Bekijk het origineel

Van de tien geboden.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Van de tien geboden.

18 minuten leestijd

V.

De zonde der afgoderij of der valsche religie, waartegen God in het eerste der tien geboden zijn souvereinen wil als verbod: Gij zult ^een andere goden voor Mijn aangezicht hebben, handhaaft, hebben wij in ons vorig artikel, bij de buiten-Christelijke wereld, leeren kennen in den vorm van de natuur-religie.

Wij vonden toen, dat, wijl de religie tot het wezen van den mensch behoort, zij door de zonde wel vervalscht, maar niet vernietigd is, en verder, dat er zelfs in deze valsche religie een gradatie, een opklimming van lager tot hooger en ook een stuiting in de doorwerking der zonde van hooger naar lager valt aan te wijzen, waarin wij, wijl niets buiten Gods werking staat, Zijn gemeene Gratie hebben te eerbiedigen.

Vast moet in ons bewustzijn staan, dat er maar één ware en echte religie of verhouding van den mensch tot zijn God is, en wel die, welke als oorspronkelijke religie het leven van den Paradijs-mensch met zijn God was, omdat hij door het geloof den zichzelf openbarenden God kende.

Maar één ware en echte religie en wel die welke, — nadat de Paradijs-religie, van den heiligen mensch, toen hij door de zonde was ontheiligd, verstoord was — door God werd besteld toen Hij, barmhartig en genadig, den gevallen mensch, den zondaar opzocht met Zijn: aar zijt gij? (Gen. 3 : 9) en Zich aan hem openbaarde als den God van dat verbond' der Genade, dat reeds vóór den val, in de stilte der eeuwigheid, met den Middelaar, als het hoofd der uitverkorenen, was gesloten.

Zich openbaarde in de moederbelofte van Genesis 3 : 15, een belofte, die als een lelie tusschen de doornen, als een diamant in het erts, vervat is in het oordeel over Satan.

En niet alleen Zich dus openbaarde, maar, als een der goederen van dat Verbond der Genade, ook in den ontheiligden mensch weer wrocht het oprechte geloof, dat zich altijd richt op Gods beloften, of wat hetzelfde is, op den belovenden God, in den Middelaar.

Deze religie, als de rechte verhouding van den mensch tot zijn God, als opkomend uit de openbaring Gods, en het oprechte geloof des menschen, is van de oorspronkelijke Paradijs-religie van den heiligen mensch wezenlijk niet verschillend.

Deze religie, door de openbaring van het Verbond der Genade, ook voor zondige menschen weer mogelijk geworden, is in het geslacht van Seth, en „als de boosheid des menschen menigvuldig was op de aarde" (Gen. 6 : 5) in Noach's ark, en na den zondvloed in het geslacht van Sem, toen in de tenten der aartsvaders, daarna in Israel's volk, te midden van de afgoderijen der volkeren - door Gods eeuwige trouw bewaard gebleven. En deze ééne religie, die - nadat de Christus op aarde Zijn werk had volbracht en daardoor de zaligheid voor al de uitverkorenen had verworven, -door de apostelen^uit Jerusalem is uitgedragen in de wereld als de christelijke religie, is de eene en ware te midden van de valsche religiën of afgoderijen.

In deze religie, in de Christelijke, kan een zondig mensch, zij het dan ook om de nog „inwonende zonde" waarvan hij eerst afkomt bij zijn sterven, nooit volkomen zuiver, toch weer, wat God in het eerste gebod van hem eischt: godvruchtig zijn en den godsdienst des harten oefenen, al is dan ook zijn godsvrucht nog onvolkomen en zijn godsdienst nog bevlekt door de zonde.

Maar deze onze overtuiging omtrent het volstrekte of absolute karakter van het Christendom als religie, verhindert allerminst ook te midden van de slechte hoedanigheden, die het menschelijke in de afgoderij vertoont, dat menschelijke zelf te herkennen.

De zonde toch heeft niet ons wezen vernietigd, maar wel zijn hoedanigheden verdorven.

De zondaar, ook de diepst gezonkene, is mensch gebleven.

En zoo ergens, dan komt dit uit in de religie.

Wij wezen er een vorig maal reeds op, hoc het geloof aan een hoogere Macht, en het gevoel dat zich paart aan de gewaarwording van het goddelijke, m. a. w. de aangeboren godskennis en de, uit de waarneming van het geschapene, verkregen ken nisse Gods, zoo als onze oude Theologen dat noemden, onuitroeibaar zijn. Er is wat Calvijn noemde een „zaad van religie" een aanleg tot religie in de men schelijke ziel.

Het is door de zonde bedorven, en als de Genade niet herstellend werkt schiet er niet dan verdorven, dan slechte religie uit op, maar ook in de verwilderde plant speurt de kenner nog het wezen.

En om nu deze afgodische religie des te beter te kunnen verstaan, willen wij thans nog, — na de bespreking van de natuurreligies in haar lagere en hoogere vormen in ons vorig artikel, — alvorens in dit artikel van die hoogere gradatie in de afgodische religie, welke men 2X5 & & ethische oi zedelijk religies aanduidt, te handelen, aanwijzen hoe de religie met heel ons menschelijk zieleleven saamhangt.

Ons hooger zieleleven openbaart zich, zoo als wij reeds vroeger zagen, in de werkingen van denken en willen en het met, beide werkingen op het innigst verbonden, passieve of lijdelijke gevoel.

Symbolisch kunnen wij dit uitdrukken door hier te spreken van hoofd, hand en hart. De religie nu als religie in den mensch, of subjectieve religie, is een zaak allereerst van het hart, dan van het hoofd en eindelijk ook van de hand.

Zij wortelt in het hart, in wat wij als den zetel of het gebied van het z.g. hoogere gevoel en dus ook van het religieus gevoel, aanduiden als het „gemoed."

Wat gevoel is, laat zich uiterst moeielijk zelfs maar omschrijven. Wij kunnen het vergelijken met den klankbodem van een muziekinstrument. Het is niet de gewaarwording, de indruk zelf, maar datgene wat haar vergezelschapt, zich met haar verbindt en zich openbaart als lust of onlust.

Dit alles nu geldt ook van het religieus gevoel. Van het gevoel, dat zich verbindt aan de gewaarwording van het goddelijke, Dan, al wortelt nu ook de religie in het hart, zij is niet maar uitsluitend een zaak van het hart of het gemoed, maar ook van het hoofd, van het kennen.

Is reeds alle gewaarworden een kennen, en maken wij uit onze gewaarwordingen voorstellingen, de menschelijke geest maakt zich ook voorstellingen uit wat hij van God gewaarwordt, geloofsvoorstellingen.

En ook deze voorstellingen tracht hij, bij eenigszins hooger ontwikkeling, met elkaar in verband te brengen. Hij gaat er over denken, er ontstaat een Geloofsleer, een wetenschap van zijn kennisse Gods. En eindelijk, de religie, zooals zij zich als ware religie in het Christendom, en in de afgoderijen als ethische of zedelijke religies vertoont, is ook een zaak van de haud, van de door 'smenschen wil bestuurde handelingen. De norm of het richtsnoer, waarnaar de mensch zijn eigen handelingen en die zijner medemenschen als goed of slecht beoordeelt, is hier de Wil van zijn God.

Wij komen thans tot de z.g, ethische of zedelijke religies onder de afgoderijen. Zij dragen dezen naam omdat de geloofsvoorstelling, die men zich hier van God maakt, op éen voornaam punt, verschilt met die van de natuur-religies. In deze laatste toch zijn, zooals wij vonden, de goden of onverschillig voor, gelijk bij de lagere, of gelijk bij de hoogere slechts „wachters" van, wat men noemt, de zedelijke wereldorde.

In iedere menschenziel toch is een aangeboren besef van goed en slecht. Aangeboren niet in dien zin, dat het kind in zijn wieg dat besef reeds metterdaad heeft, maar in denzelfden zin waarin dat kind, als het ten minste niet een stomgeboren kind is, ook het spraakvermogen heeft. En bij dat besef van goed en slecht is hem, in denzelfden zin, aangeboren, dat hij het goede doen en het slechte laten moet, en ook dat er een macht is, die het slechte vergeldt met het kwaad en het goede met het goed.

Men kan deze beseffen saamvatten als het besef van het bestaan eener zedelijke wereldorde.

In de hoogere natuurreligies staat nu deze zedelijke wereldorde echter nog buiten of liever boven de goden, en deze zijn dan slechts hare hoeders of wachters.. Met andere woorden, deze heidenen gelooven wel, dat de goden de zedewet handhaven, maar niet, dat zij haar ook hebben gegeven. Hunner is de taak, den mensch, die de zedewet door zijn slecht handelen overtreedt, te straffen.

Zoo vindt men het nog in een der meest ontwikkelde van deze natuur-religies, onder de afgoderijen van het oude Indië, die men de vedische noemt; een woord dat samenhangt met ons „weten." Daar is orïer de vele goden Varuna „de wachter van het Rita, " of van de wereldorde. Men vreest de „strikken van Varuna, " waarin hij den overtreder vangt. En deze „strikken" zijn de straffen, zooals b. V. ziekten, als kwaden waarmee het slechte vergolden wordt. De oud-Indische letterkunde heeft zelfs liederen aan dezen Varuna, waarin men overeenkomst meent te kunnen aanwijzen met Israel's psalmen.

En werkelijk spreekt uit woorden als deze: „Vergeef wat onze vaderen eens misdeden, en die wij zelf met eigen hand be­ e gingen" — een schuldgevoel. Uit de woorden van een ander lied: „Mogen al uw kwade strikken den mensch vangen die een leugen spreekt; mogen zij hem verschoonen die waarheid spreekt, " een besef van vergelding. En eindelijk herinnert aan psalm 139 dit lied, waarin Varuna's „alwetendheid" wordt bezongen: „Of iemand gaat of staat of zich verschuilt, of iemand gaat nederliggen of opstaan, wat twee te zamen zittend met elkander fluisteren; koning Varuna weet het, hij is als de derde onder hen. Wanneer iemand ook ver weg vluchtte, naar de andere zijde des hemels, ook dan zou hij niet ontkomen aan Varuna onzen koning. Zijn spieders gaan uit van den hemel tot de aarde, met duizend oogen doorzoeken zij de wereld.”

Bedenkt men nu echter, dat deze afgod Varuna de persoonsverbeelding is óf van den „hemel" óf van de „maan", dat de gewaarwording van Gods heerlijkheid, het zij dan in de schittering van het hemelgewelf, het zij van het den donkeren nacht verhelderend maanlicht, in verband met 'smenschen religieuzen aanleg, met het „zaad van religie, " ook in dezen zanger uit het oude Indië aanwezig, — zijn dichtende verbeelding, de geloofsvoorstelling van den god Varuna deed vormen, dan zal men toegeven, dat hier, bij alle schijnbare overeenkomst, toch een wezenlijk verschil is met psalm 139. En zoo ook vergete men niet, dat de z.g. Vedische „boetpsalmen" met hun afbidding van het natuurlijk kwaad, heenwijzen niet op de „droefheid naar God, " maar alleen op „de droefheid der wereld.”

Maar wat hier alles afdoet en daarom bespraken wij juist met een zekere uitvoerigheid de vereering van den afgod Varuna in de Vedische-natuurreligie, het zedelijke en het religieuze staan ook hier, gelijk in alle na^ tuurreligies, nog los van elkander, voor zoover Varuna de zedewet wel bewaakt, maar niet heeft gegeven.

En dit nu is juist anders in die valsche religies of afgoderijen welke als de zedelijke of ethische worden aangeduid. Het eigenaardige van dezen meer ontwikkelden vorm van afgoderij is toch niet alleen, dat de religieuze voorstellingen omtrent de hoogere bovenzinnelijke Machten zich daar van polytheïsme tot monotheïsme, van het veelgodendom tot de geloofsvoorstelling van één God verhief, doordat men met zijn denken opklom van de veelheid der natuur-Machten tot de eenheid van een boven of ook in de natuur werkende Macht. Maar deze eigenaardigheid is ook en vooral, dat men zich deze Macht voorstelt als niet slechts de natuurlijke, maar ook de zedelijke wereld beheerschend. Hierdoor staat het zedelijke of het goede niet meer naast het religieuze, maar is er in opgenomen. De mensch gelooft hier, dat hij, door het goede te doen, handelt naar den wil van zijn God en dat hij in de openbaring van zijn God een bekendmaking heeft van wat, naar diens eigen wil, goed is. Gelooft, dat zijn God ook zijn wetgever is.

Ongetwijfeld zijn dan ook deze ethische afgoderijen, hoewel echter altijd van het Christendom niet maar in graad, doch in soort verschillend, hooger te waardeeren dan de natuur-religies. Doordat men in haar toch, niet slechts zich een God voorstelt, en in zijn gemoed zich van hem afhankelijk voelt, maar ook eigen wil naar den zijnen voegt, m. a. w. zijn God gehoorzaamt, naderen zij meer aan de idee der religie als een heel het zieleleven beheerschende macht.

In schier al deze ethische afgoderijen vindt men dan ook een openbaring van den wil der Godheid. En dat niet slechts in den zin waarin ook de goden der natuurreligies zich door hun orakels en zieners en wonderteekenen openbaren, — want de zondige mensch die de openbaring van den eenigen en waarachtigen God niet kent of ook miskent, heeft toch een onuitroeibare behoefte aan 'n openbaring, - doch openbaring in den zin van een bekendmaking van het wezen en den wil, van de wet der Godheid. Een wet, die èn voorschrijft hoe men handelen moet èn die door de Godheid wordt gehandhaafd.

En deze pseudo-of valsche openbaring is dan gewoonlijk vrucht van wat in de ziel van de z.g. religiestichters leefde aan hooger religieuze voorstellingen, inniger religieus gevoel en dieper zedelijkheid, dan hun tijdgenooten bezaten.

De meeste dezer ethische religies toch zijn de vrucht van de geestelijke werkzaamheid van een of ook van meerdere mannen, die men echter minder juist den naam van „religie-stichters" geeft.

Minder juist, en wel omdat een religie evenmin als een taal gesticht of gemaakt wordt. Men doet dan ook beter deze mannen, wijl zij de religie van de omgeving waarin zij leefden, tot hooger ontwikkeling hebben gebracht, haar hebben hervormd, „hervormers" te noemen. Dus werkten b.v. in het oude Indié eerst de Brahmanen en later dan Buddha; in China Confucuis; in Perzië Zarathustra; in Arabië Mohammed.

Werkelijk hebben deze mannen voor hun volk een roeping gehad, en wel in dien zin, dat wat in hun werkzaamheid getuigt van hooger religieus besef, als vrucht van Gods gemeene Gratie moet beschouwd. En deze „openbaring" is dan door de eeuwen heen of door mondelinge overlevering, — in liederen en hymnen, die men van buiten leerde — of door schriftelijke opteekening voortgeplant.

Al deze valsche religies van hooger ontwikkeling hebben hun „heilige schriften." Zoo het Brahmanisme zijn Veda of „heilig Weten, " het Buddhisme zijn Pittaka's, het Confucianisme zijn Kings, het Parzismezijn Avesta en het Mohammedanisme zijn Koran.

Hoewel nu onverholen moet erkend, dat in deze pseudo-heilige schriften vaak uitspraken voorkomen, die van een vroomheid en zedelijkheid getuigen waarin men de werking van Gods gemeene Gratie speurt, wordt door de kenners, die onbevooroordeeld zijn, even zeer erkend, dat zij èn op het stuk van godsvrucht èn op dat der zedelijkheid ver beneden onzen Bijbel staan.

Om iets te noemen, is voor dankbaarheid aan de Godheid in het Veda geen woord; en de door velen hooggeroemde naasten-liefde van het Buddhisme is, zoo als de kenners van deze afgoderij ons leeren, heel iets anders dan de „Christelijke liefde", zij is slechts een niet-haten. De onderwerping aan Allah, die de Islam voorschrijft, is heel iets anders dan de liefdevolle-en gewillige Christelijke onderwerping aan wat God, Wiens wezen de heilige liefde is, over ons heeft beschikt; maar de resignatie, de gelatenheid van den zwakken mensch tegenover een oppermachtigen God, die naar de voorstelling van den Mohammedaan echter alle heiligheid mist en wiens wil hij zich denkt als dien van een in zijn luimen onberekenbaar oostersch despoot.

De zondige mensch, die de openbaring niet kent of miskent, dicht zich. wel geloofsvoorstellingen van zijn goden, maar wijl opkomend uit zijn eigen zondige verbeelding, zijn zij valsch, onwaar. En al mag niet miskend het element van waarheid, dat Gods gemeene Gratie zelfs in deze voorstellingen werkte — men denke b.v. aan die van'smenschen verwantschap met de godheid en haar alomtegenwoordigheid in de Indische; aan Allah's souvereiniteit en vóórbeschikking in de Mohammedaansche — dit element van waarheid is bedorven door het gedichtsel van 'smenschen hart en geen dezer geloofsvoorstellingen beantwoordt dan ook ian wat de eenig ware God in Zijn Woord van Zich-zelf geopenbaard heeft.

Zeker ontbreekt het in deze afgoderijen ook niet aan vroomheid. Daar zijn vrome en onvrome heidenen, Mohammedanen en Joden. De voorbeelden van vromen en onvromen ook op het gebied der valsche religie, zijn voor het grijpen.

Om iets te noemen.

Bij de bedevaart naar Mekka zijn er moslim, die den nacht doorbrengen in gebed, maar daar zijn ook, die tot ergernis van alle vromen, boven deze bezigheid het zingen van vroolijke liederen en ander ijdel vermaak verkiezen.

Daar zijn vrome Joden, maar er zijn ook Joden die zelfs voor den „grooten verzoendag" niets meer voelen. Toch draagt ook deze vroomheid een gansch ander karakter dan de godsvrucht van den Christen, .

Het besef van verwantschap des menschen met God, en dat van verhevenheid van God boven den mensch, waarop wij zoo even wezen en naar wij een vorig maal zagen, wat het eerste betreft een kenmerk is van den Semitischen, en wat het laatste betreft, van den Indo-Germaanschen geest, doet zich ook voor in deze ethische religies.

Nooit komen deze beseffen daar echter tot die schoone harmonie van het „Onze Vader die in de hemelen zijt, " waarin de godvruchtige tot zijn God bidt. Ook in de hoogst ontwikkelde afgoderijen is het altijd een slingering tusschen wat men met schoolsche termen pantheïsme of deïsme noemt. D. w. z. óf een vereenzelving van den mensch met zijn God, waarbij van een verhouding dus geen sprake meer is, wijl de mensch zich vergoddelijkt waant; óf zulk een scheiding tusschen den mensch en zijn God, waarbij van een gemeenschap geen sprake meer is.

En wanneer dan ook de „mystiek", of de edele behoefte van het menschenhart, om in het verborgen leven des gemoeds, onmiddellijk zijn God te genieten, in deze valsche religiën doorbreekt — en de mystiek wordt in alle, zelfs in de Mohammedaansche, niet gemist — draagt zij altijd een pantheïstisch karakter. De „minnende ziel" waant zich zoo met haar God vereenigd, dat zij zich in hem verliest, in hem wegzinkt.

Treden sommige dezer ethische afgoderijen met de pretentie op van niet maar de religie voor éen volk, maar voor heel de wereld te zijn, met name geldt dit van het Buddhisme, dat bovendien een „verlossingsreligie" wil zijn.

„Mijn wet, zoo heeft de Buddha gesproken, is een wet der verlossing voor allen." Deze „wet" is de leer of de inhoud zijner prediking. Hij, de Buddha brengt niet zelf zijn volgers tot de beloofde verlossing, maar wijst ze door de vier „waarheden", die hij geopenbaard heeft, slechts den weg. En deze zijn: de waarheid des lijdens of der vergankelijkheid, die zich openbaart als geboorte, ouderdom, dood en weer geboren worden, als één eeuwige kringloop. In de tweede plaats, de waarheid van het ontstaan des lijdens en wel: het begeeren. In de derde plaats de waarheid, dat het lijden ophoudt waar het begeeren wordt „uitgebluscht". Eindelijk, als vierde waarheid de weg om tot deze „uitblussching" of Nirvana — waarbij de Buddha echter niet heeft geopenbaard of het Nirvana na den dood zaligheid dan wel ophouden van bestaan is — te komen. Een weg, die dan door „rechtschapenheid" ot niet-haten; door mystieke verzinking, en door de wijsheid of de kennis der „vier waarheden", bereikt wordt. Men ziet hoe deze „verlossing" niets te maken heeft met de verlossing van zonden en schuld, die de Christus niet alleen heeft gepredikt, maar als Middelaar ook verworven en nog voortdurend toepast.

Voegen wij hier nog aan toe, dat het vertrouwen op nog andere machten dan de goddelijke, ook in al deze ethische religies gevonden wordt. Het bijgeloof of de superstitie der tooverij ontbreekt zelfs in het latere Jodendom niet.

Zoo zagen wij dan, hoede valsche religie een voortdurend grove overtreding is van Gods wil, den mensch in het eerste gebod geopenbaard.

Zonde tegen God, die den mensch gebied godvruchtig te zijn en Hem alleen te dienen in zijn hart. Zeker, de vrome afgodendienaar weet niet, dat zijn vroomheid en religie des harten zonde voor God zijn.

Maar de mensch wist dat wel, en er is een doorwerking der zonde ook in de geslachten der menschen. Daarom is het dan ook plicht voor God, dat de Kerk van Christus dit gebod van haar God: „Gij zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben, " uitdrage in en doe verstaan aan de wereld.

De liefde voor Gods eere is, wat de Kerk moet dringen om het werk der zending te doen onder heidenen en Mohammedanen en Joden, maar ook onder het moderne heidendom in onze Christelijke maatschappij, dat ontzonken aan de katholiek-Christelijke belijdenis, ook naar het getuigenis van een zijner eigen „profeten", D. F. Strausz (f 1874), geen Christendom meer is, — en dus valsche religie.

De openbaring Gods die aan de Kerk van Christus is toevertrouwd, die zij bezit inde eenige en onfeilbare , .heilige schrift, " moet in de wereld verkondigd, opdat God door zijn Geest in de harte der mensch werke het geloof, en hij wiens ziel door dat geloof

aan die openbaring komt vast te liggen, bij eigen bevinding versta het woord van onzen Hoogepriester: n dit is het eeuwige leven, dat zij IJ kennen, den cenigen waarachtigen God, en Jezus Christus, dien Gij gezonden hebt. (Joh. 17:3.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 7 februari 1904

De Heraut | 4 Pagina's

Van de tien geboden.

Bekijk de hele uitgave van zondag 7 februari 1904

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken