Kuenen-z Wellhausen werd daarom toegebracht door de ontdekking van het staatsarchief van koning Amenophis IV van Egypte. Door een gelukkig toeval bleef dit archief bewaard, en werd kort geleden te Teil el Amarna in Egypte ontdekt. In dit archief vond men de geheele correspondentie van de vazal-vorsten uit Palestina met dezen Egyptischen koning, en daar deze briefwisseling dagteekent uit denzelfden tijd, dat Israël in de woestijn ronddoolde, had men hier dus de meest authentieke en onwederlegbare bewijzen in handen, hoe destijds de toestand in Kanaiin was. En waar nu uit deze briefwisseling blijkt, dat voortdurend gezantschappeg. van Egypte uit naar Babel trokken en omgekeerd; dat men in Palestina met beide rijken in verband stond en de beschaving dezer volkeren zich geheel had toegeëigend; daar was het toch al te dwaas te beweren, dat Israël, zelfs nadat het zich in dit Kanaan had neergezet, nog eeuwen lang geen schrift, geen letterkunde, geen rechtsorde zou bezeten hebben.

In verband met dit feit, wat door niemand meer ontkend wordt, heeft de nieuwe vondst van Hammurabi's wetgeving nu zoo groote beteekenis. Volgens de moderne critiek kon er van een codificatie, een te boek stellen en ordenen van de wetten, bij Israël geen sprake wezen vóór de 8ste eeuw. Voor dien tijd heerschte in Israël het „gewoonterecht; " maareen geschreven recht was ondenkbaar. Want een volk, dat zijn wetten en rechten opschrijft en ordent, zoo zeide men, moest reeds een ontwikkelingsgeschiedenis achter zich hebben die eeuwen had geduurd.

Juist dat argument nu heeft thans alle waarde verloren. De overeenkomst tusschen de wet van Hammurabi en de wet van Mozes is onloochenbaar. Waar de wet van Hammurabi reeds uit den tijd van Abraham dagteekent en anderzijds vaststaat, dat^de invloed van Babel zich lang voor Mozes' tijd over Palestina heeft uitgestrekt, zoo zelfs, dat men in Palestina Babylonisch sprak en schreef; dat allerlei sagen en legenden uit Babel destijds in Palestina bekend waren; dat men in Palestina volkomen op de hoogte was van de politiek te Babel gedreven; daar gaat het niet aan te onderstellen, dat Israël eeuwen lang in Palestina heeft gewoond, zonder deze oud-Babylonische wet te kennen of zelf tot een codificatie van het recht te zijn gekomen.

De voorstelling, die de moderne critiek zich van den ontwikkelingsgang van Israel's geschiedenis had gevormd, wordt door deze feiten een onmogelijkheid. De „deskundige onderzoeker", die in de Hervorming aan het woord is, behoeft dus niet met zekere naïeve verbazing te vragen, wat de vondst van Hammurabi's wet in dit geding bewijst.' Wanneer hij er op wijst, dat volgens Prof. Muller de wet van Hammurabi ook invloed heeft geoefend op de wet der 12 tafelen te Rome, die toch eerst in 451 voor Christus aan het Romeinsche volk is gegeven, en daaruit afleidt, dat de wet van Hammurabi dus wel eerst in de Sste eeuw aan Israël kan bekend zijn geworden, dan vergeet hij, dat deze vergelijking niet opgaat.

Rome lag geheel buiten de sfeer van Babel's invloed; hier kan het dus metterdaad eeuwen hebben geduurd, voordat langs allerlei omwegen het oud-Babylonische recht is bekend geworden.

Maar geheel anders staat de zaak bij Israël, dat vlak in de nabijheid van Babel woonde in een land, dat geheel met Babylonische cultuur doortrokken was. De voorstelling alsof de wet van Hammurabi hier eerst in de 8ste eeuw vóör Christus zou zijn doorgedrongen, is een historische absurditeit.

De „deskundige onderzoeker" gevoelt dan ook zelf wel, dat dit verlegenheids-argument hem niet baat. Rome en Israël ten opzichte van Babel's invloed op één lijn te willen plaatsen, verraadt zulk een totaal gemis aan historischen zin, dat tot verontschuldiging van den „deskundige" alleen gelden kan, dat een drenkeling' zich zelfs aan een stroohalm vastklemt, al weet hij wel, dat die stroohalm hem niet redt.

Vandaar dat uit het oude arsenaal der critiek een reeds lang gebruikt kanon te voorschijn wordt gehaald, dat in dezen strijd nog, eens dienst moet doen.

De Sinaïtische wetgeving, zoo heet het, is blijkens den inhoud bestemd voor een volk van landbouwers en stadsbewoners. De wetsbepalingen spreken van het afweiden van eens andere landen en wijngaarden, het in brand steken van korenvelden en dorpen. En dat alles past niet op een nomadische bevolking, gelijk Israel in de woestijn was. Atqui ergo kan de Sinaïtische wet niet door Mozes en in de woestijn gegeven zijn.

En wanneer Prof. Muller hiertegen terecht opmerkte, dat Mozes deze wetten dan ook niet gegeven heeft voor het nomadenleven in de woestijn, maar met het oog op Israel's vestiging in Kanaan, dan heet het, „dat de onjuistheid dezer bewering in het oog springt, als men zich maar even wil afvragen: of b, v. onze spoor-, telegraaf-, telefoonwetten en dergelijke zouden kunnen gemaakt zijn, oordat al deze dingen waren uitgevonden}”

Het kost waarlijk eenige moeite om ier geen loopje met de naïeviteit van nzen „deskundigen onderzoeker" te neen. Akkers en korenvelden, wijngaaren en dorpen zouden in Mozes' tijd nog niet uitgevonden zijn .•' Evenmin als nze overgrootvaders ooit van een spoor, en telegraaf, een telefoon gehoord hadden, ou Israel niet geweten hebben wat een kker, een wijngaard, een korenveld, een orp was 1 En daarom zou Mozes geen etten voor de akkers en wijngaarden, oor de korenvelden en dorpen hebben unnen geven ?

De dwaasheid van dit argument springt oo sterk in het oog, om met den „deskundige" te spreken, dat weerlegging als overbodige weelde mag worden beschouwd. Maar wel dient er op gewezen, hoe de resultaten van het historisch-onderzoek ook hier weer lijnrecht met de hypothesen der moderne critiek in strijd zijn.

Het opmerkelijke feit toch, dat dezelfde bepalingen, die men bij Hammurabi en bij Mozes vindt, ook bij de andere Semitische volkeren hebben gegolden en zelfs nu nog gelden bij de Bogos, een stam in Abessynië, gelijk Prof Grimme heeft aangetoond, maakt, dat de onderzoekers het eenparig hierover eens zijn, dat Hammurabi deze wetten niet het eerst kan hebben uitgedacht, maar dat zij ontleend zijn aan het gewoonterecht der oude Semieten. Met name verwijst men daarom naar Arabië als de eigenlijke bakermat van dit recht, en houdt het er voor, dat dit recht bij Mozes zelfs nog zuiverder dan bij Hammurabi bewaard is.

Juist de nomaden-stammen van Arabië zouden dus de eigenlijke vaders van dit recht zijn. Bij de Bogos, een volk dat „noch nicht zu voller Seszhaftigkeit gelangt is, " geldt het nog heden ten dage. Dit oude Semitifche recht wortelt dus in het nomadenleven en wordt nog bij nomadenstammen gevonden.

Waar nu de critiek aan Mozes deze rechtsbepalingen ontzei, omdat Israël in de woestijn een nomadenvolk was en deze wetten alleen bij een gezeten volk denkbaar zijn, is het daar te stout gesproken, dat ook op dit punt de vondst van Hammurabi's wet en het daarmee verbonden historisch onderzoek voor de hypothese van Kuene-Wellhausen's school vernietigend is geweest?

Vatten wij dus kort de hoofd-argumenten saam, dan blijkt: ie dat volgens de moderne critiek een codificatie van het recht bij Israël in Mozes' tijd ondenkbaar was, omdat volgens de wet der evolutie aan deze codificatie een langdurige historische ontwikkeling moest zijn voorafgegaan, waartegenover de wet van Hammurabi toont, dat reeds in Abraham's tijd een zeer volledige codificatie van het recht te Babel gevonden werd, die met Israel's wetgeving nauw verwant bleek; 2e dat volgens de moderne critiek Israël in de woestijn en eeuwen na zijn vestiging in Kanaan nog een barbaarsche horde was, zoo ongeveer op de hoogte staande van de negerrassen uit Afrika, terwijl de vondst van Teil et Amarna heeft getoond, dat reeds lang eer Israël Egypte verliet de invloed van Babel over heel Palestina zich had uitgebreid en de beschaving in die dagen op zoo hoog peil stond, juist in die landen waarmee Israël in aanraking kwam, dat het onmogelijk valt aan te nemen, dat Israël alleen van die hoogere beschaving zou zijn buitengesloten;

3e dat volgens de moderne critiek de Sinaïtische wetgeving alleen gedacht kan worden bij eene rustige tot nederzetting gekomen landbouwende bevolking en daarom niet door Mozes voor een nomadenvolk in de woestijn kan gegeven zijn, terwijl het onderzoek van het oud-semitische recht juist heeft aangetoond, dat dit récht bij nomadenvolken is ontstaan en bij de wetgeving van Mozes nog veel sterker zijn oorspronkelijk karakter vertoont dan bij Hammurabi, die zijn codificatie van het recht voor een wel geordenden staat gaf.

De „deskundige onderzoeker", die in de Hervorming aan het woord is, zal wèl doen met niet op allerlei bijwegen af te dolen, maar op dit drietal punten de school van Kuenen te verdedigen.

Natuurlijk zegt dat alles voor den Goddelijken oorsprong van de Sinaïtische wet geving nog niets. Al gaf de critiek dit alles toe en al bekende ze achteraf, in haar onderstellingen zich ten eenenmale vergist te hebben, dan zou daarmede voor de Goddelijke autoriteit der Schrift nog niets gewon nen zijn.

Wat hier aan de orde is, is een zuiver historisch vraagstuk. De vraag of de oudste overlevering van Israël niets ander is dan een sage, een mythe, een legende, waaraan alle vertrouwen moet worden ontzegd en die van Israel's verleden een volkomen valsch en onjuist. beeld geeft, dan wel of deze overlevering als historische waarheid moet worden aanvaard. De moderne critiek hield het eerste staande. Zij die aan de Schrift vasthielden, het laatste.

Wanneer thans tal van mannen opstaan, die aan de inspiratie der Schrift niet ge looven, die de wet van Mozes niet erkennen als een door God gegeven wet, maar die toch alleen uit historisch besef tegen de school van Kuenen-Wellhausen opkomen en grif toegeven, dat al wat het archaeologisch onderzoek in Egypte, Babel, Arabië eii Palestina aan den dag heeft gebracht, met de hypothesen dier school in strijd is, dan heeft dit getuigenis, voor ons geen geringe waarde.

Aan deze mannen kan dan toch niet verweten worden, gelijk Mr. Levy in de groene Amsterdammer nog pas weer aan Dr. H, H,

uyper deed, dat dogmatisch vooroordeel ijn blik benevelde; of dat wie uitgaat van et inspiratie-geloof, niet onbevangen de istorie kan bezien. Wat bij hen werkt is niet geloof aan de chrift of voorliefde voor Israël, maar alleen uiver historisch besef. De hyper-critiek, ie tegenover al'e traditie sceptisch staat n in plaats van met de overlevering der olkeren te lekenen, liever naar eigen geaakte theorieën de historie der volkeren econstrueert, heeft haar beste dagen gead. Op elk gebied komt reactie tegen eze critische school. Overal — niet alleen ij Israels geschiedenis — keert men weer ot de traditie terug en erkent men, dat e geschiedenis van deze historische traitie heeft uit te gaan of dat ze ophoudt eschiedenis te zijn.

Het is die strooming op historisch gebied, ie ook aan het geloof in de betrouwbaarheid an Israel's overlevering ten goede komt. n Gods kind, dat niet in de eerste plaats it historisch besef, maar uit gebondenheid ijner ziel aan Gods Woord, weigerde al wat e critiek voor sage en legende, vroom of nvroom bedrog hield te verwerpen, maar an de Schrift vasthield met kinderlijk geoof, blijkt achteraf in het gelijk te worden esteld.

De dagen der critische school zijn geteld. ij was het juist, die, door allerlei philosohische praemissen misleid, te bevangen an bhk, te-bevooroordeeld in haar oordeel as, om de waarheid te kunnen vinden. En al mag nu hier en daar een enkele epigoon van deze school nog eens een lans breken voor wat door zijn leermeesters hem geleerd werd — een piëteitsgevoel dat wij eerbiedigen — wie meeleeft met zijn tijd, een open oog heeft voor de verdere ontwikkeling der wetenschap, op de hoogte is van wat het historisch en archaeologisch onderzoek aan het licht brengt, weet dat in stilte een omkeer op het gebied der Schriftcritiek heeft plaats gevonden, waardoor het moderne standpunt reeds verouderd is en men naar een nieuw standpunt zoekt. Indien Prof. Kuenen, aan wiens groote scherpzinnigheid wij gaarne hulde brengen, de wet van Hammurabi had gekend en van de Teil el Amarna-vondst had geweten, eer hij zijn Historisch-Critisch Onderzoek schreef, hij zou tot gansch andere resultaten zijn gekomen.

En in elk geval zou hij niet met zoo onnoozele argumenten zich verdedigd hebben als de „deskundige onderzoeker" in de Hervorming deed, die Israel en Rome op één lijn stelt en meent, dat akkers en wijngaarden in Mozes' dagen nog niet uitgevonden waren.

Kuenen's nagedachtenis eert men het best, wanneer men ronduit erkent, dat Kuenen met het licht, dat wij thans uit het Oosten bezitten, op menig punt anders zou geoordeeld hebben dan hij in zijn Historisch-Critisch Onderzoek deed.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 31 januari 1904

De Heraut | 4 Pagina's

Wet en Profeten.

Bekijk de hele uitgave van zondag 31 januari 1904

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken